Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZREIN:2014:101
Datum uitspraak:
02-12-2014
Datum publicatie:
02-12-2014
Zaaknummer(s):
14139
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Verpleegkundige
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Beroepsgeheim en verpleegkundige beroepscode geschonden vanwege het plaatsen van medische informatie in de sociale media (Facebook). Waarschuwing en publicatie van de uitspraak.

Uitspraak: 2 december 2014

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

 

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 2 juli 2014 binnengekomen klacht van:

 

[A]

wonende te [B]

klager

 

tegen:

 

[C]

verpleegkundige

werkzaam te [B]

verweerder

gemachtigde mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift;

-         het verweerschrift;

-         de brief van de gemachtigde van verweerder met bijlagen van 1 oktober 2014;

-         de pleitnotitie overgelegd door de gemachtigde van verweerder.

 

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 22 oktober 2014 behandeld. Partijen waren aanwezig. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

 

 

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager heeft op 14 januari 2014 een gastroscopie ondergaan in het ziekenhuis waar verweerder als verpleegkundige werkzaam is. Verweerder was niet betrokken bij de behandeling van klager maar hij had die dag op een lijst in het ziekenhuis gezien dat klager een gastroscopie diende te ondergaan.

Klager heeft op 14 januari 2014 om 9.18 uur op zijn Facebookpagina geplaatst: “Over een paar uurtjes aan de Propofol #yammie”. Op 14 januari 2014 om 21.08 uur heeft klager geplaatst: “Schone maag”.

Op 25 februari 2014 verbleef klager met een groep in [D], Duitsland. Een van de deelnemers van de groep plaatste een bericht op Facebook dat luidde: “Lekker wandelen door de sneeuw. En uitrusten voor de ouderen uit de T-stroom zoals (klager). Ff laten bijkomen…”. Een tweede bericht luidde: “Lekker door de sneeuw geploeterd…., nu ff de benen hoog en ontspannen…”.

Op 25 februari 2014 heeft verweerder een bericht geplaatst dat luidde: “Heeft (klager) nog steeds last van zijn benen, na zijn sux ervaring?”.

Klager en verweerder kennen elkaar, omdat klager enkele jaren geleden docent van verweerder is geweest in diens opleiding tot verpleegkundige. Na het afronden van de opleiding hebben klager en verweerder geen contact onderhouden. Op de sociale media zijn zij geen directe “vrienden”. Via wederzijdse “vrienden” hebben partijen elkaars berichten gelezen en van een reactie kunnen voorzien.

 

3. Het standpunt van klager en de klacht

De klacht behelst het verwijt dat verweerder (willens en wetens) het beroepsgeheim en de verpleegkundige code heeft geschonden door het plaatsen van medische informatie in de sociale media.

Klager diende een gastroscopie te ondergaan en had een sterke voorkeur dit onder Diprivan te laten plaatsvinden. Hij had dit vooraf met de anesthesist besproken. Op de dag van de behandeling was deze arts (anesthesist) echter niet aanwezig. Een collega anesthesist heeft klager behandeld en voelde zich genoodzaakt om klager te intuberen tijdens de behandeling. Hierbij is, vanwege de intubatie, Succinylcholine toegediend. De verwijzing van verweerder naar de sux ervaring, zoals vermeld in zijn bericht van 25 februari 2014, betreft een verwijzing naar toediening van Succinylcholine.

Door het plaatsen van het bericht door klager hebben mensen uit de sociale omgeving van klager naar (details van) de behandeling gevraagd.

Klager meent dat verweerder zich in de openbaarheid van de sociale media niet over (details van) de behandeling van klager had mogen uitlaten en dat dit een schending van de bepaling van artikel 88 van de wet BIG en van de Verpleegkundige Beroepscode oplevert.

 

4. Het standpunt van verweerder

Het plaatsen van het Facebookbericht heeft in de privésfeer en niet in de werksfeer plaatsgevonden. Verweerder heeft uiteengezet hoe in het ziekenhuis wordt gewerkt en uiteengezet dat hij niet bij de behandeling van klager was betrokken. Hij had die week avonddienst. Hij zag de naam van klager staan op de lijst van te behandelen patiënten van de dag en herkende de naam van verweerder, zijn voormalig docent. Toen op 25 februari 2014 de berichten over “ff laten uitrusten” en “benen omhoog” op Facebook werden geplaatst heeft hij een en ander met elkaar in verband gebracht, heeft hij op basis van zijn kennis over de medicatie geconcludeerd dat verweerder met Succinylcholine was behandeld en heeft hij bij wijze van grap de opmerking “Heeft (klager) nog steeds last van zijn benen, na zijn sux ervaring?” geplaatst. Verweerder heeft niet de intentie gehad klager te kwetsen. Verweerder nam pas kennis van de afspraak over de medicatie, het niet nakomen daarvan en het feit dat Succinylcholine was toegediend op 14 april 2014 naar aanleiding van de ingediende klacht. Verweerder realiseert zich dat het plaatsen niet had mogen gebeuren. Verweerder meent evenwel dat klager door het plaatsen van de berichten op 14 januari 2014 zelf de openbaarheid heeft gezocht. Bovendien had klager met een zogenaamde direct message een vraag over de behandeling aan een collega van verweerder gesteld. Deze collega heeft de vraag niet beantwoord.

 

5. De overwegingen van het college

Verweerder dient zich uit hoofde van zijn beroepsgeheim als verpleegkundige te onthouden van het doen van uitlatingen over wetenschap van de behandeling of fysieke toestand van patiënten. Dit geldt ook voor patiënten waarvan hij weet dat zij zijn behandeld in het ziekenhuis waar hij werkzaam is, maar aan wie hij persoonlijk geen medische zorg heeft geboden. Vast staat dat verweerder op 14 januari 2014 kennis heeft genomen van het feit van klager op 14 januari 2014 in het ziekenhuis werd behandeld.

Klager heeft zelf met korte berichtjes de behandeling op Facebook kenbaar gemaakt, maar dit heeft niet tot gevolg dat verweerders plicht zich te onthouden van het doen van uitlatingen vermindert of eindigt.

Met inhoud van het door verweerder geplaatste bericht, dat zes weken later werd geplaatst, heeft verweerder in strijd met voormelde plicht gehandeld. Het college gaat er niet van uit dat verweerder klager opzettelijk heeft willen beschadigen, maar rekent hem wel aan dat hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de impact van de handeling die hij op dat moment verrichtte.

 

Het college acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden en meent dat aanleiding bestaat om de beslissing, zodra zij onherroepelijk zal zijn, te publiceren in de Nederlandse Staatscourant en ter publicatie aan te bieden aan Nursing en TVZ.

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart de klacht van klager gegrond,

-         legt verweerder op de maatregel van waarschuwing en

-         bepaalt dat deze beslissing zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan Nursing en TVZ.

 

Aldus beslist door mr. H.P.H. van Griensven als voorzitter, mr. I.F. Schouwink als lid-jurist,

G.J.T. Kooiman, M. IJzerman en C.E.B. Driessen als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. K. Hoebers-Provoost als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014 in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens