Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:24
Datum uitspraak:
21-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-237
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De urinecontrole is conform het protocol afgenomen en de gz-psycholoog is als hoofd behandeling en bedrijfsvoering op grond van het protocol bevoegd te beslissen dat bij klager een urinecontrole zou worden afgenomen. Klacht afgewezen. 

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

verblijvende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, gz-psycholoog,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.

 

 

1.           Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 26 september 2018,

- het verweerschrift met bijlagen.

 

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

1.3       Het College heeft de klacht op 10 december 2018 in raadkamer behandeld.  

 

2.          De feiten



2.1       Klager verblijft in de D en verbleef op 20 september 2018 op de afdeling E. Verweerster is verbonden aan D als Hoofd Behandeling en Bedrijfsvoering (hierna: HBB) van afdeling E.

 

2.2       Op 20 september 2018 is bij klager een urinedrugsscreening (UDS, hierna ook urinecontrole genoemd) afgenomen. Daarbij moest klager zijn trainingsbroek omlaag doen en zijn t-shirt omhoog houden of uit doen.

 

3.          De klacht



Klager verwijt verweerster – zakelijk weergegeven – dat zij heeft bepaald op welke wijze de urinecontrole plaatsvindt. Deze methode ervaart klager als seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag.

 

4.       Het standpunt van verweerster

 

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.       De beoordeling



5.1       Het College overweegt het volgende.

Gebleken is dat binnen D regelmatig urinecontroles worden uitgevoerd. De wettelijke grondslag hiervoor is de Regeling urineonderzoek verpleegden. Deze regeling is binnen D verder uitgewerkt in het Protocol UDS TBS, dat door verweerster is overgelegd. Volgens dit protocol kan het hoofd van de inrichting een patiënt verplichten urine af te staan, welke bevoegdheid is gemandateerd aan de HBB’s.

Verweerster was als HHB op grond van het protocol bevoegd te beslissen dat bij klager een urinecontrole zou worden afgenomen. Dat klager binnen D niet bekend staat als gebruiker maakt dit niet anders, nu het protocol steekproefsgewijze controle bij alle patiënten mogelijk maakt. Het College kan zich voorstellen dat klager moeite heeft met de wijze waarop de USD wordt afgenomen. De USD is echter afgenomen conform het daarvoor geldende protocol en is gekoppeld aan het verblijf van klager in D. Voor zover verweerster al invloed zou hebben uitgeoefend op de wijze waarop de bewuste urinecontrole heeft plaatsgevonden – wat zij betwist –, dan heeft zij daarmee aldus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.2       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

 

6.       De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2019 door  N.B. Verkleij, voorzitter, E.S.J. Roorda en N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens