Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2020:3
Datum uitspraak:
07-01-2020
Datum publicatie:
07-01-2020
Zaaknummer(s):
zaaknummer C/13/670422 / DW RK 19/410
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De klacht betreft het toezenden van gevraagde stukken. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens. Verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 7 januari 2020 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 23 juli 2019 met zaaknummer C/13/652403 / DW RK 18/432 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/670422 / DW RK 19/410 ED/WdJ ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klager,

 

tegen:

 

mr. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 7 augustus 2018, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 24 oktober 2018, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.Bij beslissing van 23 juli 2019 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij brief, ingekomen op

2 augustus 2019, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 november 2019 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 7 januari 2020.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           Bij verstekvonnis van de kantonrechter te Utrecht van 20 december 2006 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag. Het vonnis is bij exploot van 9 januari 2007 aan klager betekend.

-           Bij e-mail van 5 november 2017 heeft klager verzocht om alle onderliggende stukken die de vordering staven.

-           Bij brief van 6 november 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder klager een overzicht van de openstaande vordering toegezonden.

-           Bij e-mail van 16 november 2017 heeft klager nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken.

-           Bij e-mail van 21 november 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder klager aanvullende documenten toegezonden. Hierop heeft klager op diezelfde datum nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken.

-           Bij brief van 16 juli 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gesommeerd tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan teneinde executiemaatregelen te voorkomen.

-           Bij e-mail van 18 juli 2018 heeft klager de vordering betwist en nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder op diezelfde datum gereageerd.

-           Bij e-mail van 19 juli 2018 (gedagtekend 19 november 2018) heeft klager de gerechtsdeurwaarder nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken die de vordering staven.

-           De gerechtsdeurwaarder heeft klager bij e-mail van 19 juli 2018 verzocht aan te geven welke stukken hij, buiten het reeds overgelegde vonnis, bedoeld met onderliggende stukken. Hierop heeft klager bij e-mails van 20 en 21 juli 2018 gereageerd.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat er executiekosten in rekening worden gebracht die hem onbekend zijn en de gerechtsdeurwaarder hem na herhaaldelijke verzoeken blijft weigeren de gevraagde stukken toe te sturen.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Omdat een kantoor geen beklaagde kan zijn wordt, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696), de in aanhef vermelde en aan het kantoor te [ ] verbonden gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt, nu de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat de klacht kan worden geacht te zijn gericht tegen haar. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet. 

 

4.3 Uit de overgelegde producties blijkt dat klager op 5 november 2017 heeft verzocht om onderliggende stukken die de vordering staven. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager een overzicht van de openstaande vordering toegezonden. Nadat klager op 16 november 2017 nogmaals had verzocht om alle onderliggende stukken heeft de gerechtsdeurwaarder hem op 21 november 2017 het vonnis van 20 december 2006 alsmede een overzicht van de huurachterstand toegezonden. Klager heeft op diezelfde datum nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken, maar heeft hierbij niet aangegeven welke stukken hij beoogde te ontvangen.

 

4.4 Klager heeft naar aanleiding van de sommatiebrief van de gerechtsdeurwaarder van 16 juli 2018, op 18 juli 2018 nogmaals verzocht om alle onderliggende stukken. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder verwezen naar de stukken die zij eerder in november 2017 aan klager heeft verzonden. Nadat klager de gerechtsdeurwaarder op 19 juli 2018 nogmaals om de onderliggende stukken heeft verzocht, heeft de gerechtsdeurwaarder klager gevraagd te specificeren welke onderliggende stukken klager bedoelt te willen ontvangen. Op 21 juli 2018 heeft klager duidelijk gemaakt dat hij een specificatie van de executiekosten wilde ontvangen. De voorzitter overweegt dat de gerechtsdeurwaarder op verzoeken van klager stukken ten aanzien van de openstaande vordering heeft toegezonden. Het had op de weg van klager gelegen om eerder duidelijk te maken welke specifieke stukken hij wilde ontvangen. Dat klager niet eerder specifiek heeft aangeven dat hij een specificatie van de executiekosten wilden ontvangen, kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klager aangevoerd dat hij steeds duidelijk heeft aangegeven dat hij alle onderliggende stukken wilde ontvangen. Dat een specificatie van de executiekosten daar onderdeel van zijn, spreekt voor zich, aldus klager.

 

6.2 Klager heeft verder aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder de bedragen op de vordering naar willekeur verandert.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan dan ook niet worden ontvangen in zijn klacht als vermeld onder 6.2.

 

7.2De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

 

7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-     verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. E. Diepraam, plaatsvervangend-voorzitter, mr. D. Bode en M.F.A. Driesenaar, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens