Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:160
Datum uitspraak:
01-10-2019
Datum publicatie:
01-10-2019
Zaaknummer(s):
2018-234
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klachten tegen een psychiater, lid van de Raad van Bestuur van een GGZ-instelling. De afstand tussen de bestuurlijke positie van beklaagde en het verweten handelen of nalaten is dermate groot dat reeds daarom beklaagde daarvoor niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Klachten zijn kennelijk niet-ontvankelijk. 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, psychiater,

werkzaam te D

beklaagde.

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 17 september 2018;

-      het verweerschrift met bijlage;

-      de aanvullende klaagschriften met bijlagen d.d. 25 oktober 2018 en 30 oktober 2018;

-      het aanvullend verweerschrift;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 12 februari 2019;

-      de dvd met opname van het gesprek tussen klager en beklaagde d.d. 13 september 2018;

-      de brief d.d. 6 maart 2019 van klager.

 

1.2             Het College heeft de klacht op 7 augustus 2019 in raadkamer behandeld.



2.                 De feiten



2.1             Klager, geboren in 1974, is lange tijd onder behandeling geweest bij het E, expertisecentrum voor autisme, van F. Beklaagde is lid van de Raad van Bestuur van F (F.), en is verantwoordelijk voor de portefeuille ‘kwaliteit van de zorg’.

 

2.2             Klager en beklaagde hebben elkaar eenmalig gesproken in een gesprek op 13 september 2018, naar aanleiding van een groot aantal klachten dat klager bij de klachtencommissie van F had ingediend.

 

3.                 De klacht

 

Klager verwijt beklaagde dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder onzorgvuldig heeft gehandeld. Meer in detail verwijt klager beklaagde dat hij als eindverantwoordelijke:

a)     onvoldoende bewust is geweest en zeker van heeft gemaakt dat zowel de interne behandelprotocollen, werkwijzen en afstemming van behandelingen en behandelmethodiek als de escalatieprotocollen bij E in overeenstemming waren, zijn en blijven met de wet- en regelgeving, alsook met het interne kwaliteitsstatuut en de algemene leveringsvoorwaarden ggz van F en de veiligheid van patiënten niet kan waarborgen. Klager stelt zich op het standpunt dat de beklaagde het commerciële belang van zijn persoon en de organisatie laat prevaleren boven de gezondheid en het welbevinden van de cliënten.

b)      in het gesprek tussen klager en beklaagde op 13 september 2018 1) heeft aangegeven op klagers klachten een verweer te verzinnen om onder zijn verantwoordelijkheden uit te komen; 2) heeft aangegeven klachten lastig te vinden omdat dit werk voor het personeel oplevert; 3) geen enkel begrip heeft getoond voor klagers toestand en de situatie binnen het E;

c)     niet BIG-geregistreerde medewerkers geneeskundige handelingen heeft laten uitvoeren, waarmee beklaagde niet alleen de Wkkgz, maar ook het burgerlijk recht terzijde heeft geschoven;

d)     ten onrechte aan G, arts bij de Crisisdienst D, opdracht heeft gegeven onrechtmatige handelingen jegens klager uit te voeren om daarmee juridische schade aan klager toe te brengen.

 

 

 

 

4.                 Het standpunt vanbeklaagde

 

Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.                 De beoordeling

 

5.1       Wat beklaagde in deze zaak wordt verweten is geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder a Wet BIG), die betrekking heeft op de behandelrelatie tussen een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar en een patiënt, maar handelen van beklaagde als lid van de Raad van Bestuur van F.

 

5.2       Met de wijziging van de Wet BIG per 1 april 2019 is de zogenoemde tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder b Wet BIG) tekstueel aangepast (“enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”), maar uit de parlementaire geschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2016/17, 34 629 nr. 2, pag. 7) blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad de bestaande jurisprudentie op dit punt te codificeren. Op grond daarvan valt een gedraging onder de tweede tuchtnorm als door de aangeklaagde gehandeld is in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde en de gedraging in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (het ‘oude’ criterium), dan wel in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (het ‘nieuwe’ criterium). Ook het handelen van beroepsbeoefenaren in een leidinggevende en/of bestuurlijke functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, indien dit handelen zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de beklaagde zich bij zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort. Wel dient rekening te worden gehouden met de discretionaire ruimte van de leidinggevende/bestuurder.

 

5.3       In het onderhavige geval is aan de bovenvermelde voorwaarden niet voldaan. De afstand tussen de bestuurlijke positie van beklaagde enerzijds als lid van de Raad van Bestuur van de overkoepelende, landelijke organisatie F en het verweten handelen of nalaten anderzijds is dermate groot dat reeds daarom beklaagde voor dit handelen of nalaten niet tuchtrechtelijk aansprakelijk gehouden kan worden, waarbij komt dat het College niet heeft kunnen vaststellen dat beklaagde zich heeft begeven op zijn deskundigheidsgebied van psychiater.

 

5.4       De conclusie is dan ook klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.  

 

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

verklaart de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

 

Deze beslissing is gegeven op 1 oktober 2019 door  M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, H.N. Koetsier en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens