Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:181
Datum uitspraak:
22-10-2019
Datum publicatie:
22-10-2019
Zaaknummer(s):
2019-054
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Ongegronde klacht tegen een psychiater. Op grond van goed hulpverlenerschap was het de psychiater toegestaan om het patiëntendossier van klager te raadplegen, ook als klager daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Op haar rust een zelfstandige plicht om de situatie van een (mogelijke) crisispatiënt zo goed mogelijk te beoordelen in het belang van de gezondheid en veiligheid van patiënt, hulpverleners en ketenpartners. Zij heeft zich beperkt tot de relevante informatie, dit in het licht van de geplande aanhouding van klager en de door een verpleegkundige geschetste psychische gesteldheid van klager. Er zijn geen aanwijzingen dat zij medische informatie heeft gedeeld met politie of derden. Klacht ongegrond verklaard.

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, psychiater,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. D.J.G. Timmermans, werkzaam te Leiden.

 

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-         het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 februari 2019;

-         het verweerschrift met bijlagen;

-         het verweerschrift in de procedure bij de klachtencommissie E, ingestuurd door klager;

-         een ongedateerde brief met bijlagen van klager;

-         een brief met bijlage, van klager d.d. 18 april 2019;

-         door klager ingestuurde biefwisseling tussen klager en E houdende een brief gericht aan klager, d.d. 19 april 2019, en de reactie van klager daarop, ongedateerd;

-         een brief met bijlagen van gemachtigde van beklaagde d.d. 26 april 2019;

-         een mail d.d. 29 april 2019 met bijlagen van klager;

-         het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek van 30 april 2019;

-         de brief van de gemachtigde van beklaagde, d.d. 5 augustus 2019, met aanvullende bijlagen op het verweerschrift.



1.2             De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 11 september 2019. De klager en beklaagde, bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.



2.                 De feiten

 

2.1             Klager is tot medio 2017 gedurende langere periode bij E in behandeling geweest vanwege schizofrenie.



2.2             Beklaagde is als psychiater werkzaam bij de crisisdienst van E.



2.3             Op 4 december 2018 werd beklaagde benaderd door een ambulant psychiatrische verpleegkundige (hierna: de verpleegkundige), werkzaam bij het sociaal kernteam van de gemeente F. Beklaagde werd gevraagd mee te denken over het te volgen beleid ten aanzien klager, zonder dat zijn naam werd genoemd. In samenspraak met de verpleegkundige werd besloten dat een vooraanmelding geïndiceerd was. Na dit besluit werd de naam van klager bekend gemaakt aan beklaagde. De verpleegkundige deelde eveneens mee dat klager op dat moment niet in behandeling was bij E, maar dat hij dat voorheen wel was geweest. Beklaagde had klager op dat moment nog nooit gezien of behandeld.

 

2.4       Beklaagde heeft vervolgens op 4 december 2018 het patiëntendossier van klager geraadpleegd.

 

2.5       Op 13 maart 2019 heeft beklaagde het patiëntendossier van klager nogmaals geraadpleegd.



3.                 De klacht

 

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:

1. het medisch dossier van klager heeft ingezien op 4 december 2018 en op 13 maart 2019 zonder dat klager daar toestemming voor heeft gegeven en zonder dat er tussen hen een behandelrelatie bestond;

2. haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden door medische gegevens over klager te delen met de politie.

 

4.                 Het standpunt van beklaagde

 

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.                 De beoordeling

 

5.1       Aangezien er tussen klager en beklaagde geen behandelrelatie bestond, ligt op grond van artikel 47 lid 1 sub b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg de vraag ter beoordeling of beklaagde heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

 

5.2       Op 4 december 2018 werd beklaagde gebeld door een verpleegkundige van G voor collegiaal overleg. Tijdens dit gesprek werd duidelijk dat klager zowel door de woningbouwvereniging als door de politie was aangemeld bij G voor bemoeizorg.

Naar aanleiding van dit overleg werd besloten tot een vooraanmelding van klager. De verpleegkundige heeft op 5 december 2018 een mail gestuurd naar de crisisdienst met een korte samenvatting van het gesprek:

“Zoals gisteren tel. doorgegeven aan [beklaagde]:

A wordt d.d. 6-12 door politie aangehouden ( 7.00 uur, bron: H),

Laatste maanden verliest A meer en meer controle op zijn handelen, heeft betrekkingsideeën ,meer en meer conflicten in de directe woonomgeving.

Hr. uitte zich dreigend, imponerend en is handelend agressief geweest ( helaas vond er geen beoordeling plaats destijds)

Is in < behandeld geweest bij E, thans niet meer in zorg.

Hr. zelf voelt zich bedreigd vanuit de omgeving

(…..)

Bovenstaand ter kennisgeving voor het geval dat hij morgen ȃ€˜ in beeld ȃ€˜ komt.”

 

5.3       Beklaagde stelt dat het haar in dit geval op grond van goed hulpverlenerschap is toegestaan om het patiëntendossier van klager te raadplegen, ook als klager daarvoor geen toestemming heeft gegeven en dat op haar een zelfstandige plicht rust om de situatie van een (mogelijke) crisispatiënt zo goed mogelijk te beoordelen in het belang van de gezondheid en veiligheid van de patiënt, hulpverleners en ketenpartners. Nu de E over een medisch dossier van klager beschikte, mocht beklaagde daarvan kennisnemen. Beklaagde heeft daartoe niet het gehele medische dossier bekeken, maar zich beperkt tot die informatie die relevant is ter voorbereiding op een mogelijke crisisbeoordeling. (Te denken valt daarbij aan: DSM-kwalificatie, informatie over huidig toestandsbeeld en huidige behandeling, de ontslagbrief en/of medicatielijst.)

 

5.4       Het College stelt voorop dat ook bij bemoeizorg het uitgangspunt is dat er toestemming gegeven dient te worden voor inzage van het medisch/patiëntendossier. Gezien echter het bijzondere karakter van de bemoeizorg kan zich een omstandigheid voordoen dat die toestemming niet op voorhand behoeft te worden gevraagd. In het onderhavige geval ziet het College in de geplande aanhouding van klager en de door de verpleegkundige geschetste psychische gesteldheid van klager voldoende aanleiding om inzage in het dossier van klager te rechtvaardigen, zonder dat voorafgaande toestemming van klager kon worden afgewacht. Voorts heeft beklaagde verklaard slechts kennis te hebben genomen van de relevante informatie uit het dossier. Naar het oordeel van het College heeft de beklaagde gehandeld conform de Handreiking Gegevensuitwisseling in de bemoeizorg. Hoewel voornoemde Handreiking Gegevensuitwisseling ziet op meldingen, meent het College dat de Handreiking Gegevensuitwisseling in de bemoeizorg naar analogie toegepast kan worden op de vooraanmeldingen zoals hier. Dit brengt met zich dat het wenselijk was geweest dat in het dossier aangetekend was waarom beklaagde geen toestemming heeft gevraagd aan klager om het patiëntendossier in te zien. Dit acht het College, mede gezien het feit dat het hier om een vooraanmelding ging en er geen verdere uitwisseling van gegevens door beklaagde heeft plaatsgevonden, echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

 

5.5       Voorts heeft beklaagde op 13 maart 2019 nogmaals het dossier van klager ingezien nadat zij de onderhavige tuchtklacht had ontvangen. Vaste rechtspraak is dat een beklaagde in het kader van een tuchtklacht het desbetreffende medisch dossier mag inzien niet alleen om het geheugen op te frissen, maar ook om adequaat verweer te kunnen voeren in de tuchtrechtelijke procedure. Klachtonderdeel 1 is ongegrond.

 

5.6       Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat beklaagde medische informatie heeft meegedeeld aan de politie en/of derden, zodat het tweede klachtonderdeel ook ongegrond is.



5.7       De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, en onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.



6.         De beslissing

Het College:



-          verklaart de klacht ongegrond.

 

Deze beslissing is gegeven door R.A. Dozy, voorzitter, E.B. Schaafsma- van Campen, lid-jurist, M. Bezemer, G.R.R. Kuiters en M.Ch. Doorakkers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.      Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.      Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens