Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:74 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.255

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2014:74
Datum uitspraak: 04-03-2014
Datum publicatie: 04-03-2014
Zaaknummer(s): c2013.255
Onderwerp: Opiumwetmiddelen misbruik
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Verweerster, verpleegkundige, heeft via een uitzendbureau een nacht gewerkt in een door klaagster geëxploiteerd verpleeghuis. De ochtend na die nacht is een bewoonster van de afdeling waar verweerster werkzaam was dood in haar bed aangetroffen. Uit het ingestelde justitieel onderzoek is enerzijds gebleken dat er geen aanleiding bestond verweerster te vervolgen wegens nalatigheid en anderzijds dat verweerster tijdens haar werkzaamheden in het verpleeghuis medicatie heeft gestolen uit de apotheek en dat zij heeft verklaard dat zij verslaafd is aan drugs (cocaïne). Verweerster bleek in 2003 strafrechtelijk veroordeeld wegens diefstallen in andere verzorgingshuizen. Klaagster heeft het dienstverband met verweerster daarop beëindigd. Klaagster verwijt verweerster dat haar gedragingen in strijd zijn met het algemeen belang van de individuele gezondheidszorg. Klaagster stelt dat verweerster zich niet alleen schuldig heeft gemaakt aan diefstal maar daarbij ook gebruik heeft gemaakt van het feit dat zij als verpleegkundige toegang had tot de medicatie. Voorts levert naar het oordeel van klaagster de verslaving van verweerster een ernstig beletsel op om als verpleegkundige te kunnen functioneren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en vastgesteld dat bij uitspraak van gelijke datum onder nummer 12/475Vp de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het register ex artikel 3 Wet BIG is bevolen en legt daarom geen aparte maatregel op.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2013.255 van:

A., verpleegkundige, wonende te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. H. van Lingen, advocaat te Alkmaar,

tegen

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE STICHTING C.,

gevestigd te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn.

en in de zaak onder nummer C2013.256 van:

A., verpleegkundige, wonende te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. H. van Lingen, advocaat te Alkmaar,

tegen

INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG,

voor het werkgebied E., kantoorhoudende te F.,

namens dezen G. en H., in hun hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg,  klaagsters in eerste aanleg, verweersters in hoger beroep. 

1.1       Verloop van de procedure in de zaak onder nummer C2013.255

De Raad van Bestuur van de Stichting C. - hierna klaagster - heeft op 2 mei 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 maart 2013, onder nummer 12/159Vp, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en vastgesteld dat hetzelfde College bij uitspraak van gelijke datum onder nummer 12/475Vp de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het register ex artikel 3 Wet BIG heeft bevolen als mede publicatie van de beslissing. Voor oplegging van een aparte maatregel heeft het College daardoor geen plaats geacht. De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. 

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de in de aanhef van deze beslissing genoemde zaak C2013.256 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 januari 2014, waar zijn verschenen de verpleegkundige, bijgestaan door mr. H. van Lingen, en mr. drs. F. Westenberg, de gemachtigde van klaagster. Mr. H. van Lingen heeft de standpunten van de verpleegkundige toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

1.2       Verloop van de procedure in de zaak onder nummer C2013.256

G. en H. - hierna klaagsters - hebben namens de Inspectie voor de Gezondheidzorg op 22 december 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen A. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 maart 2013, onder nummer 12/475Vp, heeft dat College de doorhaling bevolen van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register onder de bepaling dat de beslissing zal worden gepubliceerd. De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagsters hebben een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de in de aanhef van deze beslissing genoemde zaak C2013.255 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 januari 2014, waar zijn verschenen de verpleegkundige, bijgestaan door mr. H. van Lingen, en klaagsters. Mr. H. van Lingen en klaagsters hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.1       Beslissing in eerste aanleg in de zaak onder nummer C2013.255

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1. Klaagster exploiteert een aantal instellingen op het gebied van gezondheidszorg en meer specifiek ouderenzorg in I.. Tot die instellingen behoort verpleeghuis J. in K..

2.2. Verweerster is een gediplomeerd verpleegkundige. In de nacht van 5 op 6 september 2011 heeft zij via uitzendbureau L. in de functie van verpleegkundige gewerkt op de afdeling “M.” van verpleeghuis J..

2.3. Op 6 september 2011 is rond 7.45 uur een bewoonster van die afdeling dood in haar bed aangetroffen. Klaagster heeft toen, gelet op de aangetroffen situatie, aanleiding gezien de politie te waarschuwen en om een melding te doen bij de Inspectie voor de gezondheidszorg. Vervolgens is een justitieel onderzoek ingesteld. Tevens heeft de Inspectie onderzoek gedaan naar aanleiding van de melding.

2.4. Uit het justitieel onderzoek is gebleken dat er geen aanleiding is verweerster te vervolgen wegens nalatigheid, omdat geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond tussen het overlijden van de betrokken bewoonster en de wijze waarop verweerster haar werkzaamheden die nacht heeft uitgevoerd.

2.5. Verder blijkt uit het justitieel onderzoek dat verweerster tijdens haar werkzaamheden in verpleeghuis J. medicatie heeft gestolen uit de apotheek en dat verweerster heeft verklaard dat zij verslaafd is aan drugs (cocaïne). Verweerster is in 2003 strafrechtelijk veroordeeld wegens diefstallen in andere verzorgingshuizen.

2.6. Klaagster heeft het dienstverband met verweerster beëindigd.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat de gedragingen van verweerster in strijd zijn met het algemene belang van de individuele gezondheidszorg. Verweerster heeft zich volgens klaagster niet alleen schuldig gemaakt aan diefstal, maar heeft daarbij ook gebruik gemaakt van het feit dat zij als verpleegkundige toegang had tot de medicatie. Verder levert het feit dat verweerster naar eigen zeggen verslaafd is aan drugs volgens klaagster een ernstig beletsel op om als verpleegkundige te kunnen functioneren, mede gelet op het op het strafrechtelijk verleden van verweerster inzake diefstal in verpleeg- en verzorgingshuizen.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft niet gereageerd op de klacht.

5. De overwegingen van het college

5.1. Bij de beantwoording van de vraag of verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij heeft te betrachten ten opzichte van de aan haar zorg toevertrouwde patiënten - en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld - stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste tuchtrechtspraak gaat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van een verpleegkundige niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het gestelde klachtwaardig handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard.

5.2. Het college stelt vast dat verweerster niet heeft gereageerd op de ingediende klacht en zonder kennisgeving niet is verschenen ter zitting. Deze opstelling van verweerster leidt ertoe dat het college bij zijn oordeelsvorming moet afgaan op de door klaagster verschafte informatie. Het college acht deze benadering gerechtvaardigd, omdat een andere opvatting zou betekenen dat het - al dan niet bewust - niet reageren op een klacht leidt tot een frustratie van de rechtsgang voor klaagster.

5.3. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen moet als vaststaand aangenomen worden dat verweerster op 6 september 2011 voor eigen gebruik en zonder toestemming daartoe van de Stichting C. medicatie heeft weggenomen uit de apotheek van verpleeghuis J.. Deze handelwijze van verweerster moet strafrechtelijk gekwalificeerd worden als diefstal en vormt tuchtrechtelijk voor een verpleegkundige zonder meer een ernstig verwijtbare gedraging. Daarbij acht het college allereerst van belang dat verweerster deze medicatie bewust heeft weggenomen. Voorts heeft verweerster door het wegnemen van de medicatie misbruik gemaakt van haar vertrouwenspositie als verpleegkundige en heeft zij het vertrouwen in de beroepsgroep van verpleegkundigen geschaad. Verder is het college van oordeel dat de verslavingsproblematiek van verweerster zich om professioneel-inhoudelijke redenen in het algemeen slecht verhoudt tot de uitvoering van het verpleegkundig beroep.

5.5. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG jegens patiënten had behoren te betrachten

5.6. Wat betreft de op te leggen maatregel stelt het college vast dat bij de heden gewezen uitspraak tegen verweerster onder nr. 12/475Vp reeds de zwaarste maatregel, te weten doorhaling van verweerster in het register ex artikel 3 van de Wet BIG, is opgelegd. Gelet hierop is er voor oplegging van een aparte maatregel in deze zaak geen plaats.”

2.2       Beslissing in eerste aanleg in de zaak onder nummer C2013.256

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1. Verweerster heeft in 1998 de opleiding tot verpleegkundige met succes afgerond. Vervolgens heeft zij enige tijd gewerkt in een instelling voor epilepsie en daarna in een verpleeghuis. In september 2007 is verweerster als verpleegkundige in dienst getreden bij verpleeghuis N. te D.. Dit verpleeghuis wordt geëxploiteerd door de Stichting C., gevestigd te D.. Verweerster werkte vanaf 2010 gedurende ongeveer 30 uur per week op de palliatieve afdeling van dit verpleeghuis.

2.2. Naast haar werkzaamheden bij verpleeghuis N. werkte verweerster regelmatig aanvullend via uitzendbureau L., onder meer in een hospice en in andere verpleeghuizen. In de nacht van 5 op 6 september 2011 heeft verweerster via L. in de functie van verpleegkundige gewerkt op de afdeling “M.” van verpleeghuis J. te K.. Dit verpleeghuis wordt ook geëxploiteerd door de Stichting C. te D..

2.3. Op 6 september 2011 is rond 7.45 uur een bewoonster van de afdeling “M.” dood in haar bed aangetroffen. De Stichting C. heeft toen, gelet op de ongebruikelijke lighouding van de overledene, aanleiding gezien de politie te waarschuwen en een melding te doen bij klaagster. Vervolgens is een justitieel onderzoek ingesteld. Tevens heeft klaagster onderzoek gedaan naar aanleiding van de melding.

2.4. Uit het justitieel onderzoek is gebleken dat er geen aanleiding is verweerster te vervolgen wegens nalatigheid, omdat geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond tussen het overlijden van de betrokken bewoonster en de wijze waarop verweerster haar werkzaamheden die nacht heeft uitgevoerd.

2.5. Verder is zowel tijdens het justitieel onderzoek als tijdens een door klaagster ingesteld onderzoek door verweerster verklaard en in het proces verbaal vastgelegd dat zij op 6 september 2011 tijdens haar werkzaamheden in verpleeghuis J. medicatie heeft gestolen uit de apotheek van die instelling. Zij heeft ongeveer 20 tabletten dormicum weggenomen, omdat ze deze van haar huisarts niet kreeg voorgeschreven. Tevens heeft verweerster verklaard dat zij verslaafd is aan drugs - zij gebruikt vanaf 2003 regelmatig cocaïne - en dat zij in of omstreeks 2003 strafrechtelijk veroordeeld is wegens diefstallen in andere verzorgingshuizen.

2.6. Verweerster heeft voorts tijdens het door klaagster ingestelde onderzoek verklaard dat zij op 5 september 2011 bij de aanvang van haar dienst rond 23.00 uur haar vriend heeft gevraagd om haar eigen stethoscoop te brengen die zij nodig had bij een te verrichten medische handeling. Na het bezorgen van de stethoscoop is de vriend van verweerster vervolgens de hele nacht op de afdeling aanwezig gebleven. Rond 6.50 uur heeft de vriend van verweerster de volgende ochtend het verpleeghuis verlaten.

2.7. Verweerster heeft gedurende de nachtdienst van 5 op 6 september 2011 rond 2.15 uur een uitgebreide ronde gelopen over de afdeling en rond 6.15 uur een korte ronde. De gebruikelijke ronde van omstreeks 23.30 uur heeft zij niet gelopen. Verder heeft verweerster tijdens die nachtdienst enkele keren de afdeling verlaten, onder meer in verband met een door haar te verrichten medische handeling op een andere afdeling, het roken van sigaretten, het halen van chocolademelk uit de centrale hal van J. en het wegnemen van medicatie voor eigen gebruik.

2.8. De Stichting C. heeft het dienstverband met verweerster beëindigd.

2.9. Verweerster heeft tegen klaagster verklaard dat zij zich voor hulp en begeleiding heeft gewend tot O. Verslavingszorg te P.. Medewerkers van klaagster hebben in oktober 2012 een nader gesprek met verweerster gevoerd. Daarbij heeft verweerster verklaard dat zij vanaf juni 2012 werkzaam is als verpleegkundige op de somatische afdeling van locatie Q. van de Stichting R. te P. en dat zij haar huidige werkgever niet heeft geïnformeerd over de gebeurtenis in J. in september 2011, noch over haar verslavingsproblematiek, noch over de tuchtklacht die door de Stichting C. tegen haar was ingediend. Ten aanzien van de verslavingsproblematiek heeft verweerster tijdens dit gesprek meegedeeld dat zij in de voorafgaande maanden drie “uitglijders” heeft gehad. De begeleiding van O. stond volgens verweerster op dat moment op een laag pitje.

2.10. Klaagster heeft vervolgens van de begeleider van verweerster bij O. vernomen dat verweerster al meer dan drie maanden niets van zich had laten horen, terwijl de behandeldoelen nog niet bereikt waren.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

3.1. door medicatie te ontvreemden misbruik heeft gemaakt van haar positie als verpleegkundige die toegang had tot deze medicatie en aldus heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij dient te verlenen aan de aan haar zorgen toevertrouwde patiënten. Tevens heeft zij hierdoor het vertrouwen in de beroepsgroep verpleegkundigen geschaad.

3.2. door haar vriend op de afdeling te laten verblijven heeft gehandeld in strijd met het beleid van C.;

3.3. door niet alle rondes te lopen en door zonder geldige reden meerdere keren de afdeling te verlaten heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij als verpleegkundige had dienen te verlenen aan de aan haar zorgen toevertrouwde patiënten;

3.4. door niet open te zijn over haar verleden bij haar nieuwe werkgever zich niet transparant heeft opgesteld en daarmee in strijd heeft gehandeld met hetgeen van haar als verpleegkundige mag worden verwacht.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft niet gereageerd op de klacht.

5. De overwegingen van het college

5.1. Bij de beantwoording van de vraag of verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij heeft te betrachten ten opzichte van de aan haar zorg toevertrouwde patiënten - en of zij aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld - stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste tuchtrechtspraak gaat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van een verpleegkundige niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het gestelde klachtwaardig handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard.

5.2. Het college stelt vast dat verweerster niet heeft gereageerd op de ingediende klacht en zonder kennisgeving niet is verschenen ter zitting. Deze opstelling van verweerster leidt ertoe dat het college bij zijn oordeelsvorming moet afgaan op de door klaagster verschafte informatie. Het college acht deze benadering gerechtvaardigd, omdat een andere opvatting zou betekenen dat het - al dan niet bewust - niet reageren op een klacht leidt tot een frustratie van de rechtsgang voor klaagster.

5.3. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen moet als vaststaand aangenomen worden dat verweerster op 6 september 2011 ongeveer 20 tabletten dormicum voor eigen gebruik en zonder toestemming daartoe van de Stichting C. heeft weggenomen uit de apotheek van verpleeghuis J.. Deze handelwijze van verweerster moet strafrechtelijk gekwalificeerd worden als diefstal en vormt tuchtrechtelijk voor een verpleegkundige zondermeer een ernstig verwijtbare gedraging. Daarbij acht het college allereerst van belang dat verweerster deze medicatie bewust heeft weggenomen nadat haar huisarts had geweigerd dit medicijn aan haar voor te schrijven. Voorts heeft verweerster door het wegnemen van de medicatie misbruik gemaakt van haar vertrouwenspositie als verpleegkundige en heeft zij het vertrouwen in de beroepsgroep van verpleegkundigen geschaad. Het feit dat de medicatie in verpleeghuis J. niet adequaat was opgeborgen en geregistreerd kan niet afdoen aan de verwijtbaarheid van de handelwijze van verweerster. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

5.4. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel stelt het college voorop dat de aanwezigheid van derden, zoals de vriend van verweerster, tijdens een nachtdienst in een verpleeghuis geenszins gebruikelijk is. Verweerster had dan ook niet zonder expliciete navraag daaromtrent mogen aannemen dat de aanwezigheid van haar vriend gedurende vrijwel de gehele nachtdienst was toegestaan. Zij heeft derhalve in zoverre onzorgvuldig gehandeld. Voorts is niet gebleken dat de vriend van verweerster gedurende de nachtelijke uren het verpleeghuis niet kon verlaten, zoals verweerster heeft aangevoerd. Ook dit klachtonderdeel is dus gegrond.

5.5. Ten aanzien van de rondes die verweerster tijdens de nachtdienst in J. had moeten lopen over de afdeling, staat vast dat zij de ronde van 23.30 uur niet heeft gelopen. Verweerster was op en rond het tijdstip van deze ronde bezig met de voorbereiding op en het feitelijk verrichten van de medische handeling die zij op een andere afdeling gevraagd was te doen. Als gevolg daarvan was verweerster toen ook enige tijd niet op de afdeling “M.”. Het college is van oordeel dat deze afwezigheid verweerster in ieder geval niet verweten kan worden, nu zij elders een medische handeling moest verrichten waartoe kennelijk alleen zij op dat moment bevoegd was. Daarbij acht het college van belang dat uit het onderzoek van klaagster blijkt dat de personeelsbezetting gedurende die nacht in J. tekort schoot.

Wat betreft het lopen van de korte ronde is het college van oordeel dat verweerster na terugkeer op de afdeling “M.” weliswaar alsnog die ronde had kunnen lopen, maar dat het slechts in beperkte mate verwijtbaar is dat verweerster er toen kennelijk voor heeft gekozen de lange ronde van 2.30 uur af te wachten en die ronde al wat eerder is gaan lopen.

Verder acht het college de afwezigheid van verweerster op de afdeling wegens het roken en het halen van chocolademelk in de centrale hal van J., gegeven de tekort schietende personeelsbezetting die nacht, eveneens slechts in beperkte mate verwijtbaar. Daarbij is mede van belang dat verweerster na terugkeer op de afdeling kon vaststellen of er oproepen waren geweest die zij tijdens haar afwezigheid had gemist.

De afwezigheid van verweerster op de afdeling als gevolg van het wegnemen van medicatie voor eigen gebruik acht het college, in het verlengde van hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen, wel zeer verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is derhalve gedeeltelijk gegrond.

5.6. Het college acht het verder zeer verwijtbaar dat verweerster haar nieuwe werkgever Stichting R. niets heeft gemeld over haar verslavingsproblematiek, over de gebeurtenissen in J. op 6 september 2011 en over de tegen haar door Stichting C. ingediende tuchtklacht. Verweerster had haar nieuwe werkgever behoren te informeren over deze feiten die van wezenlijk belang kunnen zijn voor haar functioneren als verpleegkundige. Door deze feiten te verzwijgen heeft verweerster niet gehandeld zoals in deze situatie van een professioneel verpleegkundige verwacht had mogen worden. Ook dit klachtonderdeel is dus gegrond.

5.7. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in vrijwel al haar onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG jegens de aan haar zorgen toevertrouwde patiënten had behoren te betrachten.

5.8. Ten aanzien van de op te leggen maatregel stelt het college voorop dat de verslavingsproblematiek van verweerster reeds een risico vormt voor het goed en verantwoord vervullen van de functie van verpleegkundige. Dit is immers een vertrouwensfunctie waarbij werkgevers en patiënten er vanuit moeten kunnen gaan dat geen misbruik wordt gemaakt van dat vertrouwen. Verweerster heeft tijdens de nachtdienst van 5 op 6 september 2011 in verpleeghuis J. dit vertrouwen geschaad en gezien de eerdere strafrechtelijke veroordeling van verweerster voor diefstallen in verzorgingstehuizen was dit niet de eerste misstap van verweerster. Daarbij wijst het college erop dat verslavingsproblematiek zich ook om professioneel-inhoudelijke redenen in het algemeen slecht verhoudt tot de uitvoering van het verpleegkundig beroep. Verder acht het college van belang dat onvoldoende is gebleken dat verweerster aanspreekbaar is op haar gedrag en zich volledig inzet om dit gedrag te veranderen. Zij is recent weer enige keren teruggevallen in het gebruik van cocaïne, heeft zich kennelijk onttrokken aan de begeleiding door O. en heeft zich niet toetsbaar opgesteld jegens haar nieuwe werkgever door geen melding te maken van haar verslavingsproblematiek en de eerdere incidenten. Er is naar het oordeel van het college sprake van een risicovolle situatie als verweerster op de door haar voorgestane wijze haar beroep als verpleegkundige wil blijven uitoefenen. Dit alles heeft het college tot de slotsom gebracht dat op dit moment slechts de zwaarste maatregel van doorhaling van de inschrijving van verweerster in het register ex artikel 3 van de Wet BIG in dit geval als een passende maatregel moet worden aangemerkt.

Ter voorlichting van verweerster merkt het college hierbij nog op dat indien zij na verloop van enige tijd - jaren - kan aantonen dat een adequate behandeling van haar verslavingsproblematiek heeft plaatsgevonden op grond waarvan kan worden aangenomen dat het risico op herhaling van het verweten gedrag nihil of verwaarloosbaar is, zij op grond van artikel 50, eerste lid, van de Wet BIG de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan verzoeken om herstel van de inschrijving in het register.

5.9. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden in beide zaken

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissingen in eerste aanleg, hierboven onder 2.1. en 2.2. weergegeven, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep in beide zaken

4.1.      Mede in het licht van het bepaalde in artikel 51 van de Wet BIG vindt het Centraal Tuchtcollege aanleiding beide hoger beroepen samen te beoordelen en te beslissen.

4.2.      Het hoger beroep van de verpleegkundige in de beide zaken richt zich tegen de aan haar opgelegde maatregel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De verpleegkundige concludeert - zakelijk weergegeven - tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot oplegging van een minder zware maatregel.

4.3.      In de zaak met nummer C2013.255 heeft klaagster gemotiveerd verweer gevoerd en zij heeft zich ten aanzien van de op te leggen maatregel gerefereerd naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege. In de zaak met nummer C2013.256 hebben klaagsters eveneens gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot handhaving van de bestreden beslissing.

4.4.      Op grond van de stukken en hetgeen over en weer ter terechtzitting door partijen nognaar voren is gebracht is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege in de zaak met nummer 12/159Vp (waarvan hoger beroep in de zaak met nummer C2013.255) terecht de beide klachtonderdelen gegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verenigt zich met de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en maakt deze tot de zijne. Tevens is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege in de zaak met nummer  12/475Vp (waarvan hoger beroep in de zaak met nummer C2013.256) terecht het eerste, tweede en vierde klachtonderdeel gegrond en het derde klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. Behoudens de overwegingen betreffende de op te leggen maatregel verenigt het Centraal Tuchtcollege zich met de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en maakt deze tot de zijne.

4.5.      Het Centraal Tuchtcollege ziet zich gesteld voor de vraag of de verpleegkundige als gevolg van haar gedragingen die aan de klachtonderdelen ten grondslag liggen zodanig structureel tekortschiet in de van haar als beroepsbeoefenaar te verwachten zorg, dat haar geen kans meer gegeven moet worden om haar werkzaamheden als verpleegkundige te blijven uitoefenen. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt die vraag ontkennend. Het is van oordeel dat in hoger beroep in voldoende mate is gebleken dat de verpleegkundige aanspreekbaar is op de haar verweten gedragingen en dat zij zich thans volledig inzet om  dergelijk uit haar persoon voortkomend gedrag met professionele ondersteuning en begeleiding “aan te pakken”. Daartoe wordt het volgende in aanmerking genomen. De verpleegkundige heeft aangevoerd dat zij is gestopt met het werken voor een uitzendbureau naast haar werkzaamheden in dienstverband, dat zij geen nachtdiensten meer draait en dat zij bewust heeft gekozen voor een functie met minder verantwoordelijkheden en zonder sleutelbeheer. De verpleegkundige heeft verklaard dat zij contact heeft opgenomen met O. Verslavingszorg voor therapie ten behoeve van de verwerking van problemen uit het verleden, dat zij die therapie op eigen verzoek heeft voortgezet en dat zij thans nog eens per twee weken een afspraak heeft met haar therapeut aldaar. Tevens heeft zij verklaard dat zij zich, overeenkomstig het advies van de O. stichting, op korte termijn zal aanmelden voor een zelfhulpgroep voor mensen met een middelenafhankelijkheid om te voorkomen dat zij een terugval zal hebben met betrekking tot het drugsgebruik. Ook heeft de verpleegkundige aangevoerd dat zij de ernstige persoonlijke omstandigheden van haar (ex-) partner destijds heeft kunnen doorstaan zonder een terugval te hebben in drugsgebruik en dat zij inmiddels 13 maanden drugsvrij is.

4.6.      Het Centraal Tuchtcollege is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de verpleegkundige genoegzaam de  motivatie en inzet toont om de haar verweten gedragingen in de toekomst te voorkomen. De verpleegkundige dient de kans te krijgen de door haar ingeslagen weg voort te zetten. Daarbij wordt in overweging genomen dat niet gebleken is dat de verpleegkundige in het verleden is tekortgeschoten in haar functioneren als zodanig. Daarom zal de verpleegkundige een minder vergaande maatregel worden opgelegd. Het beroep in de zaak met nummer C0213.255 en in de zaak met nummer C2013.256 slaagt in zoverre.

4.7.      Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het Centraal Tuchtcollege dat gelet op de ernst van het tuchtrechtelijke verwijt dat de verpleegkundige gemaakt kan worden, nog steeds een zware maatregel passend en geboden is. Het Centraal Tuchtcollege zal alles afwegend de maatregel van schorsing van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register voor de duur van één jaar opleggen. De maatregel wordt geacht te zijn opgelegd in beide zaken. Deze schorsing zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd , zoals in het dictum te bepalen. Met deze maatregel wil het Centraal Tuchtcollege tot uitdrukking brengen dat de verpleegkundige een laatste kans wordt gegund. Het is het Centraal Tuchtcollege na de zitting ambtshalve bekend geworden dat de verpleegkundige in verband met het verstrijken van de termijn voor herregistratie is doorgehaald.

4.8.      Het Centraal Tuchtcollege zal op proceseconomische gronden beide beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege vernietigen voor wat betreft de opgelegde maatregel en ten aanzien daarvan opnieuw recht doen.

4.9.      Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal op de voet van artikel 71 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en op na te melden wijze publicatie worden gelast van deze beslissing.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in de zaak met nummer C2013.255 en in de zaak met nummer C2013.256:

vernietigt de beslissingen waarvan hoger beroep;

en in zoverre op nieuw rechtdoende:

legt aan de verpleegkundige de maatregel op:

schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van één jaar, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Centraal Tuchtcollege later anders mocht bepalen op grond dat de verpleegkundige zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat de verpleegkundige wederom in het BIG-register is ingeschreven;

bepaalt voorts dat als bijzondere voorwaarden hebben te gelden: 

a. dat de verpleegkundige de schematherapie bij de O. stichting afmaakt;

b. dat de verpleegkundige zich binnen twee weken na deze uitspraak aanmeldt voor de zelfhulpgroep voor mensen met een middelenafhankelijkheid en dat zij de in deze groep te geven hulp en behandeling naar genoegen van de O. stichting voltooit,

c. dat indien de schematherapie en/of participatie in de zelfhulpgroep naar genoegen van de O. stichting zijn/is voltooid, de verpleegkundige hiervan mededeling doet aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg,

bepaalt dat, indien de verpleegkundige een of meer van de bijzondere voorwaarden niet naleeft het Centraal Tuchtcollege alsnog de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de hiervoor opgelegde maatregel kan gelasten;   

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan de tijdschriften Nursing, Tijdschrift voor Verpleegkundigen (TvZ) en Skipr met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. J.P. Fokker, leden juristen en P. Nieuwenhuizen-Berkovits en P. van der Zee, leden- beroepsgenoten en mr. drs. E.E. Rippen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van

4 maart 2014.                         Voorzitter   w.g.                     Secretaris w.g.