Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:169
Datum uitspraak:
17-07-2018
Datum publicatie:
18-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/637890 / DW RK 17/1073
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Bij een huurachterstand van drie maanden wordt de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde naar vaste jurisprudentie door de kantonrechter toegewezen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door klaagster te dagvaarden. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven, daaronder ook begrepen e-mails, met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso of executie binnen een redelijke termijn beantwoordt. De reacties van de gerechtsdeurwaarders van 25 oktober 2017 die volgden op de e-mails van 2 en 3 oktober 2017 vallen ruimschoots buiten datgene wat begrepen kan worden als redelijk termijn. Dat de gerechtsdeurwaarders zich niet wilden mengen in het inhoudelijke geschil tussen klaagster en hun opdrachtgever is begrijpelijk en in die zin niet tuchtrechtelijk laakbaar, maar de gerechtsdeurwaarders hadden dit op zijn minst (eerder) kunnen mededelen aan klaagster. Dit te meer nu er al eerder problemen tussen klaagster en het gerechtsdeurwaarderskantoor hadden voorgedaan. Klacht gegrond, geen maatregel.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 17 juli 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/637890 / DW RK 17/1073 ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

 

tegen:

 

1. [ ],

2. mr. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

3. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden,

gemachtigde: mr. [ ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 30 oktober 2017, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 14 december 2017, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij e-mails van 5 en 30 januari 2018.De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 17 juli 2018.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-                     De gerechtsdeurwaarders zijn (onder meer) belast met een vordering van Woningbouwstichting De Goede Woning op klaagster en haar partner.

-           Naar aanleiding van een eerder ingediende klacht zijn gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 3 bij klaagster op bezoek geweest teneinde de financiële situatie te bespreken. Bij e-mail van 26 mei 2017 hebben de gerechtsdeurwaarders de concrete oplossingen die met klaagster en haar partner zijn besproken aan haar bevestigd.

-                      Bij exploot van 14 september 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 klaagster en haar partner gesommeerd binnen veertien dagen tot betaling over te gaan en gedagvaard te verschijnen tegen de zitting van 30 oktober 2017.

-                      Bij e-mails van 2, 3, 23, 24 en 25 oktober 2017 heeft klaagster onder andere de vordering als opgenomen in de dagvaarding betwist.

-           Bij e-mails van 25 en 26 oktober 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 gereageerd op de e-mails van klaagster.

 

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er over dat:

a: zij met de gerechtsdeurwaarders had afgesproken dat de vordering “on hold” gezet zou worden in afwachting van schuldhulpverlening, maar dat zij toch een dagvaarding heeft ontvangen;

b: de dagvaarding onjuistheden bevat ten aanzien van de vordering en dat de gerechtsdeurwaarders daar niets mee doen, ondanks de betaalbewijzen die zij heeft toegestuurd;

c: de gerechtsdeurwaarders niet hebben gereageerd op haar e-mails. Pas nadat zij bij e-mail van 25 oktober 2017 had aangekondigd (opnieuw) een klacht in te dienen tegen de gerechtsdeurwaarders is er door de gerechtsdeurwaarder sub 2 gereageerd.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

4.2 De klacht is gericht tegen twee met naam genoemde gerechtsdeurwaarders. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) dienen klachten die zijn gericht tegen met naam genoemde gerechtsdeurwaarders te worden afgehandeld als zijnde tegen hen gericht. De in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarders worden daarom als beklaagden aangemerkt. Het verweerschrift zal worden beschouwd als zijnde afkomstig van de genoemde gerechtsdeurwaarders. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet oplevert.

 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de Kamer als volgt. Per e-mail van 26 mei 2017 hebben gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 onder meer aan klaagster bevestigd dat haar zaken in afwachting van het schuldhulptraject “on hold” worden gezet, tenzij de huurachterstand dusdanig hoog wordt dat een vordering tot ontbinding en ontruiming door de kantonrechter kan worden toegewezen. Uit het dagvaardingsexploot van 14 september 2017 en de ter zitting door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat er ten tijde van de dagvaarding sprake was van een betalingsachterstand van drie maanden huur. Bij een huurachterstand van drie maanden wordt de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde naar vaste jurisprudentie door de kantonrechter toegewezen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door klaagster te dagvaarden. Dat de huurachterstand ten tijde van het vonnis van de kantonrechter van 21 december 2017 inmiddels minder dan drie maanden was maakt voorgaande niet anders.

 

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de Kamer als volgt. Klaagster verschilt met de gerechtsdeurwaarders van mening over de hoogt van de vordering.

Het ligt echter niet op de weg van de tuchtrechter op de inhoudelijke beoordeling van dit geschil in te gaan. Klaagster zal zich met de voorzetting van dit geschil (wederom) moeten wenden tot de gewone rechter.

 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de Kamer als volgt. Klaagster heeft per e-mail op 2, 3 (en 23, 24 en 25) oktober 2017 om een reactie verzocht op de aan haar betekende dagvaarding van 14 september 2017. In haar e-mail van 2 oktober heeft klaagster eveneens geïnformeerd naar de stand van zaken in een ander dossier, welke nauw verbonden is met de onderhavige zaak. In beide gevallen heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 eerst op 25 oktober 2017 gereageerd op de

e-mails van klaagster. De gerechtsdeurwaarders stellen dat een reactie op de e-mails in eerste instantie lang is uitgebleven omdat de inhoud van de e-mails zagen op de inhoud van de vordering en een betwisting van die vordering. Nu in de dagvaarding duidelijk was opgenomen welke stappen klaagster diende te ondernemen bij een betwisting, hebben de gerechtsdeurwaarders het niet nodig gevonden om te reageren. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven, daaronder ook begrepen e-mails, met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso of executie binnen een redelijke termijn beantwoordt. De reacties van de gerechtsdeurwaarders van 25 oktober 2017 die volgden op de e-mails van 2 en

3 oktober 2017 vallen ruimschoots buiten datgene wat begrepen kan worden als redelijk termijn. Dat de gerechtsdeurwaarders zich niet wilden mengen in het inhoudelijke geschil tussen klaagster en hun opdrachtgever is begrijpelijk en in die zin niet tuchtrechtelijk laakbaar, maar de gerechtsdeurwaarders hadden dit op zijn minst (eerder) kunnen mededelen aan klaagster. Dit te meer nu er al eerder problemen tussen klaagster en het gerechtsdeurwaarderskantoor hadden voorgedaan. Dit klachtonderdeel is daarom dan ook terecht voorgesteld.

 

4.6 De Kamer is van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De Kamer acht onvoldoende termen aanwezig om over te gaan tot het opleggen van een maatregel.

 

4.7 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht gegrond;

-       ziet van het opleggen van een maatregel af.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. D. Bode en mr. J.N Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

17 juli 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens