Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2020:15
Datum uitspraak:
12-02-2020
Datum publicatie:
17-02-2020
Zaaknummer(s):
19-802 DB/OB
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Kennelijk ongegrond.

Oost-Brabant

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 12 februari 2020

in de zaak 19-802/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klager

 

tegen:

 

 

 

verweerder

 

 

 

 





De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 27 november 2019 met kenmerk nr. 48|19|015K en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1            FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1       Klager is door twee (voormalig) kantoorgenoten van verweerder bijgestaan in een appelprocedure en een herroepingsprocedure. Van september 2007 tot maart 2011 is klager bijgestaan door mr. V. In maart 2011, in het laatste stadium van de herroepingsprocedure en toen de zaak voor pleidooi stond, heeft mr. W de behandeling van de zaak op zich genomen. Klager is tot november 2011 bijgestaan door mr. W. De beide procedures zijn verloren gegaan.

1.2       Bij e-mail d.d. 16 februari 2016 heeft klager zich bij het kantoor van verweerder beklaagd over het optreden van mr. W in de herroepingsprocedure. Verweerder heeft klager bij e-mail d.d. 16 februari 2016 bericht dat hij de klacht in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris in behandeling had genomen.

1.3       Bij brief d.d. 1 maart 2016 heeft mr. W verweer gevoerd, bij e-mail d.d. 24 maart 2016 heeft klager gerepliceerd en bij brief d.d. 28 maart 2016 heeft mr. W gedupliceerd. Op 29, 30 en 31 maart en 1 en 5 april 2016 heeft klager stukken aan verweerder toegestuurd, die aan het klachtdossier zijn toegevoegd.

1.4       Op 2 mei 2016 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden, waarbij klager, verweerder en mr. W aanwezig waren en waarbij zij hun standpunten mondeling konden toelichten.

1.5       Bij brief d.d. 20 mei 2016 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat de klacht naar zijn mening ongegrond was.

1.6       Bij e-mail van 20 november 2016 heeft klager een klacht tegen verweerder, in diens hoedanigheid van klachtenfunctionaris, ingediend bij verweerders kantoor. De opvolgend klachtenfunctionaris, mr. W, heeft bij beslissing  d.d. 5 december 2016 aan klager gemotiveerd toegelicht dat en waarom klager niet in zijn klacht en verzoek tot heropening kon worden ontvangen.

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris klagers klacht niet naar behoren heeft behandeld.

2.2      Toelichting:

Verweerder heeft de klachten van klager op 20 mei 2016 ongegrond verklaard. De klachtafhandeling door verweerder is schandalig omdat hij volledig voorbij is gegaan aan de fouten die mr. W heeft gemaakt zoals het niet inbrengen van bewijsmateriaal. De klachtafhandeling stond alleen maar in het teken van de betaling van facturen.

 

3            VERWEER

3.1       De klacht is ongegrond. Verweerder is opgetreden in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder heeft de klacht conform de klachtenregeling van het kantoor afgehandeld, waarbij klager ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om zijn klachten toe te lichten. Uit de gemotiveerde beslissing van verweerder op de klacht blijkt niet dat verweerder is voorbijgegaan aan de klachten van klager. Verweerder heeft wel degelijk op de klacht beslist. Tevens blijkt uit de beslissing dat de behandeling niet alleen heeft gestaan in het teken van de openstaande facturen.

 

4            BEOORDELING

4.1     De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris. De voorzitter overweegt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en een behoorlijke beroepsuitoefening beoogt te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden, indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van de functie van klachtenfunctionaris zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat een klachtfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen hoe hij de klachtafhandeling inricht en op de ingediende klacht beslist.

4.2     Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder klagers klacht conform de interne klachtenregeling heeft behandeld. Klager is in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt schriftelijk aan verweerder toe te lichten en op het door mr. W gevoerde verweer te reageren. Ook heeft een bespreking op verweerders kantoor plaatsgevonden, waarbij klager en mr. W mondeling hun standpunten hebben kunnen toelichten. De nagekomen stukken van klager zijn voorts door verweerder toegevoegd aan het klachtdossier. Klager is het niet eens met verweerders beslissing dat de klacht ongegrond is. Dat betekent echter niet dat verweerder van die beslissing een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De voorzitter is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat verweerder de klacht naar behoren heeft onderzocht. Ook heeft verweerder zijn beslissing d.d. 20 mei 2016 uitgebreid gemotiveerd. Dat de klachtbehandeling op schandalige wijze heeft plaatsgevonden of enkel in het teken heeft gestaan van de openstaande facturen blijkt geenszins uit de overgelegde stukken. Dat door toedoen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad is niet gebleken.

4.3     Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.



 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.G.M. Zander,voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber- van de Langenbergals griffier op 12 februari 2020.

 

 

Griffier                                                                   Voorzitter

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens