Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2017:197
Datum uitspraak:
05-12-2017
Datum publicatie:
05-12-2017
Zaaknummer(s):
114/2017
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen gz-psycholoog over afgeven verklaring in een juridische strijd tussen twee ouders over de omgang van klager met hun kind. Gegrond. Gezien eerdere tuchtrechtelijke maatregelen, de ernst van de normschending en het gebrek aan inzicht daarin wordt de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden opgelegd.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 5 december 2017 naar aanleiding van de op 4 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A, wonende te B,

 

k l a g e r

 

-tegen-

 

C, gz-psycholoog, werkzaam te D,

 

v e r w e e r d e r

 

 

                                                                                     

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-         het klaagschrift met de bijlagen;

-         het verweerschrift met de bijlagen.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in vooronderzoek.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 7 november 2017, waar klager en verweerder zijn verschenen.

 

 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

 

In januari 2015 heeft de toenmalige partner van klager zich gewend tot verweerder in verband met relatieproblemen met klager. Klager en zij hebben een dochter, E. Deze was toen ruim anderhalf jaar oud.

 

Klager heeft in het voorjaar van 2015 samen met zijn partner twee keer met verweerder gesproken. Hij heeft na het eerste gesprek een aantal persoonlijkheidstesten ingevuld (de SCL-90, UCL, NPV, NVM en MMPI-2) waarvan de resultaten in het tweede gesprek, in aanwezigheid van de partner, zijn besproken. In dit gesprek heeft de partner, met toestemming van klager, een kopie van de onderzoeksresultaten gekregen.

 

In juni 2015 zijn klager en zijn partner (verder ex-partner genoemd) definitief uit elkaar gegaan. Over onder meer de omgang tussen klager en zijn dochter is vervolgens strijd ontstaan met de ex-partner.

 

De minderjarige is in maart 2016 onder toezicht gesteld.

 

De rechtbank heeft aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek in te stellen met betrekking tot de minderjarige in verband met de zorgregeling en het gezag.

 

Op 10 april 2017 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een rapport uitgebracht met het advies om het verzoek van de ex-partner om haar alleen met het ouderlijk gezag te belasten, af te wijzen en het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand te houden. De Raad adviseerde de rechtbank voorts om de behandeling met betrekking tot de verdeling van zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor een periode van zes maanden om vanuit een zorgregeling van om en om zeven dagen bij de ex-partner en klager, de ouders de gelegenheid te geven om in de tussenliggende periode samen met de jeugdbeschermer en eventuele hulpverlening toe te werken naar een voor hun dochter goede verdeling van zorg- en opvoedingstaken.

 

Op 12 april 2017 heeft verweerder een brief geschreven aan de advocaat van de ex-partner met de volgende inhoud:

“Bovengenoemde sprak ik de eerste keer in januari 2016. Zij gaf aan binnen de relatie al

langere tijd te worden geconfronteerd met lichamelijk en verbaal geweld. Vervolgens had ik

enkele gezamenlijke gesprekken met cliënte en haar partner. Mede naar aanleiding van die

gesprekken besloot cliënte samen met hun dochter[naam dochter] bij haar partner weg te gaan. Ik sprak met haar af de geweldsincidenten te behandelen m.b.v. EMDR. Een dergelijke behandeling kon steeds niet van start gaan vanwege het gedrag van de ex-partner. Cliënte werd hierdoor dermate in beslag genomen dat een op verwerkingsgerichte behandeling niet aan de orde kon zijn. De ex-partner vuurde een bombardement aan e-mails af. Ik heb het merendeel van deze e-mails gelezen en beoordeel de inhoud als manipulerend, intimiderend en bedreigend. Daarnaast werd cliënte ook daadwerkelijk geconfronteerd met gewelddadig gedrag van de ex-partner. Door deze dreigementen werd cliënte gespannen en angstig waardoor de behandeling het karakter kreeg van een meer adviserend, begeleidend en

steunend contact. Dat cliënte ondanks de tot op heden voortdurende reeks van incidenten niet

is gedecompenseerd laat zien dat zij een krachtige vrouw is die haar moederrol, ook op

momenten dat het haar emotioneel erg moeilijk werd gemaakt, goed wist en weet te vervullen.

Uitgangspunt bij de diverse incidenten was voor haar altijd de vraag wat het beste voor haar

dochter was. Cliënte gaf meerdere keren aan dat de ex-partner zich zelfs in situaties waarbij

hulpverleners betrokken waren (de gezinsvoogd, medewerkers van Ouderschap Blijft) zich

agressief en weinig coöperatief opstelde. Een goede communicatie over de omgang met[naam dochter] kwam hierdoor, ondanks de inspanningen en het geduld van cliënte, niet op gang.

Het recente Raadsverslag en de aanbevelingen die worden gedaan heb ik met belangstelling

gelezen. Deinhoud vanhet rapport heeft mij zeer verbaasd. Ik heb de indruk dat er door de

raadsonderzoeker nauwelijks adequaat onderzoek is gedaan. Zo ziet de Raad de mails van

vader niet als een bedreiging, Ik vind dit onbegrijpelijk. Zoals hierboven aangegeven heb ik

de meeste e-mails die vader heeft verstuurd gelezen. Ik kwalificeer deze als (zeer) bedreigend

richting cliënte. Ook de andere hulpverleners (en de politie) moeten deze mening zijn

toegedaan, omdat zij vader diverse keren hebben gesommeerd, weliswaar tevergeefs, hiermee

te stoppen. Vader lijkt hiermee echter niet te kunnen stoppen en dan is de conclusie van de

raadsonderzoeker dat deze mails niet bedreigend zijn en de oplossing is dat moeder er maar

mee moet leren omgaan. Voor mij is dit niet te vatten, Daarnaast vraag ik mij ook af of de

Tender (en de Reclassering) op de hoogte is van de inhoud van de mails en het gedrag van

vader, hetgeen mogelijk een andere kijk op de situatie zou kunnen geven dan nu in het

Raadsrapport naar voren komt. Overigens begrijp ik in dit kader ook niet dat de gezinsvoogd

wordt neergezet als iemand die vader als goed aanspreekbaar beschouwd. Ouderschap Blijft

heeft na enkele gesprekken moeten concluderen dat er geen resultaat kon worden geboekt. Bij

de beantwoording van de onderzoeksvragen wordt ook aangegeven dat vader goed mee werkt. Hij heeft weliswaar zijn taakstraf gedaan en een e-health-behandeling gehad (waarvan de resultaten overigens niet duidelijk worden vermeld), maar in de dagelijkse praktijk blijkt dat hij zijn emoties niet kan beteugelen. De Raad gaat volledig voorbij aan het door cliënte

beleefde deviante gedrag van vader uit het verleden en het feit dat zijn opstelling tot nu nog

steeds een goede communicatie en omgang in de weg heeft gestaan. Wat dit betekent als de

gezinsvoogd van het toneel verdwenen is en de ouders zonder begeleiding moeten overleggen

raadt zich raden.

De Raad spreekt haar zorg uit (zie de beantwoording van vraag 3) over het feit dat[naam dochter] door de voortdurende strijd tussen de ouders het contact met één van de ouders kan verliezen en dat zij dat op termijn de andere ouder dat gaat kwalijk nemen, waardoor ook deze band zal beschadigen. Deze conclusie is naar mijn mening nergens op gebaseerd. Ditzelfde geldt voor de opmerking dat opgroeien zonder contact met de andere ouder een bedreiging vormt voor de identiteitsontwikkeling. Afgezien van het feit dat deze opmerking niet van toepassing is bij deze ouders ([naam dochter] heeft immers contact met beide ouders) slaat deze opmerking nergens op. Er is bij mijn weten geen enkel wetenschappelijk bewijs voor deze uitspraak en de ervaringen met kinderen die opgroeien in 1-oudergezinnen leert dat er helemaal geen bedreigingen zijn voor de identiteitsontwikkeling van deze kinderen. Voor de opmerking over het impliciet afwijzen van de andere ouder weet ik dat dit niet voor mijn cliënte van toepassing is. Zij is juist degene die vader op een positieve wijze in de communicatie met [naam dochter] betrekt zoals ik heb gelezen in de mails. Hoe vader dit doet is de vraag.

Naar aanleiding van het Raadsrapport heb ik contact gehad met een kinderpsycholoog. Zij

onderschrijft mijn opmerkingen t.a.v. het Raadsrapport. Ten aanzien van het geformuleerde

Advies deelt zij mijn mening, dat, mede gelet op het bovenstaande en ook gelet op de leeftijd

van[naam dochter], de huidige omgangsregeling dient te worden gehandhaafd. Bovendien zouden de ouders voorlopig een minimale communicatie omtrent [naam dochter] moeten hebben via mailwisseling. Op termijn kan dan worden beoordeeld of dit kan worden uitgebreid.”

 

 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

 

Klager verwijt verweerder - zakelijk weergegeven - dat hij onzorgvuldig en in strijd met de Beroepscode voor Psychologen van het NIP heeft gehandeld, meer in het bijzonder dat hij:

a)   zijn ex-partner een kopie van zijn onderzoeksresultaten heeft gegeven;

b)   een brief heeft gestuurd aan de advocaat van zijn ex-partner waarin hij met subjectieve en onjuiste beweringen een beeld van klager heeft neergezet dat belastend is voor de omgangsregeling;

c)   in telefoongesprekken met Ouderschap Blijft, de gezinsvoogd en de Raad voor de Kinderbescherming belastend over hem heeft gesproken.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

 

Verweerder voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij tuchtrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld en ook niet in strijd met de Beroepscode voor Psychologen van het NIP.

Klager heeft hem toestemming gegeven om zijn ex-partner een kopie te geven van zijn onderzoeksresultaten. Hij is van mening dat hij schriftelijk en telefonisch geen schadelijke opmerkingen over klager heeft gemaakt. Zijn opmerkingen over het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming zijn tot stand zijn gekomen naar aanleiding van de vele e-mails die klager in de loop van de tijd aan zijn cliënte heeft gestuurd. Zij steunen daarnaast op het feit dat klager door zijn gedrag in aanraking is gekomen met de politie en de reclassering en op het feit dat zijn cliënte maandenlang met een alarmknop door het leven moest gaan. Hij heeft kritiek gegeven op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming daar waar het rapport naar zijn mening onjuist of onvolledig is. Hij heeft niets vermeld dat niet al bekend was. Hij heeft alleen telefonisch contact gehad met Ouderschap Blijft en niet met de gezinsvoogd en de Raad voor de Kinderbescherming.

 

 

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1         

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard

 

5.2

In zijn toelichting op het eerste klachtonderdeel wijst klager op het zijn inziens betrekkelijke karakter van een afgenomen persoonlijkheidstest en voert hij aan dat zijn dochter door verweerders handelen schade lijdt, naar aangenomen mag worden omdat zijn ex-partner de testresultaten gebruikt in de strijd over omgang en gezag. Tegen deze achtergrond stelt het klachtonderdeel niet alleen het afgeven van de testresultaten maar ook het afnemen en de wijze van presenteren van de resultaten daarvan aan de orde. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij de ex-partner al zesmaal had gesproken, zodat hij van haar al een beeld had, en dat hij de persoonlijkheid van klager breed wilde meten met de bedoeling om daarna beiden relatietherapie te gaan geven (waarvan het niet is gekomen omdat de partner daarna met klager brak). Naar het oordeel van het college heeft verweerder op deze wijze klager reeds onderzocht terwijl het nog niet vaststond dat de therapie wat klager betreft in gang zou worden gezet zodat zijn status als cliënt niet duidelijk was. Voor het afnemen van de tests zijn voorts geen valide gronden aangevoerd, nu deze normaal gesproken bij gebleken ernstige persoonlijkheidsproblematiek worden afgenomen met het oog op een daarop gerichte therapie, deze voor een relatietherapie niet nodig waren en bij de ex-partner geen tests waren afgenomen. Vervolgens heeft verweerder onderzoeksresultaten beschikbaar gesteld terwijl er geen anamnese is afgenomen zodat de beoordeling van klagers persoonlijkheid niet in een breder kader is geplaatst en de resultaten in feite een onvolledig beeld gaven. Strikt genomen heeft verweerder wel toestemming gekregen van klager om de testresultaten af te geven aan zijn toenmalige partner, nu niet aannemelijk is geworden dat klager dat eigenlijk niet wilde. Maar verweerder was na zes sessies met de partner van klager op de hoogte van de relatieproblemen en had op dat moment rekening moeten houden met het risico van een relatiebreuk en daarop volgend misbruik van de gegevens. Het was verweerders plicht een persoon die zijn cliënt was of zou worden te beschermen tegen de andere cliënt, hetgeen hij niet heeft gedaan. In voornoemde zin is dit klachtonderdeel gegrond.

 

5.3

Het tweede klachtonderdeel stelt aan de orde de aan de advocaat van de (inmiddels) ex-partner van klager verzonden brief, een zogenaamde verklaring in (in dit geval) een strijd tussen ouders over hun kind. Volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie dient een behandelaar kort gezegd bij het afgeven van een verklaring de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te nemen over zijn patiënt/cliënt en dient hij daarbij geen waardeoordelen te geven en niet buiten zijn deskundigheidsgebied te treden. Op de website van het Nederlands instituut voor Psychologen (het NIP) wordt onder het kopje “Het afgeven van een verklaring door een psycholoog” bij “Veelgestelde vragen” aangegeven welke regels daarbij gelden. Het NIP raadt het afgeven van een verklaring aan de cliënt uitdrukkelijk af wanneer daar een direct juridisch of materieel belang mee is gediend. Een psycholoog moet zich in ieder geval onthouden van verklaringen of suggesties met betrekking tot anderen dan zijn cliënt. Indien – als het gaat om een omgangsregeling met de kinderen - de ex-partner van cliënt niet in behandeling is bij de psycholoog en ook geen toestemming heeft gegeven voor een dergelijke verklaring, mag de psycholoog geen verklaring betreffende de ex-partner afgeven.

 

De gewraakte brief is vrijwel geheel in strijd met de hierboven geschetste regels. Duidelijk was dat er sprake was van een juridische strijd, in welk geval het afgeven van een verklaring in het algemeen wordt afgeraden. Daarbij is verweerder een pleitbezorger geworden voor de ex-partner van klager hetgeen in strijd is met zijn rol als behandelaar. Hij geeft vele waardeoordelen (zoals bij voorbeeld: “Ik (…) beoordeel de inhoud als manipulerend, intimiderend en bedreigend”, ”Ik heb de indruk dat er door de raadsonderzoeker nauwelijks adequaat onderzoek is gedaan”, ”Ik kwalificeer deze als (zeer) bedreigend”).  Hij begeeft zich buiten zijn deskundigheidsgebied (“die haar moederrol goed wist en weet te vervullen”, “de huidige omgangsregeling dient te worden gehandhaafd”), dan wel geeft er blijk van niet deskundig te zijn (daar waar hij aangeeft dat nergens op is gebaseerd de conclusie van de Raad, dat het kind dat het contact met de ene ouder verliest door de voortdurende strijd tussen de ouders dit de andere ouder op termijn kan gaan kwalijk nemen waardoor ook die band wordt beschadigd). Hij presenteert zaken als feiten terwijl hij alleen de ex-partner en e-mails van klager als informatiebron heeft (“het feit dat zijn opstelling tot nu toe steeds een goede communicatie en omgang in de weg heeft gestaan”). Hij doet uitspraken over vader zonder hem te hebben gehoord en zonder dat deze daar toestemming voor heeft gegeven. Kortom, dit klachtonderdeel is gegrond.

5.4

Het derde klachtonderdeel is ongegrond. Er kan alleen van worden uitgegaan dat verweerder eenmaal is gebeld door een medewerker van Ouderschap Blijft. Uit het enkele feit dat verweerder ter zitting heeft laten weten dat die medewerker uitlatingen over klager heeft gedaan kan niet worden afgeleid, nu verweerder het ontkent, dat verweerder dat eveneens heeft gedaan.

 

5.5

Nu de klacht deels gegrond is dient een maatregel te volgen. Verweerder heeft laten weten dat hij destijds geen juridische informatie heeft ingewonnen over bijvoorbeeld de implicaties van het sturen van een brief aan de raadsman van een cliënt in een ‘echtscheidingssituatie’; hij is naar eigen zeggen uitsluitend te rade gegaan bij een kinderpsycholoog. Hij heeft zich ook na indiening van de klacht niet georiënteerd op de vraag of de klacht mogelijk terecht was. Ter zitting heeft hij er geen enkele blijk van gegeven in te zien dat zijn handelen het risico in zich borg van schade voor zowel klager, als zijn dochtertje, als uiteindelijk ook de ex-partner (die nog steeds zijn cliënte is), hij heeft haar immers bevestigd en munitie gegeven in haar strijd met vader.

 

Hier komt bij dat verweerder eerder te maken heeft gehad met gegronde tuchtklachten:

- RTC Zwolle 15 mei 2008, een waarschuwing wegens kort gezegd een advies over persoonlijkheidsonderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming niet bespreken met de cliënt;

- RTC Zwolle 8 september 2009, een berisping wegens kort gezegd teveel informatie verstrekken aan een verzekeringsarts;

- RTC Zwolle 20 juni 2014, een waarschuwing voor het op onzorgvuldige wijze afbreken van een behandeling van een cliënt.

 

Het betreft hier een relatief groot aantal gegronde tuchtklachten waarbij enerzijds verweerder er blijk van heeft gegeven op meerdere vlakken de zorgvuldigheidsregels niet te kennen althans niet in acht te nemen, terwijl anderzijds de beide eerstgenoemde uitspraken betrekking hebben op het slordig omgaan met informatie, zoals ook in deze zaak.

 

Gelet op de eerdere maatregelen, waaronder een berisping, op de ernst van de normschendingen in deze zaak en op het feit dat verweerder er geen enkele blijk van heeft gegeven te begrijpen wat er verkeerd is aan zijn handelen, ziet het college zich genoodzaakt thans als waarschuwing voor de toekomst een maatregel van na te noemen zwaarte op te leggen.

 

 

6.    DE BESLISSING

 

Het college:

-         legt aan verweerder op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van twee maanden, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het bevoegde regionale tuchtcollege later anders mocht bepalen op grond dat verweerder voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als gz-psycholoog behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

-         bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden.

-         bepaalt dat de proeftijd uitsluitend geldt gedurende de periode dat verweerder in het register is ingeschreven.

 

Aldus gedaan door mr. A.L. Smit, voorzitter, prof. mr. J.C.J. Dute, lid-jurist,

dr. J.P.C. Jaspers, L.P.T. Raijmakers en R. van der Ree, leden-gezondheidszorgpsycholoog, in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van den Eijnden, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                  

                                                                                               

 

 

                                                                                                                voorzitter

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens