Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2019:18
Datum uitspraak:
04-04-2019
Datum publicatie:
04-04-2019
Zaaknummer(s):
18106
Onderwerp:
Geen of onvoldoende zorg
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:
Psychiater wordt verweten dat hij patiënte, die al tweemaal een auto-intoxicatie had uitgevoerd, teveel medicatie heeft voorgeschreven, waardoor zij opnieuw een zelfmoordpoging kon doen. In het licht van de multidisciplinaire richtlijn “diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag” moeten de twee eerdere auto-intoxicaties worden aangemerkt als risicovol gedrag. Verweerder had zich bij het uitschrijven van een recept dienen te beperken. Onzorgvuldig en niet conform de richtlijn gehandeld. Geen blijk van inzicht in laakbaarheid van zijn handelen. Berisping.

Uitspraak: 4 april 2019

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 3 juli 2018 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde: mr. J.J.Th. van Stiphout te Helmond

 

tegen:

 

[C]

psychiater

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne te Eindhoven

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         de brief d.d. 7 februari 2019 met bijlagen van de gemachtigde van klaagster

-         de pleitnotities van verweerder overhandigd ter zitting.

 

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 25 februari 2019 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op 5 april 2018 heeft de huisarts van klaagster aan de GGZ-instelling (hierna: de instelling), alwaar verweerder als psychiater werkzaam is, gemeld dat klaagster op 3 april 2018

20 tabletten diazepam had ingenomen en 4 tabletten temazepam en de instelling verzocht om een beoordeling van klaagster. Klaagster werd die middag door een collega-psychiater en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (SPV-er) van de instelling beoordeeld. Zij achtten een opname niet nodig en gaven de voorkeur aan een hoog-intensieve behandeling door het Acuut Zorg Team (hierna: AZT) door middel van huisbezoeken. Klaagster heeft ter plekke medicatie ingenomen en er werd haar ook een recept meegegeven. 

Op 6 april 2018 heeft klaagster ’s nachts alle medicatie in één keer ingenomen. Die ochtend heeft haar moeder de huisarts gebeld, waarna de huisarts de crisisdienst van de instelling om een beoordeling ter plaatse heeft verzocht. Daarop is klaagster diezelfde middag door de crisisdienst thuis bezocht, maar omdat klaagster nog suf was, was op dat moment een beoordeling niet goed mogelijk. Met de familie van klaagster is toen afgesproken dat als klaagster wakker en aanspreekbaar is, er contact met de crisisdienst wordt opgenomen. Klaagster is vervolgens op zaterdag 7 april 2018 door de crisisdienst beoordeeld en deze vond toen een vrijwillige opname op de afdeling High Intensive Care (HIC) geïndiceerd.

In het voortgangsverslag d.d. 7 april 2018 is genoteerd:

“          Opgenomen wordt een vrouw, geboren in 1979, die recent tweemaal een auto intoxicatie verrichtte als gevolg van acute stress bij psychosociale problematiek. Ze heeft beperkte draagkracht en is in het verleden gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis, cocaïne en alcohol afhankelijkheid.

Beleid

-  (…)

-  opname in ieder geval tot maandag, dan verder beleid bepalen aan de hand

   van toestandsbeeld.

-  indien zij met ontslag wil, overleg met dienstdoende.”

Op 9 april 2018 is klaagster voor het eerst gezien door verweerder en een psychiater in opleiding. Verweerder noteerde in de voortgangsrapportage (citaat inclusief typefouten):

“          asl ze naar buiten gaat dan zal ze ervoor zorgen te voerlijden.”

Op 11 april 2018 heeft klaagster de psychiater in opleiding meegedeeld het weekend graag weg te willen met vriendinnen. Dit is met verweerder besproken, die in beginsel akkoord was maar klaagster eerst zelf nog wilde zien. De volgende ochtend heeft verweerder klaagster gezien en was hij akkoord met het ontslag. Verweerder heeft voor klaagster toen een recept voor 30 dagen uitgeschreven, te weten 20 tabletten Rivotril 2 mg., 30 tabletten escitalopram 10 mg. en 30 tabletten quetiapine met gereguleerde afgifte 150 mg.

Op 13 en 15 april 2018 is er vanuit de instelling telefonisch contact opgenomen met klaagster om te informeren hoe het met haar ging. Tijdens het telefoongesprek op 15 april 2018 heeft klaagster aangegeven het ontslagrecept kwijt te zijn. Klaagster liet weten in de gelegenheid te zijn om die dag nog naar de apotheek van het ziekenhuis te gaan. Na overleg met de tussenwacht heeft de SPV-er een recept voor 5 dagen naar de apotheek van het ziekenhuis verzonden.

In de op 16 april 2018 gedateerde en door verweerder ondertekende brief aan de huisarts van klaagster staat onder andere opgetekend:

“          Op 12 april 2018 wordt zij ontslagen en krijgt een ontslagrecept mee om het weekend te overbruggen.”

Op 17 april 2018 heeft klaagster een auto-intoxicatie gedaan door inname van 30 tabletten Citalopram en Rivotril in combinatie met cocaïne en is zij naar aanleiding daarvan op de SEH van het ziekenhuis binnengebracht. Vervolgens is klaagster op 19 april 2018 wederom op de afdeling HIC van de instelling opgenomen onder supervisie van verweerder.

 

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar bij haar ontslag op 12 april 2018 een te grote hoeveelheid medicatie heeft voorgeschreven, waardoor zij met behulp van die medicatie een poging tot zelfmoord (auto-intoxicatie) heeft kunnen doen. Klaagster maakt verweerder meer in het bijzonder dit verwijt omdat zij kort daarvoor al twee keer een auto-intoxicatie had uitgevoerd.

 

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder erkent dat hij drie keer verantwoordelijk is geweest voor de aan klaagster voorgeschreven medicatie, namelijk op 9, 12 en 20 april 2018. Dat klaagster op 17 april 2018 een grote hoeveelheid medicatie tot zich heeft genomen, in combinatie met cocaïne, was voor zowel het AZT als verweerder onverwacht. Blijkens het dossier kwam het tot zich nemen van grote doses medicatie voort uit plotselinge (hevige) stressreacties bij klaagster en was het doel van het innemen van die medicatie het bereiken van rust. Uit de gesprekken en contacten tijdens de opname is nimmer gebleken dat klaagster de bedoeling had zichzelf van het leven te beroven. Verweerder merkt voorts op dat het niet duidelijk is over welke medicatie klaagster kon beschikken op 17 april 2018 aangezien aan haar op 15 april 2018 nog een recept is verstrekt. Verweerder vermag niet in te zien waarom hem van het voorschrijven van de medicatie op 12 april 2018 een verwijt valt te maken aangezien er tot 19 april 2018

- de tweede opname op de HIC -  immers geen concrete aanwijzingen waren voor suïcidegevaar. Het voorschrijven van medicatie voor een periode van 30 dagen is in een dergelijk geval alleszins verantwoord. Er is ook geen richtlijn die het voorschrijven van medicatie in genoemde hoeveelheden afraadt dan wel contra-indiceert, aldus verweerder.

 

5. De overwegingen van het college

Procedureel

Bij brief van 7 februari 2019 is namens klaagster verzocht om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Dit verzoek is aan het begin van de (openbare) zitting behandeld. Nadat de gemachtigde van klaagster dit verzoek nader had toegelicht en de gemachtigde van verweerder had aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben, is de zitting kort geschorst.

Na hervatting van de zitting heeft de voorzitter van het college meegedeeld dat het verzoek wordt afgewezen. De privacy van klaagster is onvoldoende zwaarwegend om het verzoek te honoreren.

Bij de toelichting van de klacht heeft de gemachtigde van klaagster opgemerkt dat het verwijt niet alleen ziet op de hoeveelheid verstrekte medicatie maar ook op de soort. Er worden vraagtekens geplaatst bij het voorschrijven van het medicijn quetiapine, een anti-psychoticum. Dat ziet niet op de klachten van klaagster en dus had dit toegelicht moeten worden, maar die toelichting ontbreekt.

Voor zover met deze toevoeging is bedoeld de klacht uit te breiden, gaat het college daaraan voorbij. Het is immers niet toegestaan een klacht nog ter zitting uit te breiden. Dat is anders indien verweerder met de uitbreiding ondubbelzinnig heeft ingestemd, maar dat is het college niet gebleken. Het enkele feit dat namens verweerder op de uitbreiding niet is gereageerd is daarvoor onvoldoende.

Het college gaat bij de beoordeling uit van de klacht zoals hiervoor onder 3. weergegeven.

 

Inhoudelijk

Het college dient te beoordelen of verweerder bij het uitschrijven van het ontslagrecept op

12 april 2018 is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen binnen de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Wat dit laatste betreft, is de ‘Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag’ van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) van belang. Volgens deze richtlijn is suïcidaal gedrag niet geheel af te grenzen van het bredere begrip zelfbeschadigend gedrag en moet onder suïcidaal gedrag ook worden begrepen  zelfbeschadigend en/of risicovol gedrag waarbij een persoon de kans loopt te overlijden c.q. het risico van overlijden niet uit de weg gaat. Als daarvan sprake is dient de professional na te gaan wat gedaan kan worden gedaan om de veiligheid van de patiënt te waarborgen, zoals bijvoorbeeld het verwijderen van middelen waarmee de patiënt suïcide zou kunnen plegen.

Het was verweerder op 12 april 2018 bekend dat klaagster kort daarvoor al twee keer een auto-intoxicatie had uitgevoerd, namelijk op 3 en 6 april 2018. Deze twee auto-intoxicaties moeten in het licht van de richtlijn worden aangemerkt als risicovol gedrag. Dit geldt in dit geval eens te meer nu klaagster ook bekend was met het gebruik van cocaïne, hetgeen verweerder wist. Bovendien had verweerder zelf de opmerking van klaagster in het dossier vermeld dat als zij naar buiten zou gaan, zij zou zorgen te overlijden (zie onder 2. De feiten). Onder deze omstandigheden had het op de weg van verweerder gelegen ervoor te zorgen dat klaagster niet over een grote hoeveelheid medicijnen kon beschikken zodat zij niet opnieuw de mogelijkheid zou hebben om een auto-intoxicatie uit te voeren. Om die reden had verweerder niet een ontslagrecept voor een maand moeten uitschrijven maar had hij zich dienen te beperken tot het uitschrijven van een recept ter overbrugging van het weekend of voor maximaal een week. Opmerkelijk is dat verweerder in zijn brief aan de huisarts schreef dat klaagster een ontslagrecept ter overbrugging van het weekend had meegekregen (zie onder 2. De feiten). Desgevraagd verklaarde verweerder ter zitting dat dit geen correcte zin was, want dat was niet wat hij bedoeld had. Inderdaad geeft deze zin het voorschrijfgedrag van verweerder niet correct weer, maar naar het oordeel van het college blijkt ook daaruit dat dit in de gegeven omstandigheden wel het voorschrijfgedrag had moeten zijn.

Het college is van oordeel dat het uitschrijven van een recept voor 30 dagen op 12 april 2018 niet getuigt van zorgvuldig handelen jegens klaagster. De conclusie is dan ook dat verweerder niet heeft gehandeld zoals van een redelijk en zorgvuldig handelend psychiater in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De klacht is gegrond.

 

De maatregel

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder door een ontslagrecept voor 30 dagen uit te schrijven onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld. Ook heeft hij niet gehandeld zoals op grond van de richtlijn van een professional in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden. Gelet op de twee kort daarvoor uitgevoerde auto-intoxicaties had verweerder moeten beseffen dat het risico bestond dat klaagster een poging tot zelfdoding zou doen. Klaagster had nota bene zelf tegen verweerder gezegd dat als zij naar buiten zou gaan zij ervoor zou zorgen te overlijden. Bovendien waren de stress veroorzakende factoren, zoals de ziekte van haar zus en haar huwelijksproblemen, nog onverkort aanwezig. Verweerder had in de gegeven omstandigheden dan ook moeten voorkomen dat klaagster over voldoende middelen kon beschikken. Verweerder heeft dat echter nagelaten en dat valt hem in ernstige mate te verwijten. Daar komt nog bij dat verweerder op de zitting er geen blijk van heeft gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Het college acht daarom de maatregel van berisping passend en geboden.

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart de klacht gegrond;

-         legt verweerder de maatregel van berisping op.

 

Aldus beslist door H.A.W. Vermeulen als voorzitter, E.D.M. Masthoff, A.E. van der Waal als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van M.E.B. Morsink als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2019 in aanwezigheid van de secretaris.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens