Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:26
Datum uitspraak:
21-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-266
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Bij de overplaatsing van klager naar een andere afdeling binnen de kliniek is gebleken dat voldoende rekening is gehouden met zijn licht verstandelijke beperking. Klager heeft niet onderbouwd waarom zijn gezondheid door deze overplaatsing zou zijn geschaad. Klacht afgewezen. 

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

verblijvende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, gz-psycholoog,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.

 

 

1.           Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 12 oktober 2018;

- het verweerschrift.

 

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

1.3       Het College heeft de klacht op 10 december 2018 in raadkamer behandeld.  

 

2.          De feiten



2.1       Klager verblijft in D. Van 5 juli tot 16 juli 2018 verbleef hij op de afdeling E, van 16 juli tot 21 september 2018 op de afdeling F 1 en daarna is klager overgeplaatst naar de afdeling G.

Verweerster is manager behandeling en bedrijfsvoering (MBB) bij D en de leidinggevende van het hoofd behandeling en bedrijfsvoering (HBB) van de afdeling F. In de periode 16 juli tot 21 september 2018 heeft verweerster met klager geen directe contacten gehad.

3.          De klacht



Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven dat zij hem vaak heeft overgeplaatst, als laatste van de afdeling F naar G. Daarbij heeft verweerster geen rekening gehouden met de LVB-status van klager (lichte verstandelijke beperking). Door de herhaalde overplaatsingen komt zijn gezondheid in het geding, aldus klager.

 

4.       Het standpunt van verweerster

 

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.       De beoordeling



5.1       Het College begrijpt de klacht aldus dat deze met name ziet op de overplaatsing van de afdeling F naar de afdeling G.

Verweerster heeft de procedure en de redenen om klager over te plaatsen naar G toegelicht. De beslissing om klager over te plaatsen is genomen door een overlegorgaan en dit is aldus geen zelfstandig besluit van verweerster. Bij dergelijke beslissingen zijn de verschillende hoofden behandeling betrokken, waarbij de belangen van meerdere patiënten worden gewogen. Omdat de behandelrelatie met klager op de afdeling F was vastgelopen, is hij overgeplaatst naar een andere afdeling om plaats te maken voor een patiënt op de wachtlijst die wel voor behandeling open stond. Het behandelaanbod op F is specifiek gericht op patiënten met een LVB, maar ook G is een structuurafdeling die LVB-patiënten kan en mag opnemen en waar aan deze patiënten goede en passende zorg wordt geboden, aldus verweerster. De beslissing tot overplaatsing is bovendien toegelicht aan klager in een bemiddelingsgesprek op 17 oktober 2018, waar twee advocaten van klager aanwezig waren, iemand van de Directie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen, verweerster en een collega van haar. Verweerster betwist dat de overplaatsing van F naar G schadelijk is geweest voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van klager. Zij is niet onafgebroken bij de zorgverlening aan klager betrokken geweest en ook niet bij alle eerdere overplaatsingen, aldus verweerster.

5.2       Gelet op deze uitleg van verweerster is naar het oordeel van het College voldoende gebleken dat er bij de beslissing om klager over te plaatsen naar de afdeling G wel rekening is gehouden met zijn LVB-status. Het College heeft er oog voor dat klager de overplaatsingen als vervelend heeft ervaren, maar klager heeft niet voldoende onderbouwd waarom zijn gezondheid door deze of door eerdere overplaatsingen zou zijn geschaad. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de beslissingen tot overplaatsing van klager telkens zorgvuldig en in overleg met de betrokken hoofden behandeling zijn genomen. Er zijn geen aanwijzingen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

5.2       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

 

6.       De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2019 door  N.B. Verkleij, voorzitter, E.S.J. Roorda en N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens