Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:1
Datum uitspraak:
02-01-2019
Datum publicatie:
02-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-095
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Ongegronde klacht tegen een huisarts.  De huisarts was die dag waarnemer en heeft voor patiënte een cito D-dimeer aangevraagd. Volgens vast praktijkgebruik werd de cito aangevraagde uitslag die na 17.00 uur beschikbaar kwam doorgebeld naar de na 17.00 uur waarnemende huisartsenpost die indien nodig hierop actie ondernam. Naar het oordeel van het College mocht verweerder er in dat licht op vertrouwen dat ook nu de cito aangevraagde uitslag ten spoedigste zou worden doorgebeld naar de huisartsenpost indien de uitslag na 17.00 uur bekend zou worden. Dat de laboratoriumuitslag pas de volgende dag aan de praktijkassistente van de huisarts is doorgegeven kan verweerder niet worden verweten. Klacht afgewezen.

 

Datum uitspraak: 2 januari 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C, huisarts,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 1 mei 2018

- een instemmingsverklaring van 6 juni 2018

- het verweerschrift met bijlagen

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 29 augustus 2018.

 

1.2       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 14 november 2018. De partijen - klaagster vergezeld van haar moeder en verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde - zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

 

2.         De feiten

 

2.1       Klaagster heeft de klacht ingediend namens haar overleden oma, mevrouw

D (hierna te noemen: patiënte), geboren in 1928, overleden op 30 september 2016.

 

2.2       Patiënte woonde sinds 2011 zelfstandig in een appartementencomplex met de hulp van Stichting E (hierna: E).

 

2.3       Patiënte leed aan meerdere kwalen. Op 26 september 2016 was patiënte voor het laatst bezocht door haar huisarts F.

 

2.4       Huisarts F was op 29 en 30 september 2016 afwezig en werd waargenomen door verweerder. Op 29 september 2016 heeft verweerder patiënte bezocht, anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. In het medisch dossier staat genoteerd:

’S C (verweerder): sinds 2 dagen rood onderbeen, glanzend en

S pijnlijk. Ook last van maag.

O erythemateus en oedemateus re onderbeen. Mw is

O niet benauwd. Geen port d’entree gezien. Grote

O teen re in het verband, echter geen zich

O verspreidende roodheid.

E Gezwollen enkels/enkeloedeem

P – pantoprazol naar 2 dd 1

P – elke dag zwachtelen.

P – thuis d-dimeer prikken cito en laten doorbellen’.

Verweerder geeft aan dat hij een lichte verdenking had van een trombosebeen: beide benen waren dik en hadden beide roodheid. Aangezien patiënte toch pijn aangaf aan het rechter been heeft verweerder besloten om een d-dimeer cito (met spoed) te laten prikken om bij verhoogde waarde te starten met bloedverdunners.

De praktijkassistente heeft G gebeld voor de cito aanvraag d-dimeer. In het medisch dossier staat hierover genoteerd:

S (AA (arts-assistent) G gebeld voor Cito aanvraag D-dimeer. (…)

S uitslag word doorgebeld’.

 

2.5       Op 29 september 2016 is om 15.25 uur bij patiënte bloed geprikt. Om 18.22 uur werd een uitslag genoteerd. Deze uitslag met verhoogde bloedwaarden werd eerst op 30 september 2016 doorgebeld naar de praktijkassistente van huisarts F.           

 

2.6       Op 30 september 2016 is patiënte overleden in haar appartement aangetroffen door medewerkers van E. Als waarschijnlijkheidsdiagnose is genoteerd longembolie en DVT (diep veneuze trombose).

 

3.         De klacht

 

Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij niet de nodige zorg heeft betracht rondom de met spoed aangevraagde bloedprik en daarom verantwoordelijk is voor de dood van patiënte. Ter zitting heeft klaagster dit verwijt geconcretiseerd met de stelling dat

verweerder ervoor had moeten zorgen dat hij – ondanks dat zijn waarnemingsdienst was

afgelopen - dezelfde dag nog de cito gevraagde uitslag van het bloedonderzoek had

vernomen.

 

4.         Het standpunt van verweerder

 

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

           

5.1       Beoordeeld moet worden of verweerder met zijn handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Het College overweegt dat in de “NHG standaard M86 Diep Veneuze Trombose en Longembolie” wordt aangegeven dat een voorwaarde voor gebruik van de beslisregels is dat de huisarts dezelfde dag moet kunnen beschikken over de uitslag van een D-dimeerbepaling en dat de huisarts er mede zorg voor heeft te dragen dat de uitslag hem of haar snel bereikt.

 

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij regelmatig waarnemingsdiensten had in de betreffende huisartsenpraktijk en dat hij op de hoogte was van de gang van zaken bij een cito bloedonderzoek door G. Ook is bij de cito-aanvraag aangegeven dat de uitslag moest worden doorgebeld. Volgens vast praktijkgebruik werd de cito aangevraagde uitslag die na 17 uur beschikbaar kwam doorgebeld naar de na 17 uur waarnemende huisartsenpost (HAP) die indien nodig hierop actie ondernam.

 

Naar het oordeel van het College mocht verweerder er in dat licht op vertrouwen dat ook nu de cito aangevraagde uitslag ten spoedigste zou worden doorgebeld naar de huisartsenpost indien de uitslag na 17.00 uur bekend zou worden. Verweerder is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dat de laboratoriumuitslag pas de volgende dag aan de praktijkassistente van huisarts F is doorgegeven kan niet aan verweerder worden verweten.

 

5.2       De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.

 

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven door W.N.L. Donker, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist, A.M. van Hemert, M. Bezemer en P.C.L.A. Lambregts, leden-artsen, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens