Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRGRO:2018:72
Datum uitspraak:
04-12-2018
Datum publicatie:
04-12-2018
Zaaknummer(s):
G2018/98
Onderwerp:
Geen of onvoldoende zorg
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
 Klaagster wenst een kinkhoestvaccinatie in verband met haar zwangerschap. Het gebruikelijke vaccin is niet beschikbaar en klaagster krijgt, zonder dat daar met haar over is gesproken, een alternatief vaccin toegediend. Dit vaccin is niet geregistreerd voor zwangere vrouwen en is bovendien in een hogere dosering toegediend dan gebruikelijk bij het reguliere vaccin. Verweerder had dit met klaagster moeten bespreken en had, ondanks de op dat moment aanwezige hectiek, geen toestemming aan zijn assistente mogen geven voor toediening van het alternatieve vaccin. Er was geen sprake van informed consent. Klachtonderdeel gegrond.Daarnaast heeft verweerder nagelaten te reageren op een e-mail van klaagster waarin zij haar ongenoegen en ongerustheid aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Het college acht dit onprofessioneel van verweerder, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.Volgt een maatregel in de vorm van een waarschuwing.

 

Rep.nr. G2018/98

4 december 2018

Def. 229

 

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DEGEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

 

 

 

Beslissing op de klacht van:  

 

 

a,

wonende te B,

klaagster,

 

 

 

tegen

 

 

 

C,

huisarts te D,

verweerder,

BIG-registratienummer: ,

gemachtigde: mr. R.J. Peet.

1. Verloop van de procedure

 

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift van 17 juli 2018 met bijlagen, binnengekomen op 18 juli 2018;

- het verweerschrift van 11 september 2018, binnengekomen op 12 september 2018;

- het proces-verbaal van het op 20 september 2018 gehouden mondeling vooronderzoek;

- een verklaring van de assistente van verweerder van 16 oktober 2018, binnengekomen op 17 oktober 2018. 

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 30 oktober 2018. Partijen zijn verschenen,  verweerder tezamen met zijn gemachtigde,en hebbenhun standpunten aldaar nader toegelicht.

 

2. Vaststaande feiten

           

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

 

2.1

Klaagster was, ten tijde hier van belang, patiënte in de door verweerder geëxploiteerde huisartsenpraktijk te D (E).

2.2

Op 9 oktober 2017 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de huisartsenpraktijk met het verzoek om een kinkhoestvaccinatie. Dit in verband met het feit dat klaagster op dat moment zwanger was. Er is vervolgens telefonisch contact tussen de assistente en klaagster geweest. Over de exacte inhoud daarvan verschillen partijen van mening. De afspraak voor de vaccinatie is gemaakt voor 27 november 2017.

2.3

Klaagster heeft op 27 november 2017 de kinkhoestvaccinatie gekregen en kreeg daarbij op papier de patiënteninformatie mee. Bij thuiskomst heeft klaagster geconstateerd dat zij was gevaccineerd met een niet voor zwangere vrouwen geregistreerd vaccin. Zij heeft naar aanleiding daarvan informatie bij de GGD ingewonnen.

2.4

Bij e-mail van 1 december 2017 heeft klaagster aan (de praktijk van) verweerder haar ongenoegen over de gang van zaken bij de kinkhoestvaccinatie kenbaar gemaakt. De ontvangst van haar e-mail is door het verzenden van een automatisch antwoord diezelfde dag bevestigd. Klaagster heeft van verweerder op dat moment geen inhoudelijke reactie op deze e-mail ontvangen.

2.5

Medio december 2017 heeft klaagster zich laten overschrijven naar een andere huisarts.

2.6

Op 18 mei 2018 heeft klaagster een (kritische) recensie met betrekking tot verweerder op de website www.zorgkaartnederland.nl geplaatst.

2.7

Op 23 juni 2018 heeft klaagster op Facebook gereageerd op een door iemand gedeeld bericht van E.

2.8

Daarop heeft verweerder bij brief van 29 juni 2018 (verzonden per e-mail, post en aangetekende post) aan klaagster zijn ongenoegen over de recensie op www.zorgkaartnederland.nl en het bericht op Facebook kenbaar gemaakt. Daarbij is verweerder ook ingegaan op de gang van zaken rondom de kinkhoestvaccinatie. Verder heeft verweerder in deze brief klaagster laten weten dat hij de mogelijkheden onderzoekt om zowel haar, als Zorgkaart Nederland juridisch aan te spreken.

2.9

Klaagster heeft verweerder bij brief van 4 juli 2018 laten weten dat zij heeft besloten een klaagschrift bij het college in te dienen.





3. De klacht

 

Het college onderscheidt de volgende klachtonderdelen:

1) verweerder heeft verzuimd klaagster te informeren over het feit dat het kinkhoestvaccin dat verweerder heeft voorgeschreven en is toegediend niet geregistreerd was voor zwangere vrouwen. Hierdoor is klaagster de mogelijkheid ontnomen om zelf de afweging te maken of zij dit vaccin toegediend wilde krijgen;

2) verweerder heeft niet gereageerd op het bericht waarin klaagster haar ongerustheid/onvrede/ontevredenheid die ontstond door deze gang van zaken kenbaar heeft gemaakt.

4. Het verweer

Samengevat en in hoofdzaak heeft verweerder ten aanzien van de klachtonderdelen het volgende aangevoerd.

Ad 1)  Op 9 oktober 2017 heeft klaagster gebeld met de praktijkassistente met het verzoek om toediening van een kinkhoestvaccinatie. Na overleg met verweerder heeft de assistente aan klaagster teruggekoppeld dat het akkoord was, maar dat verweerder klaagster eerst hierover wilde spreken. Klaagster gaf echter aan hiervoor geen tijd te hebben. Achteraf bezien had verweerder, zo stelt hij, beter kunnen beslissen dat klaagster het vaccin niet zou krijgen zonder dat verweerder haar had gezien.

Op 27 november 2017 was de afspraak voor de vaccinatie. Omdat het DKTP-RIVM vaccin niet leverbaar was, heeft verweerder met een apotheker overlegd en met het RIVM gebeld. Het enige vaccin dat beschikbaar was, was een DKTP-vaccin, zoals dit ook aan jonge kinderen wordt gegeven, inclusief hepatitis B en influenza type B. Dit vaccin is geregistreerd, alleen primair in het Verenigd Koninkrijk geleverd en parallel geïmporteerd. Omdat verweerder klaagster hierover graag wilde spreken, heeft hij de assistente gevraagd te wachten met vaccineren totdat hij klaagster heeft gesproken. Verweerder was echter langer dan verwacht met een andere patiënt (een spoedgeval) bezig en na een half uur gaf klaagster boos aan beslist niet langer te willen wachten. Verweerder heeft de assistente daarom maar opdracht gegeven om klaagster te vaccineren. Achteraf bezien had verweerder, zo stelt hij, dit mogelijk anders moeten doen. Een inhoudelijke onderbouwing, waarom het vaccin veilig is en aan zwangere vrouwen gegeven kan worden, heeft verweerder door omstandigheden niet kunnen geven. Verweerder heeft wel de intentie gehad om voorlichting te geven. Door alle hectiek en het gedrag van klaagster is het er tussendoor geglipt.

Ad 2)  Verweerder heeft pogingen gedaan om klaagster van tevoren uit te leggen waarom het vaccin dat zij zou krijgen anders was. Alle voorstellen daartoe werden van de hand gewezen. Vervolgens kreeg verweerder op 1 december 2017 achteraf een e-mail met vragen, die verweerder wegens vakantie pas drie weken later heeft gelezen. Op dat moment had klaagster zich al uitgeschreven uit de praktijk.

Verweerder heeft naar zijn mening alles gedaan (althans gepoogd) om klaagster te informeren. Klaagster zou ook door de assistente worden uitgenodigd om de e-mail van 1 december 2017 te bespreken. Door de uitschrijving is het hiervan niet meer gekomen.

5. Beoordeling van de klacht

 

5.1

Het college overweegt in de eerste plaats dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen ten tijde van het handelen in de beroepsgroep terzake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college stelt vast dat klaagster is gevaccineerd met een specifiek vaccin. Dit vaccin is in beginsel niet bedoeld voor zwangeren en is in een hogere dosering toegediend dan bij toediening van het gebruikelijke vaccin geschiedt. Klaagster heeft de facto een ander vaccin toegediend gekregen dan haar voor ogen stond toen zij de vaccinatie aanvroeg. Het college stelt verder vast dat door de gang van zaken, waarbij partijen een verschillende visie hebben over wat er rondom het moment van vaccineren precies is gebeurd, verweerder niet heeft kunnen nagaan wat klaagster vond van het alternatieve vaccin, laat staan dat verweerder na heeft kunnen gaan of klaagster met het toedienen van het alternatieve vaccin kon instemmen. Daarbij acht het college het aannemelijk dat het niet tot klaagster is doorgedrongen dat verweerder haar wilde spreken.

Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Wel is uit het dossier, het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek en het verhandeldeter zitting duidelijk geworden dat verweerder onder druk c.q. de hectiek van het moment toestemming heeft gegeven voor het toedienen van het vaccin. Dit terwijl hij aanvankelijk de intentie had om klaagster te informeren over het alternatieve vaccin.

Klaagster had gevraagd om een kinkhoestvaccinatie voor zwangeren, een preventieve vaccinatie die nog niet landelijk is ingevoerd. Er was geen strikt medische noodzaak. Naar het oordeel van het college was ten aanzien van het toedienen van het alternatievevaccingeen sprake van informed consent. Klaagster wist niet dat zij een alternatief vaccin kreeg toegediend en kon dus ook niet daarmee instemmen. Haar is daarvoor door de gang van zaken geen gelegenheid gegeven. Het college is van oordeel dat verweerder in dit verband tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerderhad, ondanks de voorstelbare hectiek van het moment, een gelegenheid moeten zoeken om klaagster te informeren en had onder die omstandigheden geen toestemming voor toedienen van het vaccin mogen geven.

Het eerste klachtonderdeel is om die reden gegrond.

 

5.3

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op het niet-reageren door verweerder op het e-mailbericht van klaagster van 1 december 2017 overweegt het college dat deze gang van zaken bepaald geen schoonheidsprijs verdient.

Het college is van oordeel dat verweerder, door niet te reageren, niet professioneel heeft gehandeld. Het past naar het oordeel van het college bij de professionaliteit die verweerder als medisch beroepsbeoefenaar in acht moet nemen om op een bericht als het onderhavige te reageren. Datverweerder lieverniet per e-mail reageert is te billijken, maar het feit dat klaagster zich inmiddels had laten overschrijven naar een andere huisarts had voor hem geen reden mogen zijn om niet te reageren door bijvoorbeeld een gesprek met klaagster aan te gaan.

Een dergelijk gesprek zou een leermoment kunnen zijn en zou veel onrust en onvrede bij klaagster weg hebben kunnen nemen.

Hoewel verweerder in deze onprofessioneel heeft gehandeld, voert het naar het oordeel van het college te ver om in dit verband te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het tweede klachtonderdeel is om die reden ongegrond.

 

5.4

Het college komt tot de slotsom dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is gedeeltelijk  gegrond.

 

 

6.Motivering van de maatregel

 

Nu het eerste klachtonderdeel gegrond is, ziet het college zich gesteld voor de beantwoording van de vraag welke maatregel dient te worden opgelegd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij in deze anders had moeten handelen. Hij is ook zelf tot het inzicht gekomen dat hij, ondanks de hectiek van het moment, geen toestemming voor het toedienen van het alternatieve vaccin had mogen geven.

Het college acht om die reden de hierna te noemen maatregel bij wijze van zakelijke terechtwijzing passend en geboden.

 

7. Beslissing

           

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en waarschuwt verweerder;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond en wijst deze af.

 

Aldus gegeven door:

W.P. Claus, voorzitter;

Th.A. Wiersma, lid-jurist;

F. Krijnen, lid-beroepsgenoot;

E.M. ter Braak, lid-beroepsgenoot;

A.J.K. Hondius, lid-beroepsgenoot,

bijgestaan door B.J.K. Boter, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.

 

 

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens