Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:166
Datum uitspraak:
01-10-2019
Datum publicatie:
01-10-2019
Zaaknummer(s):
2018-216
Onderwerp:
Onjuiste declaratie
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen gz-psycholoog, psychotherapeut, manager zorg over het geen herinnering hebben aan een patiëntenbespreking, (het toestaan) van onjuist declareren door medewerkers en het afslaan van een zorgvraag door deze medewerkers en tot slot over het in het kader van de klachtbehandeling klager uitnodigen voor een persoonlijk gesprek in plaats van een telefoongesprek. Twee klachtonderdelen zijn kennelijk niet-ontvankelijk, een klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

 

C, psychotherapeut,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam te Den Haag.

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 augustus 2018;

-      het verweerschrift;

-      het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 12 februari 2019.

 

1.2             Het College heeft de klacht op 7 augustus 2019 in raadkamer behandeld.

  

2.                 De feiten



2.1             Klager, geboren in 1974, stond ten tijde van zijn contact met beklaagde onder behandeling bij het E, expertisecentrum voor autisme van F. In het kader van die behandeling is klager door zijn behandelend psychiater g op 18 november 2015 verwezen naar het H (hierna: H) van I in D (onderdeel van de F). Naar aanleiding van die verwijzing hebben twee gedragsdeskundigen, werkzaam bij het H, op 12 januari 2016 een diagnostisch gesprek met klager gevoerd. Voorts vond meermaals overleg plaats tussen deze psychologen onderling alsook tussen hen en de behandelaar van klager bij F. Klager heeft onder andere tegen beide gedragsdeskundigen op 4 augustus 2017 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van F.

 

2.2             Beklaagde was toen als manager zorg werkzaam bij het H. Beklaagde heeft, voor zover relevant, als manager zorg van het H op 31 augustus 2017 schriftelijk gereageerd op de door klager ingediende klacht. Hij heeft onder meer vermeld:

 

“(…) Helaas zijn de twee collega’s die A in zijn klacht noemt, niet langer werkzaam op het H. Een inhoudelijke behandeling van zijn klacht is daarmee lastig. Uiteraard vind ik het zeer spijtig dat hij zich onheus bejegend voelt en niet gezien in zijn klachten.

Ik zou heel graag H willen vragen, in een persoonlijk gesprek met mij, zijn klachten te bespreken. Mogelijk zijn er goede redenen de second opinion opnieuw te doen, waarvoor ik zeker tijd zal maken.”



3.                 De klacht

 

Klager verwijt beklaagde dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende op verantwoorde wijze de zorg te managen. Meer in detail verwijt klager beklaagde dat hij als manager:

a)     op 9 februari 2016 de vergadering [College: patiëntenbespreking] inzake klagers dossier heeft geleid en in zijn schriftelijke reactie van 31 augustus 2017 heeft geïmpliceerd hiervan niets te weten, terwijl uit de financiële verslaglegging blijkt dat hij daarvoor wel indirecte tijd heeft geschreven;

b)     heeft toegelaten dat onder zijn leiding zijn medewerkers een zorgvraag hebben afgeslagen en dat onderzoekskosten dubbel werden gedeclareerd;

c)     gericht was op omzetgroei door klager te vragen om een persoonlijk in plaats van een telefonisch gesprek op basis van de informatie in het patiëntendossier. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klager aangevoerd dat beklaagde in het interne computersysteem had kunnen zien dat hij betrokken was bij de behandeling van het dossier van klager en had hij klager daarover telefonisch kunnen informeren.

 

Klager meent dat beklaagde als manager zorg verantwoordelijk is voor de processen en het geheel moet kunnen overzien.

 

4.                 Het standpunt vanbeklaagde

 

Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.                 De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1       Beklaagde heeft gesteld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klachten. Beklaagde heeft in zijn hoedanigheid van zorgverlener klager nooit behandeld, zodat artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) niet aan de orde is. Als manager zorg heeft hij zich uitsluitend beziggehouden met de klachtafhandeling door de te reageren op de klacht die klager tegen de gedragsdeskundigen had ingediend. Volgens beklaagde valt dit niet onder de norm van artikel 47 lid 1 onder b van de Wet BIG.

 

5.2       De klacht van klager heeft geen betrekking op directe zorgverlening door beklaagde aan klager, zodat de verweten handelingen niet onder de eerste tuchtnorm vallen. De vraag ligt vervolgens voor of de verweten gedraging onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm valt.

Met de wijziging van de Wet BIG per 1 april 2019 is de zogenoemde tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder b Wet BIG) tekstueel aangepast (“enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”), maar uit de parlementaire geschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2016/17, 34 629 nr. 2, pag. 7) blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad de bestaande jurisprudentie op dit punt te codificeren. Op grond daarvan valt een gedraging onder de tweede tuchtnorm als door de aangeklaagde gehandeld is in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde en de gedraging in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (het ‘oude’ criterium), dan wel in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (het ‘nieuwe’ criterium). Ook het handelen van beroepsbeoefenaren in een leidinggevende en/of bestuurlijke functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, indien dit handelen zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de beklaagde zich bij zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort. Wel dient rekening te worden gehouden met de discretionaire ruimte van de leidinggevende/bestuurder. In het licht van deze uitgangspunten zullen de klachtonderdelen worden beoordeeld.

Klachtonderdeel 3 a)

5.3       Dit klachtonderdeel heeft betrekking op een patiëntenbespreking over klager op 9 februari 2016, waarbij beklaagde aanwezig zou zijn geweest, zodat hij op de hoogte kon zijn  van de gesprekken die klager met zijn medewerkers zou hebben gehad. Klager verwijt beklaagde dat hij heeft gesteld geen herinnering te hebben aan de door hem geleide vergadering op 9 februari 2016, terwijl uit de urencalculatie die klager heeft overgelegd kan opgemaakt worden dat op 9 februari 2016 een interne patiëntenbespreking heeft plaatsgevonden, waarvoor beklaagde indirecte tijd heeft geschreven en waarbij hij dus kennelijk aanwezig is geweest. Het enkele feit dat beklaagde – zoals klager stelt - heeft aangegeven geen herinnering te hebben aan de door hem geleide vergadering is geen handelen dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Reeds daarom is dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.

 

Klachtonderdeel 3 b)   

5.4       (Het toestaan van) onjuist declareren kan zijn weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg, zodat het College dit klachtonderdeel inhoudelijk zal beoordelen. Klager heeft na de toelichting van de beide gedragsdeskundigen tijdens het mondelinge vooronderzoek de klacht omtrent dubbele declaratie van onderzoekskosten tegen hen ingetrokken en het College heeft de behandeling van deze klacht tegen hen gestaakt. Hierbij komt dat de medewerkers zelf verantwoordelijk zijn voor het schrijven en het declareren van hun werkzame uren en beklaagde als manager zorg voor eventuele onjuistheden daarin in beginsel niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Van een situatie waarin een uitzondering hierop zou moeten gelden, is niet gebleken. Het College begrijpt voorts dat klager met het afslaan van een zorgvraag verwijst naar het feit dat de gedragsdeskundigen na het gesprek met klager hebben geconcludeerd dat een klinische behandeling binnen het H niet was geïndiceerd. Als BIG-geregistreerde zorgverleners zijn zij voor hun onderzoek en voor de conclusies ervan zelf verantwoordelijk. Dit klachtonderdeel moet daarom ongegrond worden verklaard.

 

Klachtonderdeel 3 c)

5.5       Het enkele verzoek van beklaagde om in het kader van de klachtbehandeling te vragen om een persoonlijk in plaats van een telefonisch gesprek, waaraan geen gevolg is gegeven, is geen handelen dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Klager kan ook in dit klachtonderdeel niet worden ontvangen.  Het College merkt hierbij ten overvloede nog op dat het gebruikelijk en zelfs gewenst is dat in het kader van klachtafhandeling een persoonlijk gesprek aan de klager wordt aangeboden. Dat beklaagde in dit geval voornemens zou zijn geweest een dergelijk gesprek te declareren is een veronderstelling van klager die niet verder is onderbouwd.

 

5.6       Om bovenstaande redenen zal het College beslissen dat de klachtonderdelen a) en c) zonder nader onderzoek kennelijk niet-ontvankelijk zijn en het klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond is.

 

6.                 De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

de klachtonderdelen a) en c) zijn kennelijk niet-ontvankelijk;

 

klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 1 oktober 2019 door N.B. Verkleij, voorzitter,

C.H.J.A.M. van de Vijfeijken en E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.

 

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens