Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:5
Datum uitspraak:
11-01-2019
Datum publicatie:
11-01-2019
Zaaknummer(s):
2018/217
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen plastisch chirurg die klaagster heeftbeoordeeld in het kader van een second opinion.Klaagster voelt zich onheus bejegend en stelt datverweerster de risico's voor de door haar gewensteoperatie heeft overdreven.  Deels gegrond, berisping

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 7 juni 2018 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C,

plastisch chirurg,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. F. van Woerden-Poppe, werkzaam te Utrecht (VvAA).

 

 

1.         De procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen,

- het verweerschrift met bijlagen,

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 24 september 2018,

- de e-mail van 17 oktober 2018 van klaagster,

- de brief van 14 november 2018 van klaagster.

 

1.2       De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 30 november 2018. Klaagster en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

 

2.         De feiten

2.1       Klaagster (geb. 1966) is op 20 maart 2014 op consult geweest bij verweerder, als plastisch chirurg verbonden aan het E te D. Haar wens was een borstverkleining tot AA-cup met behoud van haar tepels. In het medisch dossier van die dag staat onder meer:  +- A/AA cup! Procedure/risico’s/geen cupmaat/assymetrie/geen perfectie of garanties

Daarna heeft een zogenoemd nagesprek met een consulente plaatsgevonden.

 

2.2       De geplande operatie op 28 maart 2014 vond op het laatste moment geen doorgang in verband met de beslissing van de anesthesist voor nader onderzoek pinda-allergie.

 

2.3       Op de dag van de operatie, op 12 april 2014, heeft klaagster het voorgedrukte toestemmingsformulier alleen ingevuld/ondertekend. Diezelfde dag is ook de pre-operatieve vragenlijst ingevuld, tezamen met iemand van de kliniek. Hierna is klaagster door verweerder geopereerd. Rechts en links is ongeveer 300 gram weefsel verwijderd en na afloop was sprake van een “fraai symmetrisch” resultaat aldus het medisch dossier. Op het anesthesieformulier staat foutief ingevuld dat klaagster 170 cm lang is en 70 kg weegt (zij is 153 cm lang en weegt 55 kg). Volgens het verkoeververslag, dat is ingevuld door verpleegkundige F, was klaagster rond 11.35 uur niet wakker te krijgen en ook onrustig.

 

2.4       Op 18 april 2014 is klaagster bij verweerder voor nacontrole geweest en zijn de hechtingen verwijderd.

 

2.5       Op 20-22 april 2014 (volgens verweerder) of 2 mei 2014 (volgens klaagster) is er telefonisch contact geweest tussen klaagster en verweerder. In het medisch dossier staat hierover vermeld: F  merkt nog wel iets verschil tussen de borsten. Uitgelegd dat door de zwelling na ok heel normaal is en dat dit nog verder zal bijtrekken. Borsten worden nooit helemaal gelijk zoals pre-op besproken. Aangegeven dat we dit over 3 mnd zullen zien.

 

2.6       Op 29 april 2014 heeft klaagster haar medisch dossier bij de assistent opgevraagd. Dit heeft zij ontvangen op 24 april 2015.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

Klaagster heeft verschillende klachten opgesomd, die het College als volgt heeft samengevat (de klacht over de niet doorgegane operatie op 28 maart 2014 heeft klaagster tijdens het vooronderzoek van 24 september 2018 ingetrokken).

1) De operatie is onzorgvuldig en niet volgens haar wensen uitgevoerd nu zij een AA-cup wenste hetgeen niet mogelijk bleek en er van beide borsten evenveel weefsel is weggenomen waardoor a-symmetrie is ontstaan.

2) Verweerder is niet ingegaan op de klachten/vragen van klaagster tijdens de consulten na de operatie; hij heeft ook geen excuses aangeboden.

3) Het medisch dossier is niet compleet (2 consulten ontbreken).

4) Klaagster is niet geïnformeerd over het feit dat zij na de ingreep niet wakker te krijgen was.

 

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

5.1       Het college heeft aan de hand van de door klaagster overgelegde foto’s kunnen constateren dat de borstverkleining technisch goed is uitgevoerd. Echter, niet is komen vast te staan dat klaagster en verweerder overeenstemming hebben bereikt over het door klaagster gewenste resultaat, namelijk een AA-cup. De door klaagster aangewezen foto die zij als resultaat wenste was een foto van een (natuurlijke) AA-cup van een andere vrouw die een borstvergroting wenste. Dit was echter niet de situatie waarin klaagster verkeerde, want zij wenste een borstverkleining. Het door haar gewenste resultaat is technisch (bijna) niet mogelijk, omdat klaagster ook haar tepel wenste te behouden en dat had verweerder aan klaagster duidelijk moeten uitleggen. Die duidelijke uitleg blijkt in ieder geval niet uit het medisch dossier waarin slechts algemene steekwoorden staan opgenomen (zie onder 2.1)

en ook niet uit hetgeen klaagster hierover heeft verklaard. Het door klaagster gewenste resultaat van de foto van (vóór) de borstvergroting is ook niet vermeld in het medisch dossier. Volgens verweerder ter zitting was de wens van klaagster een a-typische en heeft hij aan klaagster (later in een telefoongesprek) medegedeeld dat een borstamputatie (de wens van klaagster voor een AA-cup) niet mogelijk was. Hij heeft wel een maximale borstverkleining gerealiseerd, aldus nog steeds verweerder. Dat laatste moge zo zijn, doch dit was niet de wens van klaagster, want zij wilde een nog kleinere cupmaat en niet is komen vast te staan dat verweerder duidelijk aan klaagster heeft uitgelegd dat haar wens, aan de hand van de door haar uitgekozen foto, technisch niet mogelijk was. Juist nu het hier gaat om een niet noodzakelijke, cosmetische operatie dient er geen enkel misverstand te bestaan over de wensen van de patiënt en de haalbaarheid daarvan. Op dit onderdeel, informed consent, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 1 slaagt aldus op dit onderdeel. Het college merkt in dit kader voorts nog het volgende op: het toestemmingsformulier is vlak voor de operatie door klaagster alleen ingevuld, zo staat onweersproken vast. Dat betekent dat klaagster als patiënt te kort voor de reeds geplande operatie toestemming geeft voor een niet medisch noodzakelijke, cosmetische ingreep waardoor er geen rustige nadenktijd bestaat, geen nadere vragen meer kunnen worden gesteld en er ook geen nadere toelichting is gegeven toen zij het formulier alleen invulde. Volgens verweerder is dit het beleid van de kliniek waarin hij werkt, doch dit beleid verdient naar het oordeel van het college wel bijstelling. Voorts blijkt dat het voorgedrukte toestemmingsformulier voor alle operaties is bedoeld en niet ziet op de specifieke situatie (operatie) van klaagster en de daaraan verbonden vragen en risico’s. Onder punt 10 van het toestemmingsformulier staat vermeld: Van mening te zijn dat de wensen die hij/zij aangaande de operatie heeft geuit door de arts goed zijn afgewogen, en dat voldoende duidelijk is gemaakt in hoeverre met die wensen rekening kan worden gehouden. Naar het oordeel van het college kan een dergelijke algemene formulering niet in de plaats komen van een duidelijk informed consent over de door klaagster te ondergane (cosmetische) operatie. Van duidelijke informed consent is hier dus niet gebleken.

 

5.2       Wat precies tussen klaagster en verweerder besproken is op de nacontrole van 18 april 2014 en het telefonisch consult daarna, kan door het college niet vastgesteld worden. Het is hier het woord van de één tegen het woord van de ander. Volgens klaagster kapte verweerder het gesprek tot tweemaal toe af, maar verweerder bestrijdt dit. Nu het college niet kan vaststellen hoe de gesprekken verlopen zijn, moet klachtonderdeel 2 in alle onderdelen falen.

 

5.3       Het klachtonderdeel dat het dossier door verweerder achteraf is aangepast en dat hij zinnen heeft toegevoegd, heeft klaagster ter zitting ingetrokken.

Volgens klaagster is het medisch dossier niet compleet, omdat het telefonisch consult van 2 mei 2014 ontbreekt en de niet doorgegane operatie op 28 maart 2014 ook niet staat vermeld. Vast staat wel dát er een telefonisch contact heeft plaatsgevonden na 18 april 2014, waarvan in het handgeschreven medisch dossier staat vermeld dat dit op 20 of 22 (niet leesbaar) april 2014 heeft plaatsgevonden en waarvan klaagster stelt dat dit (pas) op 2 mei 2014 heeft plaatsgevonden. Het college heeft geen redenen te veronderstellen dat het medisch dossier op dit onderdeel niet juist zou zijn. Inderdaad staat niet in het medisch dossier vermeld dat de geplande operatie van 28 maart 2014 niet is doorgegaan; dit had wel gemoeten. Dit laatste feit echter oordeelt het college niet zo ernstig dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

Klachtonderdeel 3 slaagt dan ook niet.

 

5.4       Tot slot over klachtonderdeel 4: het feit dat klaagster in de verkoeverkamer niet direct wakker was en dat dit haar niet is gemeld, kan niet als verwijtbaar handelen (van verweerder) worden gekwalificeerd. Bovendien valt ook niet in te zien op welke grond(slag) dit feit gemeld moet worden aan klaagster, nu dit “niet direct wakker worden” geen bijzonderheid is na een narcose en die daarom aan klaagster medegedeeld had moeten worden. Klachtonderdeel 4 faalt dan ook.

 

5.5       Nu klachtonderdeel 1 slaagt en ook overigens een ernstig verwijt betreft is de conclusie dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De overige klachtonderdelen zijn niet gegrond. Voor dit ernstige verwijt acht het college de maatregel van berisping passend en geboden.

 

5.6       Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bekend worden gemaakt op de hierna te vermelden wijze.

 

6.         De beslissing

Het college

 

verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;

 

legt op de maatregel van berisping;

 

en wijst de klachtonderdelen 2, 3 en 4 voor het overige af.

 

bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde ter bekendmaking zal worden aangeboden

 

 

Aldus beslist door:

R.A. Dozy, voorzitter,

C. van Glabbeek, lid-jurist,

R.A. Christiano, H.L. de Boer en J.F. Hamming, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door D. Pieterse secretaris en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2019.

 

 

 

WG  secretaris                                                                                   WG voorzitter

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens