Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2019:184
Datum uitspraak:
13-12-2019
Datum publicatie:
09-01-2020
Zaaknummer(s):
C/13/670789 DW/RK 19/435
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
beslissing op verzet. In verzet kunnen geen nieuwe klachten worden ingediend. Voorzitter heeft de juiste maatstaf gehanteerd. Klager heeft reeds meerdere keren geklaagd over hetzelfde feitencomplex.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 13 december 2019 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 30 juli 2019 met zaaknummer C/13/662775 / DW RK 19/106 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/670789 / DW RK 19/435ED/RHingesteld door:

 

1. [..],

2. [..],

wonende te [..],

klagers,

 

tegen:

 

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

gemachtigde: [..].

 

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 1 maart 2019, aangevuld op 9 maart 2019, hebben klagers een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder.Bij verweerschrift, ingekomen op 4 april 2019, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. In verband met het toesturen van nadere stukken door klagers heeft de gerechtsdeurwaarder op 31 mei 2019 een aanvullend verweerschrift ingediend. Bij beslissing van 30 juli 2019 heeft de voorzitter de klacht gedeeltelijk als kennelijk niet ontvankelijk en gedeeltelijk als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klagers is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij brief, ingekomen op 13 augustus 2019, hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 november 2019, alwaar klagers en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 13 december 2019.

 

1. De ontvankelijkheid van het verzet

Klagers  hebben verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet  kunnen worden ontvangen.

 

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a)    Op 31 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch ten nadele van klager sub 1 een vonnis gewezen.

b)    Dit vonnis is bij exploot van 3 februari 2012 aan klager sub 1 betekend. Bij exploot van 10 februari 2012 is herhaald bevel gedaan aan klager sub 1.

c)    Bij beslissing van 20 november 2012 (zaaknummer 530.2012) heeft de kamer voor gerechtsdeurwaarders, op een door klagers gedaan verzet tegen een voorzittersbeslissing (zaaknummer 184.2012), de beslissing van de voorzitter vernietigd en de klacht van klagers deels gegrond verklaard. (ECLI:NL:RBAMS:2012:YB0900).

d)    Bij beslissing van 17 december 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders als hiervoor onder 1.c vermeld vernietigd en de klacht van klagers in zijn geheel ongegrond verklaard (ECLI:NL:GHAMS:2013:4962).

e)    Bij beslissing van 9 april 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij een door klager sub 1 ingestelde vordering was afgewezen, bekrachtigd. In het arrest is het gerechtshof ingegaan op een stelling van klager sub 1 dat hem geen grosse van het vonnis (van 31 januari 2012) was betekend. In r.o. 4.5.3 heeft het gerechtshof onder meer overwogen dat: De stelling van (appellant) dat er geen betekening heeft plaatsgevonden, althans een non-existente betekening is gedaan, moet voorshands onjuist worden geacht. Een door een bevoegde deurwaarder uitgebracht exploot is rechtsgeldig totdat de nietigheid is vastgesteld.” 

f)     Bij beslissing van 28 mei 2013 heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de onder 1a genoemde beslissing van de voorzieningenrechter - samengevat - deels vernietigd, de gevraagde voorzieningen deels opnieuw verleend, klager sub 1 (gemaximeerde) dwangsommen opgelegd, het vonnis voor het overige bekrachtigd en onder meer klager sub 1 veroordeeld in de proceskosten.

 

3. De oorspronkelijke klacht

3.1 De gerechtsdeurwaarder wordt door klagers beschuldigd van - en verantwoordelijk gehouden voor oplichting, bedrog, vals spel in samenhang met het gebruik van voor klager sub 1 geheim gehouden brieven (side letters), ingebracht bij de [..], respectievelijk op 3 juni 2013 en 22 november 2013. Het executoriaal derdenbeslag bij het ABP, met gebruikmaking van de side letters is schokkend te noemen, te meer daar het ABP ingevolge de wet, de opdrachten van een gerechtsdeurwaarder dient uit te voeren.

3.2 In strijd met de uitkomst van het arrest van 28 mei 2013 (HD 200.103.021/01), waarin het maximum van de te vorderen dwangsom is bepaald op € 30.000,00 (r.o. 5.8 en 5.9), wordt in de geheime side letter van 22 november 2013, gericht aan het ABP, dit bedrag opeens gesteld op € 57.006,82 + verdere rente, (boekings-) kosten + P.M. In deze side letter wordt verwezen naar twee verschillende dossiers, waarvan het dossier met nummer 20135076 niet blijkt te bestaan. In de eerder verzonden side letter van 3 juni 2013 van een gerechtsdeurwaarder van het illegale gerechtsdeurwaarderskantoor [..] met verwijzing naar het arrest van 28 mei 2013, wordt duidelijk verwezen naar het maximum te vorderen bedrag van € 30.000.00.

3.3 Het bedrog en de oplichting vanaf 2011 wordt als volgt samengevat:

-     in de dagvaarding van 7 oktober 2011 is door eiseressen de kort geding terechtzitting op de verhinderdatum 27 oktober 2011 vastgesteld;

-     de behandeling en beoordeling heeft op deze verhinderdatum 27 oktober 2011 plaatsgevonden;

-     na een ingeroepen wraking is vonnis gewezen op 27 en 31 oktober 2011 met een herstelvonnis dat in strijd is met artikel 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

-     deze terechtzitting heeft geresulteerd in een toegewezen wraking op 29 november 2011;

-     het daarna gewezen kort geding vonnis van 31 januari 2012 heeft twee verschillende versies opgeleverd;

-     volgens de beslissing van kamer voor gerechtsdeurwaarders op 20 november 2012, zijn beide versies niet aan te merken als een executoriale titel waarop geëxecuteerd kan worden;

-     het executoriaal derdenbeslag bij het ABP is gelegd met gebruikmaking van de uitkomst van het kort geding vonnis van 31 januari 2012;

-     het executoriaal derdenbeslag bij het ABP is ten uitvoer gelegd in strijd met artikel 430 lid 3 en 439 lid 3 Rv, daar geen betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden zoals voor de tenuitvoerlegging is vereist;

-     het arrest in hoger beroep van 28 mei 2013 is aantoonbaar valselijk opgemaakt;

-     in het arrest van 28 mei 2013 is het maximum van het gevorderde bedrag, ingevolge r.o. 5.8 en 5.9, bepaald op € 30.000,00;

-     er is bij het executoriaal derdenbeslag bij het pensioenfonds ABP, door twee verschillende gerechtsdeurwaarders gebruik gemaakt van de side letters van 3 juni 2013 en 22 november 2013;

-     in de side letter van 22 november 2013 wordt een niet bestaand dossiernummer vermeld met een vordering van totaal € 57.006,82, geheel in strijd met het maximaal te vorderen bedrag;

-     de limiet van het onverschuldigde bedrag van € 30.000,00 is reeds sinds december 2013 overschreden;

-     na 55 uitgereikte exploten is de kwalificatie juridische terreur gerechtvaardigd.

3.4. Klagers verwijzen naar de door hen bijgevoegde bewijsstukken waarvan een historisch overzicht met een toelichting hieronder wordt weergegeven:

      I.         Op 31 januari 2012 is in kortgeding een vonnis gewezen door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch. (KG 237154/KGZA 11-706). Dit vonnis is in twee verschillende versies uitgegeven, waarvan de kamer voor gerechtsdeurwaarders op 20 november 2012 heeft vastgesteld dat beide versies geen executoriale titel zijn en hier niet op betekend is noch kan worden op grond van de artikel 231 en 430 lid 3 Rv. (zaaknummer 530.2012). Op 3, 10 en 15 februari 2012 heeft een gerechtsdeurwaarder verbonden aan het illegale gerechtsdeurwaarderskantoor [..] exploten uitgereikt, die geen van alle betekend zijn, zoals de wet voor de tenuitvoerlegging vereist. Het bewijs hiervan wordt gevonden in de exploten zelf, alsmede in de annotatie van J.W. Westenberg van 9 april 2013, op het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 april 2013. Dat geen betekening heeft plaats gevonden is tevens vastgesteld op 29 augustus 2018 in het proces-verbaal van constatering van gerechtsdeurwaarder [..].

    II.         Op 28 mei 2013 is in hoger beroep arrest gewezen door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, waar in r.o. 5.8 en 5.9 het maximum te vorderen bedrag is bepaald op € 30.000.00.

  III.         Op 26 augustus 2013 is het dossier van het illegale kantoor [..], om voorshands onbekende redenen, overgedragen aan het gerechtsdeurwaarderskantoor [..] te Amsterdam.

  IV.         Op 20 september 2013 is van de gerechtsdeurwaarder een exploot ontvangen; het exploot draagt het dossiernummer 20133414/AMS en verwijst naar het executoriaal gelegde beslag bij het pensioenfonds ABP op grond van een beweerdelijk betekend kort geding vonnis van 31 januari 2012 en de grosse van het op 28 mei 2013 gewezen arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. In afwijking van het gestelde maximum van € 30.000.00 in r.o. 5.8 en 5.9, van dit arrest wordt het te vorderen bedrag in dit exploot -zonder enige onderbouwing- gesteld op € 54.591,95, dit in strijd met het betekende exploot van 31 mei 2013.

    V.         Op 20 september 2013 is door klager een stuitingsexploot ontvangen; het exploot draagt eveneens het dossiernummer 20133414/AMS.

  VI.         Na het opvragen van het dossier bij de gerechtsdeurwaarder door de advocaat van klagers, is op 29 oktober 2018 een overzicht ontvangen van de gerechtsdeurwaarder. Onderlinge vergelijking van de diverse beweerde overzichten van zaken, toont een grote discrepantie tussen de verschillende vorderingen, variërend van € 30.000,00 tot € 54.591,95.

VII.         Bij ontvangst van dit zaakdossier van [..] is een brief van 3 juni 2013 aangetroffen, gericht aan de Stichting Pensioenfonds ABP, p.a. APG, afkomstig van LAVG vestiging Eindhoven. Deze brief vermeldt de beperking van het gevorderde bedrag tot € 30.000,00 conform r.o. 5.8 en 5.9 van het arrest van 28 mei 2013. Deze brief is niet in afschrift aan klager beschikbaar gesteld, waardoor gesproken kan worden van een geheim gehouden brief (lees ‘side letter’). De inhoud en strekking van de brief van 3 juni 2013 is door de gerechtsdeurwaarder volledig genegeerd als zijnde niet van belang dan wel niet bestaand. Ook in de volgende rechterlijke beslissingen wordt dit maximum van € 30.000,00 expliciet vermeld en nog eens bevestigd:

1. Het kort geding vonnis van [..], d.d. 20 april 2016, zaaknummer C10/485523/ HA ZA 15-1002;

2. Het kort geding vonnis van mr. [..] d.d. 19 oktober 2016, zaaknummer CJ10/507071J KG ZA 16-875;

3. Het arrest van 22 mei 2018, zaaknummer 200.204.788/01

VIII.         Tussen 11 oktober 2018 en 2 januari 2019 heeft de advocaat van klagers 13 relevante vragen gesteld aan de gerechtsdeurwaarder. Op deze vragen zijn slechts ontwijkende antwoorden ontvangen. Dit is verwoord in een schrijven van klager aan de gerechtsdeurwaarder op 10 januari 2019. Op 12 december 2018 heeft de advocaat van klagers naar aanleiding van zijn reeds eerder aan de gerechtsdeurwaarder gestelde vragen, een schrijven verzonden naar het ABP met vijf relevante vragen ten einde opheldering te verkrijgen over de reeds ingehouden bedragen en of de limiet reeds gepasseerd is. Een antwoord is nimmer verkregen.

  IX.         Na een telefonisch onderhoud met een medewerker van het ABP, heeft de medewerker tot verbijstering van klager sub 1 bij inzage van het dossier een tweede geheime eenzijdige side letter van 22 november 2013 van de gerechtsdeurwaarder aangetroffen, met vermelding van “strikt vertrouwelijk”. De in dit schrijven vermelde dossiernummers zijn 20135076/AMS en 20133414 /AMS.

-     In deze eenzijdige side letter worden de volgende gebreken en verzuimen vastgesteld:

-     Het dossier met nummer 20135076 is niet bekend en van het bestaan van dit dossier is ook niet gebleken;

-     Dit dossier is ook niet vermeld in het zaakoverzicht van de gerechtsdeurwaarder aan de advocaat van klagers van 29 oktober 2018;

-     Het dossier met nummer 20133414 is wel bekend, maar de bedragen wijken volledig af van het op 3 juni 2013 gestelde en het gestelde in 5.8 en 5.9 r.o. van het arrest van 28 mei 2013 en het betekende exploot van 31 mei 2013;

-     In deze tweede side letter ontbreken, verwijzingen, onderbouwing, motivering, data en relevante gegevens.

 

In bijlage 15 is door klagers een financieel overzicht gegeven van alle aan klager sub 1 uitgereikte exploten, waaruit de inconsistenties van de gevorderde bedragen en de onregelmatigheden blijken. Bijlage 16 bevat nog een toelichting op deze exploten.

 

3.5 De conclusie van dit alles is volgens klagers dat de integriteit van de gerechtsdeurwaarder in het geding is;

-     Er is sprake van misleiding van het ABP en klager sub 1;

-     De gedragingen en handelwijze van deze gerechtsdeurwaarder zijn zonder voorbehoud te kwalificeren als strafbaar, oplichting en listige kunstgrepen ex art. 326 Wetboek van Strafrecht (Sr) e.v.;

-     Het gebruik van eenzijdige side letters duidt op bedrog en oplichting;

-     De gedragingen gaan alle perken te buiten en vragen om een direct en adequaat ingrijpen zijdens de kamer;

-     De gerechtsdeurwaarder is ingevolge zijn ambtseed volledig verantwoordelijk voor zijn handelingen, gedragingen en de tenuitvoerlegging;

-     De gerechtsdeurwaarder heeft als ambtenaar in functie misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden ex artikel 3:13 en 3:14 van het Burgerlijk Wetboek;

-     De aanvulling op de reeds gedane strafaangifte ligt gereed;

 

3.6 Klagers verzoeken de kamer een grondig onderzoek in te stellen naar de juistheid van de feiten, gedragingen en handelwijze van de gerechtsdeurwaarder.

-     De vraag te beantwoorden of de gerechtsdeurwaarder zich mag bedienen van geheim gehouden side letters aan het ABP en klager sub 1 dat alle kenmerken vertoont van misleiding en bedrog ex 326 Sr e.v.;

-     De vraag te beantwoorden of deze gerechtsdeurwaarder zich gedragen heeft zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamt;

-     De vraag te beantwoorden of er termen aanwezig zijn de gerechtsdeurwaarder uit zijn ambt te ontzetten, dan wel die maatregelen te nemen die de kamer geraden acht;

-     De gerechtsdeurwaarder te bevelen de executie en / of de beslaglegging onverwijld te staken.

 

4. De beslissing van de voorzitter

4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn de gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder, kandidaat-gerechtsdeurwaarder en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding, aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

4.2 De voorzitter stelt allereerst vast dat de door klagers genoemde “side-letter” (de brief van 3 juni 2013) afkomstig is van een andere gerechtsdeurwaarder dan de beklaagde gerechtsdeurwaarder. De verzending van deze brief en inhoud daarvan regarderen de (beklaagde) gerechtsdeurwaarder op geen enkele wijze en deze brief en de inhoud daarvan kan hem niet worden tegengeworpen.

4.3 Ten aanzien van de side letter van 22 november 2013 inzake de dossiers 20135076 en 20133414 overweegt de voorzitter als volgt. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn verweer afdoende uitgelegd  waar de twee dossiers betrekking op hadden. Dossier 20133414 heeft betrekking op het verbeuren van de dwangsommen zoals genoemd in 5.6 (€ 30.000,00) en 5.8 (€ 30.000,00) van het hiervoor onder 1f van de feiten genoemde arrest. De dwangsommen zijn klager aangezegd en worden periodiek gestuit. Het (volgens de gerechtsdeurwaarder inmiddels gesloten) dossier 20135076 had betrekking op een zogeheten verdeeldossier. Een andere partij had eveneens een vordering op klager en heeft deze ingediend ter verdeling van de door het kantoor van beklaagde ontvangen gelden. Aangezien onder de Stichting Pensioenfonds ABP beslag werd gelegd, is voornoemde stichting op de hoogte gesteld van het verdeeldossier en werd voornoemde stichting verzocht de afdrachten voort te zetten. Het betreft hier een mededeling aan het ABP waarvan niet valt in te zien op welke wijze dit tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn.

4.4 Hetgeen door klagers in de “Preambule” wordt gesteld met betrekking tot de aan klager sub 1 opgelegde dwangsom, berust op een verkeerde lezing door klagers van dit arrest. Klager sub 1 is van mening dat het maximum van het te vorderen bedrag aan dwangsommen is bepaald op een bedrag van € 30.00,00. Zoals door de gerechtsdeurwaarder onder 1.2 tot en met 2.8 van zijn verweerschrift terecht uiteen is gezet, zijn bij dit arrest aan klager sub 1 onder 5.2 en 5.6 twee verboden opgelegd. Aan overtreding van elk van voormelde verboden is een dwangsom van € 10.000,00 per keer verbonden met een maximum van € 30.00,00. In 5.8 van het arrest heeft het gerechtshof het vonnis, waartegen het ingestelde hoger beroep was gericht, bekrachtigd. Deze bekrachtiging betrof een aan klager sub 1 opgelegd gebod, waaraan het gerechtshof eveneens een dwangsom van € 10.000,00 per keer met een maximum van € 30.000,00 heeft verbonden. In totaal kunnen dus, als de opgelegde verboden en het gebod worden overtreden, 3 x € 30.000,00 = € 90.000,00 aan dwangsommen worden verbeurd.

 

4.5 Voor een verdergaande beoordeling door de tuchtrechter is geen plaats. Een beoordeling of die verboden of het gebod zijn overtreden gaat de bevoegdheid van de tuchtrechter te buiten. Iemand die het niet eens is met de tenuitvoerlegging van volgens de andere partij verbeurde dwangsommen dient dit voor te leggen aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd of aan de executierechter. Klagers zijn zich hiervan bewust zoals blijkt uit het door hen overgelegde tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2019. Meer in het bijzonder uit hetgeen staat vermeld in dat vonnis onder r.o. 3.1. onder f en r.o. 3.2 onder 7, 14, 16 en 17. Daarin worden door klagers vorderingen ingesteld die zien op de volgens klagers onrechtmatig geinde dwangsommen en de hoogte daarvan (ECLI:NL:RBROT:2019:4357.

 

4.6 Hetgeen verder door klagers in de klacht onder “Ab initio” naar voren is gebracht (het betreft hier hetgeen door klagers wordt aangemerkt als een valselijk opgemaakt arrest, de nietigheid van uitgebrachte exploten wegens het ontbreken van bewijs van betekening en de rechtsgeldigheid van het arrest van 28 mei 2013), stuit af op het rechtsbeginsel ne bis in idem dat op grond van rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam ook in tuchtprocedures geldt. Deze punten zijn reeds aan de orde geweest in door klager tegen gerechtsdeurwaarders van het kantoor[..]ingediende klachten in de navolgende zaken, waarbij de klachten zowel bij voorzittersbeslissing als in het tegen die beslissingen ingestelde verzet (kennelijk) ongegrond, dan wel (kennelijk) niet ontvankelijk zijn verklaard.

 

zaaknummer

soort

datum

uitkomst

955.2013

voorzitter

18-3-2014

kennelijk ongegrond

259.2014

kamer op verzet

10-2-2015

ongegrond

349.2014

voorzitter

19-11-2014

kennelijk niet-ontvankelijk

935.2014

kamer op verzet

3-3-2015

ongegrond

955.2015

voorzitter

19-1-2016

kennelijk niet-ontvankelijk

126.2016

kamer op verzet

31-5-2016

ongegrond

995.2016

voorzitter

21-2-2017

kennelijk niet-ontvankelijk

250.2017

kamer op verzet

8-8-2017

ongegrond

1025.2017

voorzitter

14-11-2017

kennelijk niet-ontvankelijk

1165.2017

kamer op verzet

29-5-2018

Ongegrond

 

4.7 Ten overvloede wordt overwogen dat op grond van vaste rechtspraak van de kamer en het gerechtshof Amsterdam geldt dat er in een tuchtprocedure ook geen plaats is voor een onderzoek naar de rechtsgeldigheid of echtheid van een vonnis/arrest of nietigheid van betekende exploten. De rechtsgeldigheid of echtheid daarvan staat vast tot een civiele (hogere) rechter anders heeft beslist.

4.8 De verwijzing door klagers naar de beslissing van de kamer van 20 november 2012 treft evenmin doel. Die beslissing is vernietigd door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 17 december 2013. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een door klager sub 1 ingesteld hoger beroep bij arrest van 9 april 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7408) voorshands aangenomen dat het vonnis van 31 januari 2012 op rechtsgeldige wijze aan klager sub 1 is betekend. Ook in het door klager onder 2.5 VII onder 2 door klagers aangehaalde vonnis van 19 oktober 2016 wordt in de rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 aandacht besteed aan de beslissing van de kamer met als conclusie dat de bodemrechter in zijn beslissing van 20 april 2016 (door klagers vermeld onder 2.5 punt VII onder 3), hierover al een oordeel heeft gegeven. Die laatste beslissing is door het gerechtshof Den Haag bij beslissing van 22 mei 2018 bekrachtigd (ECLI:NL:GHDHA:2018:1150). Nu bij in kracht van gewijsde gegaan arrest door de bodemrechter op deze punten is beslist, heeft het door klagers aangevoerde bewijs, de annotatie van J.W. Westenberg van 9 april 2013, op het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 april 2013 en hetgeen in het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder[..]d.d. 29 augustus 2018 is geconstateerd, geen enkele betekenis meer.

4.9 Voor het door klagers verzochte onderzoek is geen aanleiding. Voor het beantwoorden van vragen -als het antwoord daarop al niet voortvloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen- is de tuchtprocedure niet bedoeld.

4.10 De taakverdeling tussen de strafrechter en de tuchtrechter brengt ten slotte mee dat de vraag of de beklaagde gerechtsdeurwaarder zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten - welk verwijt klagers de gerechtsdeurwaarder ook maken -  niet ter beoordeling staat van de tuchtrechter. De voorzitter gaat dan ook voorbij aan het gemaakte strafrechtelijke verwijt dat de gerechtsdeurwaarder zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en listige kunstgrepen, misleiding en bedrog en de stukken die daarop zien. Op deze grond wordt ook voorbijgegaan aan de door klagers toegezonden tussenbeslissing van het Gerechtshof Den Haag.

 

4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klagers als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

5. De gronden van het verzet

Klagers hebben in verzet het volgende aangevoerd.

De gronden van het verzet zijn gelegen in het schofferen van de ambtseed door [..], het ontkennen van de wetten en voorschriften op zijn ambt van toepassing, die tevens ontleend zijn aan het procesrecht, dat geen verjaring kent.

De grieven van verzet:

Ad 4.2

Ten onrechte wordt gesteld dat de ‘side letter’ van 3 juni 2013 niet onder de jurisdictie van het gerechtsdeurwaarderskantoor en / of gerechtsdeurwaarder [..]zou vallen. Met nadruk wordt gesteld dat Gerechtsdeurwaarderskantoor [..] op 26 augustus 2013 het gehele dossier van het illegale kantoor [..] heeft overgenomen met alle lusten en lasten, zonder enige beperking.

Ad 4.3

De gerechtsdeurwaarder heeft niets verklaard dat enige conformiteit met de feiten

vertoont, niets gebaseerd op een betekend exploot. Het eerste dossier (20133414) heeft betrekking op het arrest van 28 mei 2013, met zaaknummer 200.103.021/01, waarin onder r.o. 5.8 en 5.9 duidelijk is gestipuleerd dat het maximum te vorderen bedrag € 30.000,- bedraagt, niets meer en niets minder. Van cumulatie van deze onrechtmatig opgelegde dwangsommen, zoals wordt vermeld, is geen sprake. Dit is ook in diverse uitspraken vastgelegd in het bijzonder in r. o. 4.15 van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam, d.d. 20 april 2016. Van het overtreden van de verzonnen conditionele waarborgen is geen sprake en daarvan bestaat dan ook geen enkel bewijs.

Het tweede vermelde dossier (20135076) is een niet bestaand dossier, waarvan bij navraag geen enkele nadere info door [..] kon worden verstrekt. Deze aan het ABP gerichte side letter van 22 november 2013 is regelrecht bedrog en een poging tot oplichting ex art. 326 Sr.’

Ad 4.4 en 4.5

Ten onrechte wordt gesteld dat hier sprake zou zijn van een verkeerde lezing van het arrest. Dit is apert onjuist! Naast het feit dat dit arrest van 28 mei 2013 valselijk is opgemaakt ex artikel 227 Sr, volgens vaste jurisprudentie, zijn er diverse uitspraken beschikbaar waaronder de uitspraak van het voormelde vonnis van 20 april 2016 van de Rechtbank Rotterdam (C/10/485523/HA ZA 15-1002) waarin onder r.o. 4.15 duidelijk staat vermeld dat het maximum te betalen bedrag € 30.000,- bedraagt! Al het overig vermelde zijn slechts verzonnen waarborgen, waarvan het juridisch bewijs van inbreuk nooit is geleverd. Het in de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders gestelde is dus pertinent onjuist. Bovendien bestaat er geen enkel wettelijk bewijs noch overgelegd bewijs, dat klagers dit conditionele verbod ooit zouden hebben overtreden!

NB. Processuele nietigheid betreft schendingen van vormvoorschriften van openbare orde met de sanctie van nietigheid bedreigd en kent geen verjaring. Het proces verbaal van constatering van gerechtsdeurwaarder [..] van 29 augustus 2018 is volledig genegeerd als niet relevant. Een botte schoffering van een collega gerechtsdeurwaarder. Zonder enig voorbehoud en onbetwist is in dit proces-verbaal van constatering vastgesteld dat op 3 februari 2012 geen betekening van het kort geding vonnis van 31 januari 2012 heeft plaatsgevonden, door het illegale gerechtsdeurwaarderskantoor LAVG vestiging Eindhoven ex art. 430 lid 3 Rv. Dit valt onder dwingend recht en kan niet vernietigd worden, hetgeen reeds existentiële nietigheid met zich mee brengt en ook niet kan verjaren!

Volledig ten onrechte wordt tot op de dag van vandaag zonder enig overgelegd bewijs de pertinente leugen volgehouden dat betekening van het kort geding vonnis van 31 januari 2012 op 3 februari 2012 zou hebben plaatsgevonden.

De sterke indruk is ontstaan dat deze gerechtsdeurwaarder zich alleen staande kan houden door pertinente en continue leugens te debiteren en hetgeen hem niet welgevallig is te eclipseren. Onderscheid maken tussen materieel en procesrecht valt buiten zijn gezichtsveld.

Ad 4.6 en 4.7

Processuele nietigheden kunnen niet verjaren! Voor het overige wordt gesteld dat de kamer voor gerechtsdeurwaarders zich onttrekt aan haar verantwoordelijkheid en  daarmee de haar opgedragen taken als tuchtrechter verzaakt.

Ad 4.8

Het volgende is een gotspe en een door God verboden leugen! De kamer voor

gerechtsdeurwaarders stelt: “voorshands aangenomen, dat het vonnis van 31 januari 2012 op rechtsgeldige wijze aan klager sub 1 is betekend heeft de annotatie van mr. J W. Westenberg, van  9 april 2013 en hetgeen in het proces-verbaal van

gerechtsdeurwaarder [..] van 29 augustus 2018 is geconstateerd, heeft geen enkele betekenis meer. Deze rechtsopvatting heet in de wetenschap principiële betwijfeling, waarbij getwijfeld kan worden aan het intellectuele niveau en de vooringenomenheid van scribent. Van vernietiging van de beslissing van 20 november 2012 in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam is geen sprake. Ten aanzien van deze nietige beweerdelijk rechtsgeldige beslissing van 17 december 2013 wordt verwezen naar de publicatie ‘het maatschappelijk bedrog van de notaris en gerechtsdeurwaarderskamer bij het gerechtshof Amsterdam’, waaruit blijkt dat we hier te maken hebben met een kamer die iedere wettelijke rechtsgrond mist t.a.v. haar beweerdelijke bevoegdheden. In dit artikel wordt onbetwistbaar aangetoond dat de uitspraak van 17 december 2013 van deze kamer lijdt aan nietigheid en zelfs non  existent is. Ten einde het totaal beeld te kunnen blijven handhaven van deze buitengewoon onverkwikkelijke dubieuze kwestie is het volgende addendum toegevoegd.

Addendum

1. Bij het illegale gerechtsdeurwaarderskantoor [..] kan nooit domicilie gekozen zijn. Derhalve is onbetwistbaar vastgesteld en aangetoond dat op straffe van nietigheid van de exploten van [..]nimmer heeft kunnen voldoen aan de verplichte domicilie keuze ex art. 439 lid 3 Rv.

2. Het directe gevolg is dat gerechtsdeurwaarderskantoren rechtspersoonlijkheid

dienen te bezitten, waarvan zij melding moeten maken op al hun uitgereikte akten en

ambtelijke stukken ingevolge art. 2:186 BW, hetgeen bij gebreke strafbaar is.

3. Klagers beroepen zich op deze wettelijke verplichting van dwingend recht dat

de nietigheid / non-existentie van alle door [..] uitgereikte

exploten ten gevolge heeft. Door de volledige overname van het dossier van [..]

door [..], zonder enige beperking en het voortdurend

beroep doen daarop door [..], lijden de uitgereikte exploten van [..]

eveneens aan nietigheid en is beklaagde medeplichtig geworden aan dit bedrog en

deze vorm van oplichting en schuldheling.

4. Op de meer dan 50 uitgereikte exploten van [..] ontbreekt de wettelijk

verplichte vermelding van rechtspersoonlijkheid van naam en zetel op de exploten,

ingevolge art. 2:186 BW. Een uitgebreide toelichting op de gevolgen van het

ontbreken van de wettelijke verplichte vermelding van de rechtspersoonlijkheid op

de exploten is gegeven in bijgevoegd artikel: ‘de ‘nietigheid van

gerechtsdeurwaardersexploten’.

5. Dit negeren is een schoffering van de ambtseed en maatschappelijke plichten van de gerechtsdeurwaarder als beëdigd openbaar ambtenaar, ingevolge de artikelen 2 en 9 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

6. Volledig ten onrechte beroept beklaagde zich voortdurend op verjaring. Dit is een

juridische misslag, daar voormelde wettelijke processuele vereisten van rechtswege

behoren tot het dwingend procesrecht, niet kunnen verjaren, noch kent het procesrecht belangen van partijen.

7. De volgende passage, is ontleend aan het proefschrift van Dr. F.M.J. Jansen, van de Universiteit van Nijmegen, 1955 adstrueert het boven gestelde:

- “Het is het uitdrukkelijk verbod der wet, dat rechtsgevolgen intreden van processuele verrichtingen, welke niet voldoen aan daaraan gestelde wettelijke voorschriften, voor zover deze van de nietigheidssanctie zijn voorzien, en voor zover het toepassen van deze sanctie niet ter vrije keuze staat van de procespartij, hetgeen, naar wij zagen, het geval is overal waar nietigheid is bedreigd, onafhankelijk van het initiatief of het optreden van de procespartij”.

Conclusie

Alle uitgereikte exploten van [..], alsmede de opeenvolgende gecorreleerde exploten van [..], lijden aan nietigheid en zijn derhalve non-existent.

De vraag rijst in hoeverre ook de kamer en de plaatsvervangend voorzitter verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor deze schandalige fundamentele schendingen van wettelijke voorschriften en juridische misslagen, die geleid hebben tot deze betwiste teleologische uitkomst die getuigen van volledige vooringenomenheid.

Het voortdurend verwijzen naar de civiele rechter is een onttrekking aan de eigen

verantwoordelijkheid en taken van de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Het gebrek aan moreel gezag en integriteit van deze kamer voor gerechtsdeurwaarders is evident.

Gerechtsdeurwaarder [..] heeft toerekenbaar verwijtbaar klachtwaardig gehandeld in strijd met zijn ambtseed.

 

De kamer wordt verzocht:

De uitspraak van de plaatsvervangend voorzitter te vernietigen de klacht in volle omvang opnieuw te beoordelen;

Te bepalen of beklaagde gehandeld heeft conform zijn ambtseed en voorschriften;

Te bepalen of gerechtsdeurwaarder [..] als openbaar ambtenaar gehandeld heeft zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamt.

 

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke behandeling van deze gronden toekomt. Hetgeen klagers hebben aangevoerd tegen de door de voorzitter genomen beslissing, betreft een herhaling van zetten, die reeds meerdere malen door de kamer beoordeeld zijn.

 

6.2 Voor zover klagers nieuwe klachten in verzet hebben aangevoerd,  kunnen zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld.

 

6.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

 

6.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

BESLISSING:

 

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

 

-     verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. E. Diepraam, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M. Nijenhuis en M.F.A. Driesenaar, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2019, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens