Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2015:120
Datum uitspraak:
29-12-2015
Datum publicatie:
29-12-2015
Zaaknummer(s):
2014/400GZP
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Klagers zijn de ouders van een minderjarige zoon. Zij verwijten verweerster dat zij bij het afnemen van een IQ-test bij hun zoon onzorgvuldig, onprofessioneel en in strijd met de Beroepscode heeft gehandeld.Gegrond, waarschuwing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE AMSTERDAM

 

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 18 november 2014 binnengekomen klacht van:

 

A en B,

wonende te C,

k l a g e r s,

 

tegen

 

D,

GZ-psycholoog,

werkzaam te C,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde mr. J. Roose, verbonden aan Yuris Rechtshulp B.V.

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                    het klaagschrift met de bijlagen;

-                    het verweerschrift;

-                    de repliek;

-                    de dupliek;

-                    de correspondentie betreffende het vooronderzoek;

-                    de brief van klager van 20 december 2014, binnengekomen op 23 december 2014;

-                    de brief van klagers van 9 maart 2015, binnengekomen op 11 maart 2015;

-                    brief van klagers van 25 maart 2015, binnengekomen op 26 maart 2015;

-                    brief van de gemachtigde van verweerster van 9 november 2015, binnengekomen op 9 november 2015, met een bijlage.

 

De klacht is ter openbare terechtzitting behandeld.

A (verder te noemen: klager) was aanwezig met zijn zus E. B (verder te noemen: klaagster) was niet aanwezig.

 

Verweerster was aanwezig en werd bijgestaan door mr. J. Roose, voornoemd.

 

2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klagers zijn de ouders van F (hierna ook te noemen: de minderjarige), geboren juli 2000.

2.2.      Verweerster is werkzaam bij G. Dit is een onderwijsbegeleidingsdienst die ondersteuning biedt aan scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Daarnaast voert de onderwijsbegeleidingsdienst onderzoeken uit bij kinderen met bijzondere onderwijswensen.

2.3.      In maart 2014 is verweerster benaderd door de school om een psychodiagnostisch onderzoek te doen naar welke vorm van voortgezet onderwijs de zoon van klagers zou kunnen doorstromen. De school heeft ten behoeve van dit onderzoek aan het adviesbureau zogenoemde voorinformatie verstrekt over de minderjarige.

2.4.      De mentor van de minderjarige heeft klagers via de telefoon geïnformeerd over het onderzoek en toestemming gevraagd voor de Non verbale Wechsler IQ test (hierna: WNV-test). Dit is een niet verbale intelligentietest.

2.5.      Op 17 maart 2014 heeft verweerster een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd waarbij ze de WNV-test heeft afgenomen bij de minderjarige. Vervolgens heeft verweerster op 8 april 2014 aan de school gevraagd om met betrekking tot de minderjarige de Sociaal Emotionele Vragenlijst (hierna: SEV) in te vullen. Deze vragenlijst is op 21 mei 2014 anoniem ingevuld.

2.6.      Op 30 mei 2014 heeft verweerster het definitieve verslag van het psychodiagnostisch onderzoek uitgebracht en advies gegeven aan de school. De conclusie in dit verslag luidt zover van belang:

“Fis een vriendelijke, beleefde jongen. Het oogcontact is wisselend. F komt onrustig over en friemelt veel. Hij gaapt veel en vergeet soms te reageren op de aan hem gestelde vragen. Hij vertelt dat hij zich zorgen maakt over de thuissituatie.

Op school wordt veel storend gedrag waargenomen wat ook belemmerend is in de contacten naar en met zijn medeleerlingen. In het individuele onderzoek wordt ook opvallend gedrag waargenomen wat hem belemmert in zijn functioneren. Uit de SEV blijkt dat de leerkracht aangeeft dat Fop school  zeer zorgelijke gedragsproblemen op de hoofdschalen  Aandachtstekort, Sociaal Probleemgedrag en Angstig Stemmingsverstoord Gedrag vertoont die hem belemmeren in het leren en de contacten met leeftijdsgenoten en volwassenen.”

Het advies in het verslag luidt, zover van belang:

“ Verder onderzoek naar zijn gedrag (o.a. vlotte afleidbaarheid, druk gedrag, moeite om zich af te stemmen op leeftijdsgenootjes) is zeer wenselijk. Hiervoor kan contact worden opgenomen (na verwijzing door de huisarts) met instellingen zoals de H, I, J.

Gezinsbegeleiding is tevens noodzakelijk. Dit kan ook door bovenstaande instellingen geboden worden.”

2.7.      Op 16 juni 2014 heeft er een gesprek plaats gevonden op school over het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek. Tijdens het gesprek waren klagers, verweerster en de zorgfunctionaris van de school aanwezig.

2.8.      Op 25 juni 2014 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis (toentertijd Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)). Veilig Thuis concludeerde na onderzoek dat zij de gemelde zorgen met betrekking tot kindermishandeling niet kunnen bevestigen.

2.9.      Klagers hebben tevens een klacht tegen verweerster ingediend bij het College van Toezicht van het K. Daarnaast hebben zij een klacht tegen de school ingediend bij het bestuur van de school. Het bestuur van de school heeft de klacht gegrond geacht.

 

3. De klacht en het standpunt van klagers

De klacht houdt- zakelijk weergegeven - in dat verweerster:

1.                 Onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld doordat zij zonder schriftelijke toestemming van klagers de WNV-test en de SEV heeft afgenomen bij de zoon van klagers. Voorts heeft verweerster het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek zonder toestemming van klagers overhandigd aan de school.

2.                 Onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld met betrekking tot het inzetten van de SEV als psychodiagnostisch instrument en bij het opstellen van de rapportage (het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek). Het onderzoek en het bijbehorende psychodiagnostisch verslag gaan verder dan de hulpvraag. Bovendien heeft verweerster verzuimd om gedurende het onderzoek, dat een onnodige lange tijdsperiode in beslag nam, contact op te nemen met de ouders.

3.                 Onzorgvuldig heeft gehandeld door hetgeen de minderjarige heeft verteld niet juist weer te geven in het psychodiagnostisch verslag.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

4.1.      De school heeft, als opdrachtgever van het psychodiagnostisch onderzoek, klagers geïnformeerd over het onderzoek en hiervoor aan klagers toestemming gevraagd. Op die toestemming mocht verweerster vertrouwen. Daar komt bij dat verweerster mocht veronderstellen dat klagers instemden met het onderzoek omdat de minderjarige verscheen op de afspraak met verweerster. Klagers hebben ook voorafgaand of tijdens het onderzoek geen bezwaar geuit naar verweerster, ook niet gedurende het gesprek dat plaats vond over de bevindingen en de conclusies van het onderzoek. In de hoedanigheid van externe opdrachtgever heeft de school recht op inzage en toezending van de rapportage; toestemming van klagers was hiervoor niet nodig.

4.2.      De SEV en WNV-test zijn door de Commissie Testaangelegenheden Nederland goedgekeurde onderzoeksmethoden die de onderwijsbegeleidingsdienst standaard gebruikt. Het is niet gebruikelijk of noodzakelijk dat de onderzoeker bij een onderzoek naar de vraag of er een indicatie aanwezig is voor leerweg ondersteunend onderwijs contact heeft met de ouders van de kinderen. Dit is in sommige situaties zelfs ongewenst.

4.3.      Verweerster stelt zich op het standpunt dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat de klachten die haar handelen betreffen ongegrond zijn.

 

5. De overwegingen van het college

5.1.      Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekeninghoudend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte

handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was

aanvaard.

5.2.      Het eerste klachtonderdeel betreft het ontbreken van rechtsgeldige toestemming voor het afnemen van de WNV-test en de SEV en het overhandigen van de rapportage aan de school. Ter terechtzitting heeft verweerster verklaard dat tussen de onderwijsbegeleidingsdienst en de school afspraken zijn gemaakt over ‘het onderzoeksproces’.  Dit houdt onder meer in dat de school als opdrachtgever de gezagdragende ouders informeert over het onderzoek verstrekt en hiervoor aan hen schriftelijke toestemming vraagt. Onder III 3.2.3 van de NIP Beroepscode voor psychologen 2007 staat:

“De psycholoog kan uitsluitend een professionele relatie met iemand aangaan of voortzetten met diens toestemming. Die toestemming is echter niet nodig als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever die daartoe een door de wet toegekende bevoegdheid heeft.”

De school is niet een dergelijke opdrachtgever, zodat verweerster ondanks de afspraken met de school een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het informeren over en het verkrijgen van toestemming voor het onderzoek van de minderjarige.

5.3.      Verweerster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij op 17 maart 2014 meerdere kinderen heeft onderzocht die op dezelfde school zaten als de minderjarige. Alleen ten aanzien van de zoon van klagers kon de school geen schriftelijke toestemming aan haar overleggen voor het onderzoek. De mentor van de minderjarige gaf bij navraag van verweerster aan dat klagers per telefoon mondelinge toestemming hadden gegeven voor het onderzoek en dat de vader van de minderjarige diezelfde week langs zou komen om het toestemmingsformulier te ondertekenen. Verweerster heeft op dat moment besloten om de minderjarige en zijn zus toch te testen, ondanks de ontbrekende schriftelijke toestemming, omdat het vooral voor de zus van de minderjarige van belang was dat het onderzoek zo spoedig mogelijk zou plaatsvinden.

5.4.      Niet ter discussie staat dat klagers mondeling toestemming hebben gegeven voor de WNV-test. Het college is van oordeel dat gezien de omstandigheden het niet onbegrijpelijk is dat verweerster op 17 maart 2014 besloot de minderjarige te onderzoeken zonder dat de school daarvoor een toestemmingsverklaring kon overleggen. Dit geldt echter niet voor het afnemen van de SEV. Het college is van oordeel dat verweerster bij uitbreiding van het onderzoek, dus het inzetten van de SEV om te bezien of extra ondersteuning nodig was in verband met de taalvaardigheid of dat er mogelijk sprake was van psychische problematiek, als ook bij het overhandigen van het psychodiagnostisch verslag aan school, zich ervan had moeten vergewissen dat klagers hiervoor (alsnog) daadwerkelijk (schriftelijke) toestemming hadden gegeven aan school. Het college is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel slaagt.

5.5.      Het tweede klachtonderdeel betreft de uitvoering van het onderzoek en de inhoud van het psychodiagnostisch verslag. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege moet een deskundige rapport voldoen aan de volgende criteria:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde

vraagstelling te beantwoorden;

3. Inhet rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Hierbij wordt conform de vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege ten volle getoetst of het onderzoek uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. De conclusies van een deskundigenrapport worden op grond van de vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege marginaal getoetst. Marginale toetsing is in dit verband een redelijkheidtoetsing waarbij de juistheid van een conclusie van een rapport wordt getoetst aan het criterium of de deskundige gelet op alle daarbij betrokken aspecten in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.6.      De rapportage van verweerster voldoet niet aan deze criteria. Het college is van oordeel dat het onderzoek van de minderjarige onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat verweerster op basis van dit onderzoek in redelijkheid niet tot haar conclusies en advies heeft kunnen komen. Verweerster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de WNV-test heeft afgenomen om een advies te kunnen geven over welke hulp de minderjarige nodig had in het vervolgonderwijs, in het bijzonder of hij in aanmerking kwam voor een beschikking Leerwegondersteunend Onderwijs. In het verslag zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:

‘Wat is het intelligentieniveau van (…) (de minderjarige, RTC)?

Welk onderwijsniveau is op dit moment best passend?

Komt (…)(de minderjarige, RTC)in aanmerking voor een LWOO- of PRO beschikking?”

Ter terechtzitting heeft verweerster verklaard dat zij op basis van de WNV-test en het gesprek met de minderjarige heeft besloten om ook de SEV in te zetten, omdat bleek dat de minderjarige extra ondersteuning nodig had met betrekking tot zijn taalvaardigheid. Het is aan verweerster als deskundige om te kiezen met welke onderzoeksmethode de onderzoeksvraag wordt beantwoord. Echter, de gekozen methode dient de voorgelegde vraagstelling te kunnen beantwoorden. Het college is van oordeel dat de SEV, een test voor het (vroegtijdig) opsporen van sociaal- emotioneel probleemgedrag, niet de geschikte methode is voor het in kaart brengen van de taalvaardigheid en de taalondersteuningsbehoefte van de minderjarige. Het verweer dat het door gehanteerde protocol geen andere testmethode toe laat dan de SEV baat verweerster niet. Ook indien verweerster tijdens het onderzoek aanwijzingen zag voor gedrags- en/ of gezinsproblemen dan had zij volgens het college moeten kiezen voor andere vervolgstappen dan de SEV en gemotiveerd moeten afwijken van het door haar werkgever gebruikte protocol, bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met klagers.

Het college concludeert dan ook dat verweerster op grond van de gekozen onderzoeksmethode in alle redelijkheid niet tot de conclusies in het rapport over het gedrag van de minderjarige en de noodzaak tot gezinsbegeleiding (2.6) had kunnen komen. Dit klachtonderdeel is dan ook eveneens gegrond.

5.7.      Wat betreft klachtonderdeel 3 over de gewraakte passages in het verslag over de uitspraken van de minderjarige overweegt het college als volgt. Het college kan niet vaststellen welke partij gelijk heeft. Het is vaste tuchtrechtspraak in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden.

5.8.      De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdelen 1 en 2 gegrond zijn en klachtonderdeel 3 niet gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klagers had behoren te betrachten. De oplegging van een maatregel is daarvoor passend.

5.9.      Wat betreft het opleggen van een maatregel geldt het volgende: Bij de vraag welke maatregel passend is, kent het college betekenis toe aan het feit dat de wijze waarop de afspraken tussen school en verweerster zijn vormgegeven niet ongebruikelijk zijn binnen de beroepsgroep. Alles overwegende en in aanmerking genomen dat aan verweerster niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, zal het college volstaan met een waarschuwing.

 

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt verweerster.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG

in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften De Psycholoog, GZ-Psychologie en De Pedagoog ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus gewezen op 24 november 2015 door:

mr. W.A.H. Melissen, voorzitter,

dr. R.J. Takens, dr. C.H.J.A.M. van de Vijfeijken en drs. L.J.J.M. Geertjens, leden-beroepsgenoten,

mr. dr. R.E. van Hellemondt, lid-jurist,

mr. C. Neve, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 december 2015 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. W.A.H. Melissen, voorzitter

w.g. C. Neve, secretaris

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens