Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2018:8 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17221

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:8
Datum uitspraak: 18-01-2018
Datum publicatie: 18-01-2018
Zaaknummer(s): 17221
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, gedeeltelijke ontzegging
Inhoudsindicatie:   Verpleegkundige. Ontucht met minderjarige in privésituatie. College: klaagster ontvankelijk op grond van bestendige jurisprudentie. Zedenmisdrijf met minderjarige raakt beroep van (kinder)verpleegkundige in de kern en is daar onlosmakelijk mee verbonden. Feiten staan vast. Gegrond. Maatregel: verweerder had moeten zien dat het om minderjarige ging, er is een strafrechtelijke veroordeling, neergelegd bij veroordeling, openheid van zaken gegeven, inzicht in zijn handelen, onder behandeling gesteld. Gedeeltelijke ontzegging van de inschrijving; verweerder mag niet meer met minderjarigen werken. Onmiddellijk van kracht.

Uitspraak: 18 januari 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 7 november 2017 binnengekomen klacht van:

Inspectie voor de Gezondheidszorg, thans Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd i.o 

te Utrecht,

in de persoon van drs. P.M. Sleeuwenhoek, coördinerend/specialistisch inspecteur, en

mr. J.M. Janson, senior adviseur juridische zaken,

klaagster

tegen:

[A]

verpleegkundige

destijds werkzaam te [B]

verweerder

gemachtigde mr. B.D.W. Martens te Den Haag

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          de pleitnotitie van klaagster

-          de pleitaantekeningen van verweerder met daarin zijn slotwoord.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 15 december 2017 behandeld. Partijen waren aanwezig; verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Verweerder is kinderverpleegkundige. Verweerder was werkzaam op de kinderafdeling van een academisch ziekenhuis. In mei 2015 is aangifte gedaan tegen verweerder voor het plegen van een ontuchtige handeling bij een minderjarige op 14 mei 2014.

Op 12 september 2016 heeft verweerder, onder dwang van de Officier van Justitie, bij zijn leidinggevende gemeld dat hij verwikkeld was geraakt in een rechtszaak (seksuele omgang met een minderjarige). Verweerder had dit niet eerder gemeld op advies van zijn advocaat. Verweerder heeft hierbij, wederom op advies van zijn advocaat, niet de leeftijd van het slachtoffer genoemd. Naar aanleiding van deze melding is verweerder overgeplaatst naar een verpleegafdeling voor volwassenen.

Op 30 september 2016 verscheen een artikel in de regionale krant, waaruit bleek dat er sprake was geweest van misbruik van een 13-jarige jongen die door een tussenpersoon aan verweerder voor geld was aangeboden. Voor de Raad van Bestuur (RvB) van het ziekenhuis was het feit dat de informatie van 30 september 2016 afweek van hetgeen verweerder op 12 september 2016 had verklaard, aanleiding om verweerder met betaald verlof te sturen.

Op 18 oktober 2016 is verweerder veroordeeld voor een zedenmisdrijf met een minderjarige. De rechtbank heeft aan verweerder één dag gevangenisstraf opgelegd en een taakstraf van 180 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk. Daarnaast is het slachtoffer een schadevergoeding toegekend van € 5000,-. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

“Verdachte (college: verweerder) heeft zich laten pijpen door een jongen van dertien jaar en heeft daarvoor betaald. De medeverdachte had verdachte “uitgenodigd” om tegen betaling seks met de jongen te hebben. Van de medeverdachte begreep verdachte dat de jongen 18 jaar was. Verdachte heeft dat echter niet zelf gecontroleerd – iets dat hij wel had moeten doen.

Voor de rechtbank is het volstrekt helder dat verdachte niet uit was op (betaalde) seks met een minderjarige. Als je je echter overgeeft aan betaalde seks met een persoon waarvan wordt gezegd dat die 18 jaar is of die zelf zegt 18 jaar te zijn, dan ben je gehouden om zelf te onderzoeken of dat klopt. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat je seks hebt met een minderjarige. Die verplichting geldt in de ogen van de rechtbank ook als de manier waarop de afspraak tot stand is gekomen en de plaats waar de afspraak plaatsvindt, geen aanleiding geven tot argwaan omtrent de leeftijd.

Argwaan was hier echter wel gerechtvaardigd gelet op het uiterlijk van de jongen. Jongens van 13 zijn in de regel nog niet tot een volwassen man uitgegroeid. Desgevraagd ter terechtzitting heeft verdachte ook verklaard dat de lichaamsbouw van de jongen er op duidde dat het nog een kind was. De rechtbank neemt het verdachte dan ook bijzonder kwalijk dat hij toen niet heeft doorgevraagd naar de leeftijd van [slachtoffer]. Nu niet is gebleken dat hij zich op enigerlei wijze heeft ingespannen om zekerheid te krijgen over de precieze leeftijd van de minderjarige, heeft verdachte verwijtbaar gehandeld.

(…)

Verdachte heeft de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het plegen van ontucht vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Uit de verklaring van de vader van het slachtoffer ter terechtzitting is gebleken dat de gebeurtenis voor het slachtoffer en zijn ouders buitengewoon ingrijpend is geweest en ook nu nog is en dat het hun leven sinds die dag in mei 2014 in grote mate negatief heeft gekleurd. (…)” .

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de RvB vastgesteld dat het, gezien de aard van het vergrijp, onmogelijk was om verweerder binnen het ziekenhuis te handhaven en is aan verweerder ontslag aangezegd. Bij die overweging heeft nadrukkelijk de vertrouwensbreuk meegespeeld die is ontstaan doordat verweerder zijn leidinggevende pas na vijftien maanden en onder druk van de Officier van Justitie heeft ingelicht over de strafrechtelijke vervolging. Per 1 april 2017 zijn partijen uiteindelijk met een vaststellingsovereenkomst uit elkaar gegaan; dit omdat er geen sprake was van disfunctioneren en het optreden van verweerder nooit heeft geleid tot schade en/of risico voor patiënten en de patiëntveiligheid.

Op 7 november 2016 heeft de Hoofdofficier van Justitie aangegeven dat het Openbaar Ministerie tegen de hoogte van de straf in beroep is gegaan.

Op 22 december 2016 heeft de RvB conform artikel 11 lid 1 onder c van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) melding gedaan bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o.) (hierna: de inspectie) van het ontbinden van de arbeidsovereenkomst met verweerder.

Op 16 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de inspectie en verweerder. Verweerder heeft tijdens dat gesprek erkend wat in de uitspraak van de rechtbank was vastgesteld. Omdat verweerder van mening was dat hij terecht is gestraft, was hij niet in beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank, maar heeft hij de consequentie van de veroordeling aanvaard.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

De ontvankelijkheid

De ontuchtige handeling vond niet plaats tijdens de beroepsuitoefening. Voor klaagster waren evenwel de aard en de ernst van de ontuchtige handeling door verweerder en de veroordeling daarvoor redenen om een eigen onderzoek te starten en tevens redenen om de klacht voor te leggen aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.

Aan verweerder is uit hoofde van zijn functie de zorg voor kinderen bij uitstek toevertrouwd. Het vertrouwen dat de samenleving met het oog daarop in verweerder stelt, is door het begaan van een zedenmisdrijf met een minderjarige, handelen dat de waarden van het beroep van verpleegkundige in de kern heeft geraakt, wezenlijk aangetast. Daarom kan dit handelen niet los worden gezien van de hoedanigheid van verpleegkundige. Op grond van de wetsgeschiedenis en de inmiddels bestendige jurisprudentie van de tuchtcolleges, waaronder de beslissingen van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) van 19 april 2011 en 9 juni 2015, acht klaagster zich derhalve ontvankelijk in deze klacht.

De klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij de tweede tuchtnorm zoals neergelegd in artikel 47 eerste lid aanhef en onder b van de Wet BIG heeft geschonden nu hij als verpleegkundige ontucht heeft gepleegd met een 13-jarige jongen.

De op te leggen maatregel

Verweerder heeft erkend dat hij ontucht heeft gepleegd met een minderjarige. Door zijn jarenlange ervaring met zorg voor kinderen was verweerder goed op de hoogte van de lichaamsbouw en de lichamelijke en psychische ontwikkeling van kinderen. Verweerder heeft erkend dat de lichaamsbouw van het slachtoffer erop duidde dat het een kind betrof. Tot op heden heeft verweerder geen verklaring voor het feit dat hij de fysieke kenmerken van het slachtoffer heeft geduid als het lichaam van een meerderjarige.

Klaagster verzoekt een passende maatregel op te leggen en deze direct in te laten gaan.

Dat verweerder na het plegen van het misdrijf inzicht heeft getoond, doet naar de mening van klaagster niet af aan wat er is gebeurd.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder is van mening dat hem weliswaar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, maar dat de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register een te zware maatregel vormt. Verweerder verzoekt het college als maatregel maximaal een gedeeltelijke ontzegging van de inschrijving op te leggen.

Verweerder heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Zoals uit de klacht blijkt, heeft het handelen plaatsgevonden in de privésfeer en niet in de professionele uitoefening van zijn beroep. Het gaat om een eenmalig incident.

Verweerder is hiervoor veroordeeld en heeft de aan hem opgelegde straf aanvaard.

Voorts is verweerder door hetgeen is gebeurd zijn baan kwijt geraakt. In de 34 jaar dat verweerder werkzaam is geweest, is er geen sprake geweest van disfunctioneren en heeft zijn handelen als verpleegkundige nooit geleid tot schade en/of risico voor patiënten en de patiëntveiligheid. Daardoor hebben de voormalig werkgever en verweerder tot een vaststellingsovereenkomst kunnen komen.

Verweerder acht het van belang om aan te geven dat hij niet uit was op betaalde seks met een minderjarige, dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, openheid van zaken heeft gegeven en dat hij zich bewust is van de laakbaarheid van zijn handelen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij meeleeft met het slachtoffer en dat hij opnieuw in therapie is gegaan omdat hij nog altijd geen antwoord heeft gevonden op de vraag hoe het mogelijk is dat hij niet heeft gezien dat het om een minderjarige ging. Verweerder heeft namelijk nooit seksuele gevoelens voor minderjarigen gehad. Verweerder verwacht niet dat iemand nog een minderjarige patiënt aan hem zal toevertrouwen. Verweerder zou het echter vreselijk vinden als hij zijn beroep als verpleegkundige helemaal niet meer zou mogen uitoefenen.

5. De overwegingen van het college

De ontvankelijkheid

Op grond van de door klaagster aangehaalde, bestendige jurisprudentie van de tuchtcolleges, waaronder de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) van 9 juni 2015 met nummer 2014/007, verklaart het college klaagster ontvankelijk in haar klacht. H et begaan van een zedenmisdrijf met een minderjarige raakt het beroep van (kinder)verpleegkundige immers in de kern en is daar onlosmakelijk mee verbonden. 

De beoordeling van de klacht

Verweerder heeft erkend dat hij het zedenmisdrijf heeft gepleegd en is daarvoor ook door de rechtbank veroordeeld. Partijen verschillen evenmin van mening over de omstandigheden waaronder dit misdrijf heeft plaatsgevonden. Het college verklaart de klacht derhalve gegrond.

De maatregel

Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het college als volgt.

Conform de jurisprudentie van de tuchtcolleges, is de maatregel van schorsing uitgangspunt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag. Voor de beantwoording van de vraag welke maatregel in dit geval als passend dient te worden beschouwd, weegt het college de volgende omstandigheden mee.

Het college rekent het verweerder in het bijzonder aan dat het zedenmisdrijf ontucht met een 13-jarige jongen betreft. Verweerder had als ervaren verpleegkundige moeten zien dat het slachtoffer nog maar een kind was. Verweerder heeft daarnaast nagelaten nader onderzoek te doen naar de leeftijd van het slachtoffer.

Daartegenover staat echter het volgende.

In het onderhavige geval betreft het grensoverschrijdend gedag een eenmalige gebeurtenis in de privésfeer. Verweerder heeft tegenover de politie direct openheid van zaken gegeven.

Dat verweerder pas op aandringen van de Officier van Justitie bij zijn leidinggevende heeft gemeld dat hij strafrechtelijk werd vervolgd en dat verweerder daarbij in eerste instantie niet de leeftijd van het slachtoffer heeft gemeld, is op advies van zijn advocaat gebeurd en kan verweerder derhalve niet worden aangerekend.

Verweerder heeft zijn veroordeling geaccepteerd en heeft ook ter zitting niet geprobeerd zijn daad goed te praten of af te zwakken. Verweerder heeft ter zitting getoond mee te leven met zijn slachtoffer.

Het college acht het van groot belang dat verweerder inzicht heeft getoond in zijn handelen. Hij ziet in dat dit niet had mogen gebeuren en heeft spijt van zijn daad. Verweerder heeft zich eerder en thans opnieuw onder behandeling gesteld van een psycholoog om nader inzicht te krijgen hoe hij tot zijn daad heeft kunnen komen. Ondanks dat verweerder zelf weet dat er niets zal gebeuren, heeft hij aangegeven niet meer met kinderen te willen werken omdat hij niet verwacht dat hem nog dat vertrouwen wordt gegeven.

Verweerder is zijn baan verloren. Tot zijn ontslag heeft verweerder echter altijd naar tevredenheid gefunctioneerd bij zijn werkgever. Verweerder heeft ter zitting verzocht de naam van deze werkgever niet te noemen om te voorkomen dat het ziekenhuis in een kwaad daglicht komt te staan en zijn oud-collega’s in verlegenheid zouden worden gebracht door zijn handelen. Dat siert hem.

Alles afwegend komt het college tot de slotsom dat hier de maatregel van gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving in het BIG-register, te weten dat verweerder niet meer met minderjarigen mag werken, passend is.

Aangezien verweerder momenteel nog op zoek is naar een nieuwe baan, bepaalt het college dat deze maatregel op grond van artikel 48 lid 7 van de Wet BIG onmiddellijk van kracht wordt.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond;

-          legt aan verweerder de maatregel op van ontzegging van de bevoegdheid om het in het register ingeschreven staande beroep van verpleegkundige uit te oefenen ten aanzien van minderjarigen;

-          bepaalt dat deze beslissing, op grond van artikel 48 lid 7 van de Wet BIG, onmiddellijk van kracht wordt;

-          bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, de beslissing, zodra zij onherroepelijk is geworden, zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Nursing’ en ‘V&VN’.

Aldus beslist door mr. C.D.M. Lamers als voorzitter, mr. M.J. Venner-Lijten als lid-jurist,

A. Petiet, G.P. Haas en G.J.T. Kooiman als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

mr. M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2018 in aanwezigheid van de secretaris.