Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2018:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/195VP

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:127
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 2018/195VP
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie:   Verweerder was als nachtverpleegkundige werkzaam bij de instelling waar klager Geneesheer- directeur is. Klager verwijt de verpleegkundige - zakelijke weergeven - dat hij gedurende lange tijd op eigen initiatief en zonder recept van de behandelend psychiater medicatie (uit de voorraad afdeling) heeft verstrekt aan een patiënt.   Gegrond, (voorwaardelijke )schorsing inschrijving register

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 15 mei 2018 binnengekomen klacht van:

A,

geneesheer-directeur bij B,

gevestigd te C,

k l a g e r,              

tegen

D,

verpleegkundige,

voorheen werkzaam te E,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. R. Gerretsen, advocaat te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift met producties;

-                      een aanvullende productie bij het verweerschrift;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig.

Verweerder werd bijgestaan door mr. R. Gerretsen, advocaat te Utrecht. Mr. Gerretsen heeft een toelichting gegeven aan de hand van zittingsaantekeningen die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.

2.         De feiten

2.1       Klager (psychiater) is geneesheer-directeur bij B te C (hierna: ‘B’).

2.2       Verweerder is geboren op januari 1961 en sinds 1982 verpleegkundige B.

2.3       Verweerder is in 1986 voor het eerst in dienst getreden bij B. Niet lang daarna leerde verweerder patiënte kennen op de resocialisatieafdeling waar patiënte was opgenomen. Verweerder werkte op deze afdeling als verpleegkundige.

2.4       Per 1 januari 2001 trad verweerder uit dienst bij B.

2.5       Verweerder is op 1 juni 2001 opnieuw gaan werken voor B, eerst als systeembeheerder, later als beheerder brandveiligheidsinstallaties.

2.6       Per 1 september 2009 is verweerder weer als verpleegkundige gaan werken op de afdeling forensische psychiatrie.

2.7       Per 1 oktober 2010 is verweerder als verpleegkundige gaan werken op de afdeling  open opname in F. Daar ontmoette hij patiënte weer. Patiënte belde hem regelmatig (via Telefoon Op Recept) en zocht hem regelmatig op als zij vanuit Bed Op Recept in F was.

2.8       Verweerder is per 1 oktober 2011 als nachtverpleegkundige op de afdeling langdurige zorg in G gaan werken. Hij heeft toen zijn privé-telefoonnummer aan patiënte gegeven.

2.9       Patiënte belde verweerder regelmatig tijdens de nachtdienst. Verweerder kwam ook een aantal keer bij patiënte thuis.

2.10     In mei 2017 is één van de poezen van patiënte overleden. Vanaf dat moment verstrekte verweerder aan patiënte, in aanvulling op de haar voorgeschreven medicijnen, zonder recept en zonder overleg met de behandelend psychiater of zijn leidinggevende Oxazepam en Temazepam. Verweerder nam deze medicijnen weg uit de voorraadkast van de afdeling waar hij werkte.

2.11     Verweerder werkte tevens als verpleegkundige bij het H. In het voorjaar van 2018 heeft verweerder besloten daar per 1 juli 2018 meer uren te gaan werken en zijn dienstverband bij B te beëindigen. Verweerder liet patiënte weten in de toekomst daarom geen medicijnen meer te kunnen verstrekken.

2.12     Patiënte heeft begin april 2018 aan haar begeleidster bij I gemeld dat zij al zeventien jaar medicatie kreeg van een medewerker van B. Ook heeft zij aangifte gedaan bij de politie. In het onderzoek naar aanleiding van de aangifte is bij patiënte een grote hoeveelheid (slaap- en kalmerende) medicijnen aangetroffen. De begeleidster van patiënte heeft B hiervan op vrijdag 20 april 2018 per e-mail op de hoogte gebracht.

2.13     Verweerder is op maandag 23 april 2018 uitgenodigd voor een gesprek met zijn leidinggevende en een HR-medewerker. Verweerder heeft tijdens dit gesprek erkend Oxazepam en Temazepam aan patiënte te hebben verstrekt en zich te realiseren dat hij dit niet had moeten doen. Verweerder gaf aan dat hij over een veel kortere periode medicijnen heeft verstrekt dan patiënte stelt en hij veel minder medicijnen heeft verstrekt dan de aangetroffen hoeveelheid bij patiënte: verweerder liet weten eens in de drie weken één of twee strips medicijnen bij patiënte in de brievenbus te hebben achtergelaten. Klager heeft erkend dat de stelling van patiënte niet kan kloppen dat verweerder zeventien jaar lang medicijnen zou hebben verstrekt.

2.14     Verweerder is direct na het gesprek geschorst. De volgende dag (dinsdag 24 april 2018) is verweerder op staande voet ontslagen.

2.15     B heeft bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een melding disfunctioneren zorgverlener gedaan (artikel 11, eerste lid, onder c Wkkgz).

2.16     Verweerder heeft het H geïnformeerd. Het H heeft aangegeven nog steeds met verweerder te willen werken indien hij zijn BIG-registratie behoudt. In afwachting van de tuchtprocedure werkt verweerder daar als verpleegkundige maar mag hij geen medicijnen verstrekken.

2.17     B heeft een calamiteiten analysen (Prisma analyse) laten uitvoeren. Dit heeft geresulteerd in een rapportage d.d. 26 juli 2018.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder op eigen initiatief en zonder medeweten van de behandelend arts of zijn leidinggevende gedurende langere tijd regelmatig aan een kwetsbare patiënt medicijnen heeft verstrekt. Verweerder heeft deze medicijnen gestolen van de afdeling waar hij als verpleegkundige in nachtdiensten werkte.

4.            Het standpunt van verweerder

Verweerder erkent dat hij een grote fout heeft gemaakt door aan patiënte zonder recept en zonder toestemming van of overleg met de behandelend psychiater of zijn leidinggevende medicijnen te verstrekken. Verweerder geeft aan hiervan te hebben geleerd. Dit zal hem geen tweede keer overkomen. Verweerder heeft vanaf 1982 altijd naar volle tevredenheid gefunctioneerd. Hem is niet eerder een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt. Verweerder verzoekt het college bij het opleggen van een maatregel rekening te houden met deze omstandigheden.

5.         De beoordeling

5.1.      Het college ziet zich eerst gesteld voor de vraag of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Het college beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar het oordeel van het college is het op zorgvuldige wijze verstrekken van medicijnen aan patiënten te beschouwen als een reëel en concreet belang van klager als geneesheer-directeur dat te maken heeft met de individuele gezondheidszorg. Klager kan daarom worden ontvangen in zijn klacht.

5.2.      Gelet op artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is de tweede vraag die het college moet beantwoorden of verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm) of ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (tweede tuchtnorm).

5.3       Vaststaat dat verweerder op eigen initiatief en zonder medeweten van de behandelend arts of zijn leidinggevende gedurende langere tijd regelmatig aan patiënte medicijnen heeft verstrekt. Verweerder heeft deze medicijnen op onrechtmatige wijze weggenomen van de afdeling waar hij als verpleegkundige in nachtdiensten werkte. Het college stelt voorop dat voor het verstrekken van Oxazepam en Temazepam een recept is vereist. Van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten noodzaken zonder recept en toestemming van arts of leidinggevende medicijnen te verstrekken of daarvoor een rechtvaardiging zouden kunnen vormen, is niet gebleken. Het overlijden van één van de poezen van patiënte is daarvoor onvoldoende, met name nu patiënte de mogelijkheid had om zich tot een arts van B te wenden voor een recept of een uitbreiding van de aan haar voorgeschreven medicijnen. Het college is van oordeel dat verweerder zeer laakbaar en met een risico voor patiënte heeft gehandeld door gedurende langere tijd zonder recept en zonder overleg met een arts of leidinggevende aan patiënte (aanvullende) medicijnen te verstrekken, welke medicijnen hij heimelijk uit de voorraad van zijn werkgever heeft weggenomen.

5.4       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens patiënte had behoren te betrachten. Door zijn handelswijze is een risico voor patiënte ontstaan. Tevens heeft verweerder gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Verweerder heeft met zijn handelen de grenzen van professioneel gedrag overschreden en het vertrouwen in de individuele gezondheidszorg ernstig geschaad.

5.5       Nu het college de klacht gegrond acht, dient een maatregel te worden opgelegd. Het college acht de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van zes maanden met een proeftijd van twee jaren passend. Het college is van oordeel dat verweerder een bijzonder ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn handelswijze. Het college meent dat bij verweerder het inzicht ontbreekt dat zijn handelen ernstige gevolgen voor patiënte had kunnen hebben en dat het bij verweerder nog schort aan weerbaarheid en het vermogen de grenzen van professioneel gedrag te herkennen en daarop adequaat te acteren. Daar staat tegenover dat verweerder zich wel realiseerde dat zijn handelswijze niet acceptabel was. Helaas heeft hij niet zelf het initiatief genomen dit bespreekbaar te maken, maar heeft hij door een volledige overstap naar het H te willen maken een uitweg uit deze situatie get racht te vinden. Verweerder is anderzijds niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld, heeft inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen en ziet in dat hij meteen zijn leidinggevende had moeten informeren. Verweerder heeft zijn handelen en de klacht besproken met het H en is zich bewust van zijn ontwikkelpunten.

5.6       Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond;

-          legt aan verweerder op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van maximaal zes maanden, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het bevoegde regionale tuchtcollege later anders mocht bepalen op grond dat verweerder voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als verpleegkundige behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

-          bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden;

-          bepaalt dat de proeftijd uitsluitend geldt gedurende de periode dat verweerder in het register is ingeschreven;

-          bepaalt voorts dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’, ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’ en ‘Medisch Contact’.

Aldus beslist door:

mr. W.A.H. Melissen, voorzitter,

J.F. Hensbergen, P.A. Arnold en J. Mulder, leden verpleegkundige,

mr. S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door mr. H.D. Coumou, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                          voorzitter