Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2020:24
Datum uitspraak:
10-01-2020
Datum publicatie:
12-02-2020
Zaaknummer(s):
190202W
Onderwerp:
TuchtprocesrechtWraking
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Wrakingsverzoek tegen voorzitter van het hof. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting hebben verzoekers medegedeeld dat zij – gelet op de door verweerder gegeven toelichting – met hem verder kunnen. Hieruit volgt dat de door verzoekers ter onderbouwing van de wraking aangevoerde gronden bij hen niet langer leiden tot de vrees dat verweerder ten opzichte van hen vooringenomen zal zijn. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

n.v.t.

BESLISSING

van 10 januari 2020

in de zaak 190202W

naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:

[verzoeker]

en

[verzoekster]

respectievelijk verzoeker en verzoekster,

tezamen: verzoekers

tegen:

mr. J.D. Streefkerk

verweerder

 

1.    DE PROCEDURE

1.1    Bij verzetbeslissing van 17 juni 2019 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad), gewezen onder het nummer 18-996/A/A, is het verzet van verzoekers tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van 7 februari 2019 ongegrond verklaard.

1.2    Verzoekers hebben per brief van 4 juli 2019 beroep ingesteld tegen deze beslissing. Deze brief is op 5 juli 2019 per e-mail en op 8 juli 2019 per brief door de griffie van het hof ontvangen.

1.3    Het hof heeft de behandeling van dit beroep ingepland op de zitting van 18 november 2019. Aan verzoekers is per e-mail van 29 augustus 2019 bericht dat tijdens deze behandeling slechts de ontvankelijkheid van het hoger beroep zal worden behandeld.

1.4    Aan verzoekers is per brief van 9 september 2019 bericht dat de zaak zal worden behandeld door drie leden. Per e-mail van 15 oktober 2019 is bericht dat de zaak zal worden behandeld door vijf leden. Aan verzoekers is per e-mail van 30 oktober 2019 bericht dat de samenstelling van het hof is gewijzigd en dat de nieuwe samenstelling bestaat uit drie leden.

1.5    Per e-mail van 4 november 2019 is door de griffier van het hof in reactie op een e-mail van verzoeker van 31 oktober 2019 – kort samengevat – bericht dat de organisatorische reden dat de kamer uit drie in plaats van vijf leden bestaat, is gelegen in het feit dat een van de leden zich heeft teruggetrokken wegens een (ver verwijderde) mogelijke betrokkenheid bij een behandeling van een van de eerdere zaken van verzoeker.

1.6    Per e-mail van 4 november 2019 aan de griffie van het hof heeft verzoeker onder meer meegedeeld dat verzoekers niet gediend zijn van de geheimzinnige gang van zaken, dat hen de keuze had moeten worden gelaten de zitting te laten doorgaan met drie leden, dan wel met vijf leden op een nieuw vast te stellen datum, en dat de betrokkenheid van het lid dat zich heeft teruggetrokken niet als “ver verwijderd” kan worden aangemerkt. Ook heeft verzoeker gevraagd waarom het niet mogelijk is de behandeling te laten plaatsvinden met vier leden. Bij e-mail van 5 november 2019 heeft verzoeker namens verzoekers een gemotiveerde beslissing verzocht over het verschoningsverzoek van het betrokken lid.

1.7    De griffie heeft op 7 november 2019, in reactie op de e-mail van verzoeker van 5 november 2019, namens de voorzitter aan verzoeker bericht dat de zitting op 18 november 2019 geen doorgang zal vinden. Per e-mail van 7 november 2019 hebben verzoekers bericht dat zij zich beraden om de voorzitter van het hof te wraken.

1.8    Verzoekers hebben per e-mail verzonden brief op 13 november 2019 een verzoek gedaan tot wraking van verweerder. Dit verzoek is op die dag door de griffie van het hof ontvangen. Bij brief van 20 november 2019 is aan verzoekers de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd.

1.9    Per e-mail van 28 november 2019 heeft verweerder bericht dat hij niet wenst te berusten in het wrakingsverzoek.

1.10    De wrakingskamer van het hof (hierna ook: het hof) heeft het wrakingsverzoek mondeling behandeld tijdens zijn openbare zitting van 9 december 2019. Verzoekers zijn verschenen en verzoeker heeft namens verzoekers het woord gevoerd aan de hand van een overhandigde pleitnota. Verweerder is eveneens verschenen en heeft het woord gevoerd.

1.11    Bij de behandeling van het wrakingsverzoek heeft het hof voorts kennisgenomen van:

-    een schrijven van [verzoeker] d.d. 7 november 2019;

-    een schrijven van [verzoeker] d.d. 10 november 2019;

-    een schrijven van de griffie namens de voorzitter d.d. 20 november 2019; 

-    een schrijven van de griffie (ontvangstbevestiging wrakingsverzoek) d.d. 20 november 2019;

-    een schrijven van [verzoeker] d.d. 21 november 2019;

-    een schrijven van mr. J.D.  Streefkerk d.d. 28 november 2019;

-    een schrijven van [verzoeker] d.d. 30 november 2019 met een bijlage.

 

2.    BEOORDELING

Criterium

2.1    Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Gronden wrakingsverzoek

2.2    Verzoekers hebben in hun verzoek van 13 november 2019 – kort en zakelijk weergegeven – het volgende als grond voor het wrakingsverzoek aangevoerd. Verzoekers hebben op meerdere punten voorafgaand aan de op 18 november 2019 ingeplande zitting een toelichting gevraagd op de processuele gang van zaken. Een deugdelijke en gemotiveerde beantwoording door de voorzitter is hierop achterwege gebleven. Verzoekers wijzen erop dat onjuist is dat zij het voorstel hebben gedaan de behandeling door vier leden te laten plaatsvinden, dat onduidelijk is waarom de zaak is opgeschaald van drie naar vijf leden, dat volgens het Kwaliteitsdocument van het hof bij verschoning van een lid een vervangend lid moet worden aangewezen en dat er geen grondslag is om dan weer terug te gaan naar een behandeling door drie leden, dat wat betreft het lid dat zich heeft teruggetrokken sprake was van betrokkenheid die niet als “ver verwijderd” kan worden aangemerkt en dat op diens verschoningsverzoek een gemotiveerde beslissing had moeten worden genomen. Ook is niet tijdig duidelijk gemaakt dat alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep zou worden behandeld. Bovendien is niet duidelijk welke beslissingen van de griffier namens de voorzitter zijn genomen, aldus verzoeker. Bij verzoekers is door dit alles het beeld ontstaan dat de voorzitter niet onbevooroordeeld is.

Verweer

2.3    Verweerder heeft niet berust in het wrakingsverzoek en heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. Verweerder heeft daartoe ter zitting naar voren gebracht dat de zaak op 9 september 2019 aan hem is toebedeeld en dat door hem, voorafgaand aan de oorspronkelijk op 18 november 2019 ingeplande zitting, uitsluitend processuele beslissingen zijn genomen. Van vooringenomenheid is volgens verweerder geen sprake. Verweerder heeft voorts een toelichting gegeven op de door hem genomen beslissingen en heeft daarbij opgemerkt dat de communicatie daarover beter had gekund.

Nader standpunt verzoekers

2.4    Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting hebben verzoekers desgevraagd medegedeeld dat zij – gelet op de door verweerder gegeven toelichting – met hem verder kunnen. Verzoekers hebben daarbij aangegeven dat zij het wrakingsverzoek niet intrekken omdat zij een gemotiveerde beslissing van het hof op het verzoek wensen.

Oordeel wrakingskamer

2.5    De wrakingskamer oordeelt als volgt. Verzoekers hebben met name in de procedurele gang van zaken en de communicatie daarover aanleiding gezien een wrakingsverzoek in te dienen. Verzoekers hebben tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat zij gelet op de door verweerder gegeven toelichting op de gang van zaken met hem verder kunnen. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding op de onderbouwing van het wrakingsverzoek in te gaan. Uit de zojuist vermelde uitlating ter zitting volgt immers dat de door verzoekers ter onderbouwing van de wraking aangevoerde gronden bij hen niet langer leiden tot de vrees dat verweerder bij de behandeling van het hoger beroep ten opzichte van hen vooringenomen zal zijn. Daaruit volgt dat, wat er ook van de aangevoerde gronden zij, deze niet tot gegrondbevinding van het wrakingsverzoek kunnen leiden.

2.6    Het voorgaande brengt met zich dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. De behandeling van de klacht zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    wijst af het wrakingsverzoek van verzoekers van 13 november 2019, gericht tegen mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline.

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, mrs. T.H. Tanja-van den Broek, M.P.C.J. van Bavel, E.L. Pasma en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Bijleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2020.

   

griffier        voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 januari 2020.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens