Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:154
Datum uitspraak:
01-10-2019
Datum publicatie:
01-10-2019
Zaaknummer(s):
2018-212
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen psychiater over met name een onjuiste behandeling. Niet is gebleken dat beklaagde niets heeft gedaan met de PTSS zorgvraag of heeft belemmerd dat klager bij een andere organisatie zijn zorgvraag kon indienen. Voor wat betreft de meer praktische begeleiding van klager is voorts voldoende inspanning verricht. Klacht is kennelijk ongegrond. 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, psychiater,

werkzaam te D,

beklaagde.

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 augustus 2018;

-      het verweerschrift met bijlagen;

-      het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 29 januari 2019, met bijlagen;

-      aanvullende documentatie, ontvangen van klager op 30 januari 2019.



1.2             Het College heeft de klacht op 7 augustus 2019 in raadkamer behandeld.



2.                 De feiten



2.1             Klager, geboren in 1974, stond ten tijde van zijn contact met beklaagde al enige tijd onder behandeling bij het E, expertisecentrum voor autisme, van F. Beklaagde was aldaar werkzaam als psychiater.

 

2.2              Beklaagde heeft klagers behandeling in oktober 2015 overgenomen van haar collega, G, en bleef betrokken tot eind 2016. Daarbij werkte zij samen met klagers psychotherapeut, H. Vanaf oktober 2015 heeft beklaagde geprobeerd om een verwijzing van klager te realiseren voor intensieve behandeling buitenshuis gericht op traumaverwerking en persoonlijkheidsproblematiek. Uit een aantekening in het medisch dossier d.d. 29 oktober 2015 blijkt dat op dat moment een aanvraag bij 3 mogelijke behandelinstanties lag, te weten I, J en K (hierna: K). Toen de aanvragen werden afgewezen, is gezocht naar mogelijkheden om klager zo goed mogelijk binnenshuis te behandelen.

 

3.                 De klacht



Klager verwijt beklaagde dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door

a)     Onbeveiligd medische gegevens te mailen;

b)     Voor te wenden dat voor het krijgen van behandeling voor de PTSS-klachten, klager zich wils- en/of handelingsonbekwaam moet laten verklaren;

c)     De behandeling voort te zetten terwijl op 8 april 2016 bleek dat de behandeling niet aansloeg. Beklaagde heeft niets gedaan met de PTSS zorgvraag terwijl dit wel mogelijk was;

d)     Te belemmeren dat klager bij een andere organisatie zijn zorgvraag kon indienen;

e)     Klagers persoonsgebonden budget niet voor de noodzakelijke hulp aan te wenden.

 

4.                 Het standpunt vanbeklaagde

 

Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.                 De beoordeling

 

Klachtonderdeel 3 a).

5.1       Beklaagde heeft erkend dat er in 2016 meerdere e-mailcontacten zijn geweest die niet waren beveiligd, aangezien toentertijd die mogelijkheid bij F nog niet bestond. Onbeveiligd e-mailen was destijds algemene praktijk, zodat het College dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar acht.  Klachtonderdeel a is ongegrond.

 

Klachtonderdeel 3 b).

5.2       Het is niet duidelijk waarop klager zijn verwijt heeft gestoeld. In het medisch dossier is op 29 oktober 2015 vermeld dat “…K intensieve behandeling mogelijk [is] met rechterlijke machtiging….”.  Beklaagde heeft toegelicht dat zij klager heeft uitgelegd dat intensieve klinische behandeling bij het K alleen kon plaatsvinden indien de patiënt gedwongen wordt opgenomen. Toen klager had aangegeven dat hij nooit daarmee zou instemmen heeft beklaagde - zo heeft zij gesteld -  overleg gehad met het K over de vraag of er een mogelijkheid was voor behandeling zonder een gedwongen opname. Het hier voor vermelde leidt slechts tot de conclusie dat het K in de regel binnen een gedwongen setting behandelt. Deze boodschap heeft beklaagde aan klager overgebracht. Hier is niets mis mee.  Sterker nog, beklaagde heeft juist onderzocht of aldaar behandelmogelijkheden waren buiten een gedwongen setting. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

 

Klachtonderdelen 3 c) en d).

5.3       Niet is gebleken dat beklaagde niets heeft gedaan met de PTSS zorgvraag terwijl dit wel mogelijk  was of  heeft belemmerd dat klager bij een andere organisatie zijn zorgvraag kon indienen. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat beklaagde vanaf het moment dat zij betrokken is geraakt bij klager in overleg met hem heeft getracht klager te verwijzen naar diverse instanties voor een intensieve behandeling gericht op traumaverwerking buiten de afdeling E. Als overbrugging is een deeltijdbehandeling bij het L voorgesteld en is een psychiater aldaar gestart met een individuele behandeling, te weten met EMDR. Toen klager door alle aangezochte instellingen voor intensieve behandeling was afgewezen, is hem binnen de afdeling E een intensievere, traumagerichte behandeling aangeboden (door H). Beklaagde heeft zich dan ook voldoende ingespannen om klager conform zijn zorgvraag een traumabehandeling te geven. Dat klager kenbaar zou hebben gemaakt een andere, door hemzelf met naam genoemde organisatie te willen benaderen en hierin is belemmerd,  is door klager niet onderbouwd en is ook niet gebleken. Voor wat betreft de meer praktische begeleiding van klager is uit de voorhanden zijnde stukken op te maken dat voldoende inspanning is geleverd. Beklaagde heeft overleg gepleegd over begeleidingsmogelijkheden (in het kader van werk) binnen M. Alhoewel klager tijdens het mondeling vooronderzoek heeft gesteld dat hij, gezien zijn gezondheidstoestand, juist niet heeft verzocht om actieve begeleiding naar werk, wordt dit niet bevestigd door het dossier. Daaruit komt het beeld naar voren dat klager zelf over werkhervatting heeft gesproken, onder meer aangezien de termijn van 2 jaar van de Ziektewet op korte termijn zou aflopen. Beklaagde heeft voorts gewezen op voorstellen die zijn gedaan voor begeleiding/coaching buitenshuis bij J, [..], door het sociale wijkteam,  maatschappelijk werk en een financieel adviseur. Hiervan uitgaande stelt het College vast dat ook in dit opzicht beklaagde zich ruim voldoende heeft ingespannen om klager te begeleiden.

5.4       Ter zake van het verwijt dat de behandeling is voortgezet terwijl die niet aansloeg heeft beklaagde nog naar voren gebracht dat zij het daar niet mee eens was en dat het klager zelf is geweest die in het gesprek op 8 april 2016 in reactie op de afwijzing voor behandeling bij de I heeft opgemerkt dat hij niet te behandelen zou zijn, hetgeen letterlijk in het verslag van het gesprek is opgenomen. Het gaat hierbij, aldus beklaagde, om een citaat van klager zelf. Dit verwijt is dus niet vast komen te staan. Gezien de context van het gespreksverslag gaat het College veeleer uit van de interpretatie van beklaagde. De klachtonderdelen c en d worden dan ook ongegrond geacht.

 

Klachtonderdeel 3 e).

5.5       Het College volgt de beklaagde waar zij stelt dat het beheer van een PGB van een patiënt niet valt binnen het takenpakket van een psychiater. Reeds hierom valt beklaagde ter  zake geen verwijt te maken en is dit klachtonderdeel ongegrond.

 

5.6       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard.

 

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

 

Deze beslissing is gegeven op 1 oktober 2019 door  M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, H.N. Koetsier en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens