Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:224
Datum uitspraak:
06-11-2019
Datum publicatie:
06-11-2019
Zaaknummer(s):
2019/226
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Fysiotherapeut
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Klager verwijt verweerster, fysiotherapeut, handelingen te hebben verricht die volgens klager vermijdbaar waren en als erotisch (bedoeld) konden worden opgevalt. Tijdens de behandeling heeft verweerster klagers blote voet tegen haar borsten aangedruikt, waarbij zij een dun T-shirt droeg en geen BH (leek) te dragen. Verweerster betwist dat zij geen BH droeg fo dat sprake was van een te dun T-shirt dat als ongepaste bedrijfskleding kan worden beschouwd. Verweerster draagt altijd bedrijfskleding in de vorm van een t-shirst van het werk, soms gecombineerd met een bedrijfstrui. Verweerster betwist voorts dat de behandeling op enige andere wijze onprofessioneel is geweest of enige andere fysiotherapeutische beroepsnorm is geschonden. Naar het oordeel van het college biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt dat sprake zou zijn geweest van een seksuele bijbedoeling bij het positioneren van de voet van klager. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 14 mei 2019 binnengekomen klacht van:

 

 

A,

wonende te B,

klager,

           

tegen

 

C,

fysiotherapeut,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. de Kock.

             

 

 

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

De klacht is in raadkamer behandeld.

 

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

Klager is in 2016 enkele malen door verweerster behandeld.

Op 14 mei 2018 hebben drie (voormalige) collega’s van verweerster, tegen wie klager een klacht had ingediend, hun gezamenlijk verweerschrift bij het college ingediend. In dit verweerschrift is een passage opgenomen die verweerster betreft. Deze passage luidt (voor zover relevant) als volgt:

“… [klager] geadviseerd om bij de (destijds nieuwe) collega [verweerster] de revalidatie te vervolgen waarbij [verweerder R] op de achtergrond zou blijven meekijken ….

Tijdens de afspraken met [verweerster] bleef [klager] in de behandelruimte zijn eten en drinken nuttigen, ondanks herhaaldelijk verzoek van [verweerster] om dit niet te doen. Daarbij heeft zij persoonlijk aan [verweerder R] aangegeven (en nogmaals bevestigd per mail aan [verweerder R] op 15 oktober 2016: “Op 3-8 was de tweede afspraak bij mij gepland voor [klager], nadat hij eerst [verweerder R] had gezien. Aan het eind van de behandeling wilde ik hem een hand geven, maar hij vroeg nadrukkelijk om een knuffel. Hier ben ik niet op in gegaan en heb hem verteld dat ik hier niet van gediend was en hem alsnog een hand aangeboden. Na lang aarzelen heeft hij die geaccepteerd.”

[Verweerster] heeft [verweerder R en collega J] gemeld zich hier ongemakkelijk over te voelen maar wilde hem wel blijven behandelen. Gezien mogelijke zogenaamde gele vlaggen heeft zij contact gezocht met de huisarts van [klager]. Daarbij heeft zij alleen de assistente kort gesproken omdat de heer wel bij deze huisarts stond ingeschreven maar verder niet bekend was. Er is vervolgens ook geen verdere informatie gedeeld over [klager].

Gezien de voortgang in de revalidatie en het feit dat [verweerster] als beginnend fysiotherapeut aangaf nog niet de volgende fase in zijn revalidatie optimaal te kunnen begeleiden, hebben wij, wederom in goed overleg, geadviseerd om de revalidatie te vervolgen bij […]

 

3.         De klacht en het standpunt van klager

Klager verwijt verweerster dat zij:

1.         tijdens de behandeling de blote voet van klager tegen haar borst heeft aangedrukt;

2.         bij de huisarts van klager informatie heeft opgevraagd naar zijn persoon zonder dit    te beperken tot gegevens die direct of indirect van invloed zijn op de

            fysiotherapeutische zorg;

3.         zonder toestemming van klager vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met derden.

 

Ter toelichting op de klacht heeft klager onder meer aangevoerd dat verweerster aan dorsaalflexie heeft gedaan door klagers blote voet tegen haar borsten aan te drukken, waarbij ze slechts een dun T-shirt leek aan te hebben en geen bh te dragen. Dit was geen “onvermijdelijke” handeling, er zijn ook andere methoden voor dorsaalflexie, en verweerster heeft klager hiervoor geen toestemming gevraagd. Het een en ander gaf klager een informele en erotisch (bedoelde) indruk, terwijl de rest van de houding en communicatie van verweerster afstandelijk en professioneel was. Om erachter te komen wat de bedoeling was heeft klager verweerster aan het eind van een van de behandelingen in plaats van een hand een knuffel aangeboden. Klager meende dat verweerster hiertegen geen bezwaar zou hebben, omdat een knuffel naar aard en strekking veel minder intiem is dan de door verweerster uitgevoerde dorsaalflexie. De weigering kwam in zekere zin onverwacht, maar was heel snel en zelfverzekerd, zodat klager geen aanleiding zag tot het geven van een toelichting of excuses. Klager raakte er destijds van overtuigd dat verweerster slechts een professionele en afstandelijke behandelrelatie voorstond.

Door het verweerschrift van 14 mei 2018 heeft klager een ander beeld gekregen.

Klager weet niet wat het begrip “gele vlaggen” betekent, maar hij bestrijdt dat het aanbod van een knuffel verwijtbaar is en verwijst naar You Tube filmpjes, waaruit blijkt dat dit volkomen normaal en gepast is. Verweerster had het met klager moeten bespreken en/of de behandeling staken. Er bestond geen gerechtvaardigde reden om bij klagers huisarts navraag te doen naar zijn persoon.

Verweerster heeft verder het vertrouwelijk karakter van wat zich in de behandelkamer heeft voorgedaan geschonden door haar versie van het voorval te delen met de drie verweerders in de klacht van 2018 en een vierde collega die in dat verweerschrift wordt genoemd. Eén van die verweerders werkte ten tijde van het voorval niet meer in deze praktijk en die verweerder heeft de door verweerster massaal gedeelde informatie misbruikt bij de zitting bij het Centraal Tuchtcollege op 25 april 2019 door het voorval daar te (laten) omschrijven als “een gevalletje MeToo”.

 

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Zij heeft daartoe onder meer het navolgende aangevoerd.

 

Verweerster heeft met inachtneming van de professionele maatstaven gehandeld. Verweerster draagt altijd bedrijfskleding in de vorm van een T-shirt van het werk, soms gecombineerd met een bedrijfstrui. Zij betwist dat zij geen bh droeg of dat het T-shirt als ongepast kan worden beschouwd. Onbegrijpelijk is voor verweerster hoe een twijfelen aan haar professionele integriteit heeft kunnen ontstaan. Klager heeft indertijd juist actief zijn tevredenheid over het handelen van verweerster geuit.

Klager licht niet toe wat voor informatie zij zou hebben gedeeld. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat zij met alle (ook voormalige) collega’s informatie heeft uitgewisseld. Er is alleen medische informatie gedeeld met de collega die de behandeling van haar overnam, ten behoeve van de voortgang van die behandeling. Met anderen dan hem heeft verweerster geen medische informatie uitgewisseld en verweerster heeft dan ook geen professionele norm overschreden.

Verweerster heeft de knuffel geweigerd, omdat ze zich daar ongemakkelijk bij voelde en nooit knuffels geeft aan patiënten. Omdat dit haar nooit eerder was overkomen heeft zij hiervan melding gemaakt bij haar leidinggevende (noot college: hiervoor bij de feiten aangeduid als “verweerder R”).

Verweerster heeft op advies van een meer ervaren collega contact gezocht met de huisarts om informatie over de medische voorgeschiedenis in te winnen. Klager bleek echter niet bekend bij de huisarts en er is geen informatie verstrekt. Het is niet ongebruikelijk bij de huisarts informatie in te winnen.

Verweerster kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor een door een derde mogelijk gemaakte opmerking, die zij zelf niet gemaakt heeft.

Opmerkelijk acht verweerster het feit dat klager in het begin van zijn klachtbrief juist complimenten maakt over de professionaliteit van verweerster.

 

 

5.         De beoordeling

Het college overweegt als volgt.

 

Bij het rekken van de achilles pees kan de therapeut het eigen lichaamsgewicht gebruiken om tot een eindstand te komen van de dorsaalflexie in de enkel. De voet kan in zo’n geval op het borstbeen of op de ribben van de behandelaar worden geplaatst. Het dossier biedt het college geen aanknopingspunt voor de stelling dat er sprake zou zijn geweest van een seksuele bijbedoeling bij het positioneren van de voet van klager. Zulks geldt eens te meer gelet op de reactie van verweerster op de poging tot het geven van een knuffel en het verdere verloop van de behandeling. Ook klager zelf heeft aangegeven dat verweerster zich professioneel heeft opgesteld en deskundig was. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond.

 

De fysiotherapeut wil graag weten of er nog andere zaken spelen die de behandeling kunnen beïnvloeden, zogenaamde gele of rode vlaggen. Als daarvan sprake is kan de behandeling aangepast worden, bijvoorbeeld qua oefenvormen of intensiteit. Verweerster heeft aangevoerd dat zij bij de huisarts alleen informatie heeft willen opvragen over de medische voorgeschiedenis van klager.De stelling van klager, dat verweerster zich hiertoe niet beperkt zou hebben, maar (ook) informatie zou hebben opgevraagd over de persoon van klager, is door klager niet verder onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het dossier. Het college kan, mede gelet op de betwisting hiervan door verweerster, niet vaststellen dat verweerster andere dan uitsluitend medische informatie had willen opvragen. Ook klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond.

 

Klachtonderdeel 3ziet op het delen van informatie door verweerster met (de) collega’s in de praktijk. Behalve dat het klager kennelijk gaat over verweersters “versie van het voorval” heeft klager dit klachtonderdeel verder niet toegelicht. Verweerster heeft aangevoerd dat zij uitsluitend medische informatie over klager heeft gedeeld met haar opvolger in verband met de voortgang van de behandeling en dat zij van het voorval met de knuffel melding heeft gemaakt bij haar leidinggevende. Dat verweerster vertrouwelijke medische informatie over klager met een of meer anderen dan haar opvolger heeft gedeeld is dan ook niet komen vaststaan. Het delen van deze informatie met haar opvolger is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Evenmin kan verweerster er een verwijt van worden gemaakt, laat staan een tuchtrechtelijk relevant verwijt, dat zij melding van het voorval van de knuffel heeft gemaakt bij haar leidinggevende. Deze melding betreft in ieder geval geen vertrouwelijke informatie die verweerster niet had mogen delen met haar leidinggevende. Dat de leidinggevende van verweerster deze informatie heeft gebruikt in het verweerschrift dat mede namens andere

(oud-)collega’s bij het college is ingediend kan verweerster niet worden tegengeworpen. Dat een oud-collega hierover bij het Centraal Tuchtcollege nog een opmerking heeft gemaakt of laten maken, kan verweerster evenmin worden tegengeworpen en wil ook niet zeggen dat verweerster zelf over deze kwestie met die oud-collega heeft gesproken. Op grond van het voorgaande is klachtonderdeel 3 eveneens ongegrond.

 

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is.

 

 

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

 

 

6. De beslissing

 

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist op 6 november 2019 door:

J. Recourt, voorzitter,

P.U. Dijkstra en R. Valk, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.





WG   secretaris                                                                                 WG    voorzitter





 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens