Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2020:11
Datum uitspraak:
27-01-2020
Datum publicatie:
05-02-2020
Zaaknummer(s):
19-500/DB/ZWB/D
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtWat in het algemeen niet betaamt Wat een behoorlijk advocaat betaamtBezwaren van de deken Wat een behoorlijk advocaat betaamtBezwaren van de deken
Beslissingen:
Schrapping
Inhoudsindicatie:
Tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door meegenomen dossier niet naar behoren financieel af te wikkelen met zijn voormalige kantoor, door valselijk facturen op te maken,  door voor een cliënt te gaan optreden tegen zijn voormalige kantoor in een procedure die ging over een door hem zelf in een zaak van die cliënt gemaakte beroepsfout en door een door een door die cliënt ingediend wrakingsverzoek achteraf te ondertekenen terwijl hij zich reeds als advocaat uit de procedure had onttrokken. Schending kernwaarden (financiële) integriteit, deskundigheid en onafhankelijkheid. Gegrond. Schrapping

Zeeland-West-Brabant

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch

van 27 januari 2020

in de zaak 19-500/DB/ZWB/D

 

naar aanleiding van het bezwaar van:

 

de deken van de orde van advocaten

in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

 

 

deken

 

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

verweerder

 

 

 

1         Verloop van de procedure

1.1     Bij e-mail aan de raad van 25 juli 2019met kenmerk K19-075heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissementZeeland-West-Brabantzijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht.

1.2     Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 25 november 2019in aanwezigheid van de deken. Verweerder is niet verschenen.

1.3     De raad heeft kennis genomen van:

-      de e-mail van de deken van 25 juli 2019, met bijlagen;

-      de e-mail van verweerder d.d. 6 september 2019, waarin hij meedeelt niet ter zitting te zullen verschijnen;

-      de nagekomen brief van verweerder d.d. 1 november 2019.

 

 

 

 

2         FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:

2.1     Verweerder is van 12 januari 2007 tot 1 december 2011 als advocaat werkzaam geweest bij Advocatenkantoor W. Van 1 december 2011 tot 1 oktober 2015 heeft verweerder zijn eigen advocatenpraktijk gevoerd onder de naam Advocatenpraktijk Van P. Verweerder is van 1 oktober 2015 tot 1 september 2016 als advocaat in loondienst werkzaam geweest bij het kantoor van mr. V, genaamd Advocatenkantoor V. Van 5 september 2016 tot 1 maart 2019 is verweerder werkzaam geweest bij Advocatenkantoor G. Verweerder is op 1 maart 2019 op eigen verzoek geschrapt van het tableau.

2.2     Mr. V is gedurende de periode dat verweerder werkzaam was bij Advocatenkantoor V kantoor enige tijd uit hoofde van een tuchtrechtelijke maatregel geschorst geweest en heeft in detentie gezeten.

2.3     Bij zijn vertrek van Advocatenkantoor V heeft verweerder dossiers meegenomen naar Advocatenkantoor G.

2.5     Mr. V heeft zich bij brieven d.dis. 24 en 27 september, 29 oktober, 2, 5, 8 en 14 november 2018 bij de deken beklaagd over handelen van verweerder in de dossiers die door verweerder zijn meegenomen en waarin geen verrekening c.q. financiële afwikkeling met het kantoor van mr. V had plaatsgevonden. De deken heeft de klacht van mr. V als volgt samengevat: (1) verweerder heeft niet tijdig voorstellen gedaan omtrent de financiële afwikkeling van overgenomen toevoegingen en onjuiste informatie verstrekt; (2) verweerder heeft niet gereageerd op verzoeken omtrent financiële afwikkeling; (3) verweerder heeft valselijk facturen opgemaakt en honorarium dat aan mr. V toekwam laten uitbetalen op het rekeningnummer van verweerders kantoor; (4) verweerder heeft werkzaamheden verricht op naam van Advocatenpraktijk Van P; (5) verweerder heeft voorafgaand aan zijn indiensttreding bij Advocatenkantoor V overeenkomsten gesloten met rechtzoekenden, mr. V daarover niet ingelicht en niet met mr. V afgerekend. De deken heeft de klacht  onderzocht, verweerder in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren en heeft verweerder vragen gesteld. Bij brief d.d. 27 juni 2019 heeft de deken zijn dekenstandpunt kenbaar gemaakt aan mr. V en verweerder. De deken heeft mr. V en verweerder bericht dat in zijn visie de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 gegrond waren. De deken heeft geoordeeld dat verweerder door zijn handelingen zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

2.6     Verweerder heeft gedurende zijn dienstverband bij Advocatenkantoor V een cliënt, de heer T., bijgestaan. Verweerder heeft verzuimd een beschikking van het Hof Den Bosch d.d. 20 april 2016 tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn voor beroep in cassatie, door te sturen aan de heer T.. De heer T. heeft vanwege dit verzuim van verweerder gerechtelijke procedures aanhangig gemaakt tegen Advocatenkantoor V. In een van deze procedures is de heer T. bij vonnis van 20 december 2017 in het ongelijk gesteld. De heer T. heeft op 15 maart 2018 tegen dat vonnis appel ingesteld en verweerder heeft de heer T. in die appelprocedure tegen Advocatenkantoor V bijgestaan. Mr. V heeft verweerder verzocht om zich te onttrekken, aan welk verzoek verweerder aanvankelijk geen gehoor heeft gegeven. Na tussenkomst van de deken op 15 oktober 2018 heeft verweerder alsnog per e-mail d.d. 19 oktober 2018 toegezegd zich te onttrekken. Bij brief d.d. 29 oktober 2018 heeft mr. V een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. De deken heeft de klacht  onderzocht en verweerder in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Bij brief d.d. 27 juni 2019 heeft de deken zijn dekenstandpunt kenbaar gemaakt aan mr. V en verweerder. De deken heeft mr. V en verweerder bericht dat in zijn visie de klacht gegrond was.

2.7     Op 23 november 2018 heeft de deken een signaal ontvangen van de President van het Hof Den Haag. De President van dit Hof heeft aan de deken toegestuurd een kopie van de brief van de wrakingskamer van het Hof aan verweerder d.d. 13 november 2018. Aan deze brief lagen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag. Verweerder stond de heer T. bij in een twintigtal zaken. In een van deze zaken had verweerder zich onttrokken als advocaat van de heer T. Na de onttrekking heeft de heer T. op 4 oktober 2018 een wrakingsverzoek ingediend bij het Hof. Bij brief d.d. 18 oktober 2018 heeft het Hof de heer T. bericht dat voor de betreffende zaak verplichte procesvertegenwoordiging bestaat en dat het wrakingsverzoek door een advocaat dient te zijn ondertekend. Op 3 november 2018 heeft verweerder een brief gestuurd aan het Hof, luidend als volgt:

          “Mijn cliënt, de heer S.P.R. T. ontving uw brief d.d. 18 oktober jl., waarin u hem erop wijst dat een schriftelijk wrakingsverzoek door een advocaat ondertekend dient te zijn. Ik sta de man in diverse zaken bij en zal hem hierna cliënt blijven noemen.

          Allereerst wens ik op te merken dat ik mij in opgemelde kwestie onttrokken heb en formeel cliënt niet (meer) in de hoofdprocedure of in het wrakingsverzoek bij sta. Cliënt heeft vaker tegenover een wrakingskamer gestaan, kan zichzelf uitstekend verwoorden en heeft diverse malen succesvol rechters en raadsheren gewraakt.

          Met deze brief wil ik voldoen aan de eis van ondertekening van een schriftelijk wrakingsverzoek bij Uw Hof. Met betrekking tot het wrakingsverzoek zelf verwijs ik naar het ingediend wrakingsverzoek d.d. 4 oktober 2018. Voor de volledigheid voeg ik deze nogmaals bij.”

2.8     Bij brief d.d. 13 november 2018 is namens de voorzitter van de wrakingskamer van het Hof verweerder bericht dat diens brief van 3 november 2018 niet kan worden aangemerkt als een herstel van het verzuim van verplichte procesvertegenwoordiging, zodat de heer T. niet in zijn wrakingsverzoek kon worden ontvangen.

2.9     Naar aanleiding van het van de President van het Hof ontvangen signaal heeft de deken verweerder uitgenodigd voor een gesprek. Bij e-mail d.d. 28 november 2018 heeft de heer T. de stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten bericht dat hij had vernomen dat er een gesprek zou plaatsvinden tussen de deken en verweerder, dat hij zich niet aan de indruk kon onttrekken dat er op deze manier oneigenlijk druk wordt gezet op verweerder en dat hij opheldering wenste. Nadat de stafjurist de heer T. bij e-mail d.d. 3 december 2018 had bericht hem niet te zullen informeren over de inhoud van het gesprek tussen de deken en verweerder, heeft de heer T. zijn verzoek om informatie herhaald bij e-mail d.d. 3 december 2018.

2.10   Op 6 december 2018 heeft de deken een gesprek gevoerd met verweerder. Tijdens dit gesprek heeft verweerder verklaard dat hij de brief d.d. 3 november 2018 had verzonden om de heer T. te helpen. Verweerder heeft tevens verklaard dat hij zich eerder uit de hoofdzaak had onttrokken, omdat hij niet achter de wens van de heer T. stond om de raadsheren te wraken. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat hij de heer T. had verteld over het geplande gesprek met de deken om aan te geven dat de acties van de heer T. verweerder in een moeilijke positie hadden gebracht.

 

 

3         Bezwaar

3.1     Het bezwaar van de deken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

1.   een cliënt heeft bijgestaan in een aansprakelijkheidskwestie tegen zijn (verweerders) voormalig werkgever. De procedure ging over een beroepsfout die verweerder had gemaakt in een zaak van de betreffende cliënt tijdens zijn (verweerders) dienstverband bij zijn voormalig werkgever;

2.   de toevoegingen niet tijdig heeft afgewikkeld in zaken die vanuit het kantoor van mr. V zijn meegenomen naar verweerders nieuwe kantoor en mr. V daaromtrent onjuist heeft ingelicht;

3.   valse facturen heeft opgemaakt en cliënten heeft laten betalen op de rekening van zijn voormalige kantoor terwijl de bedragen toekwamen aan het kantoor van mr. V;

4.   zich onvoldoende onafhankelijk heeft betoond ten opzichte van een (voormalig) cliënt doordat:

-      hij een wrakingsverzoek van zijn voormalig cliënt heeft ondertekend terwijl hij deze niet meer bijstond;

-      deze voormalige cliënt heeft geïnformeerd over het onderhoud dat de deken hierover met verweerder zou hebben.

 

4         VERWEER

                     4.1     Verweerder is niet ter zitting van de raad verschenen. De deken heeft verweerder bij e-mail d.d. 4 juli 2019 in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het concept dekenbezwaar te reageren. Bij e-mail d.d. 18 juli 2019 heeft verweerder de deken bericht dat zijn verweren reeds waren opgenomen in de bijlagen bij het dekenbezwaar en dat hij zich refereert aan het oordeel van de raad.

                     4.2     Verweerder heeft voorts bij de nagekomen brief van 1 november 2019 aan de raad bericht dat hij medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de deken, dat hij reeds op eigen verzoek per 1 maart 2019 is geschrapt van het tableau, dat hij een zeer beperkte financiële draagkracht heeft en dat de kans op recidive nihil is. Om die redenen heeft verweerder de raad verzocht om de proceskostenveroordeling te matigen tot nihil.

 

5         BEOORDELING

5.1     Onderdeel 1

In de zaak met kenmerk19-498/DB/ZWB, waarin vandaag eveneens uitspraak wordt gedaan, is naar aanleiding van de door mr. V. ingediende klacht vastgesteld dat verweerder een cliënt heeft bijgestaan in een procedure tegen het kantoor van mr. V, terwijl die procedure ging over een beroepsfout die verweerder zelf had gemaakt in een zaak van de betreffende cliënt tijdens zijn dienstverband bij het kantoor van mr. V en dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klacht van mr. V is gegrond verklaard. Onderdeel 1 van het dekenbezwaar ziet op tuchtrechtelijke verwijten die inhoudelijk gelijk zijn aan de gegrond bevonden klacht van mr. V in de klachtzaak met zaaknummer 19-498/DB/ZWB.  Onderdeel 1 van het dekenbezwaar is derhalve eveneens gegrond.

5.2     Onderdelen 2 en 3

In de zaak met kenmerk19-499/DB/ZWB, waarin vandaag eveneens uitspraak wordt gedaan, is naar aanleiding van de door mr. V. ingediende klacht geoordeeld dat verweerder niet tijdig voorstellen heeft gedaan omtrent de financiële afwikkeling van overgenomen toevoegingen en onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hijvalselijk facturen heeft opgemaakt en honorarium dat aan mr. V toekwam heeft laten uitbetalen op het rekeningnummer van verweerders voormalige kantoor.  De raad heeft de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 van de klacht van mr. V gegrond verklaard. De onderdelen 2 en 3 van het dekenbezwaar zien op tuchtrechtelijke verwijten die inhoudelijk gelijk zijn aan de onderdelen 1 en 3 van de gegrond bevonden klacht van mr. V in de klachtzaak met zaaknummer 19-499/DB/ZWB.  De onderdelen 2 en 3 van het dekenbezwaar zijn derhalve eveneens gegrond.

5.3     Onderdeel 4

Vast staat dat verweerder, ofschoon hij zich in de betreffende zaak  had onttrokken als advocaat van de heer T., omdat hij niet achter diens wens tot wraking stond, het verzuim van verplichte procesvertegenwoordiging heeft willen herstellen middels zijn brief aan het Hof d.d. 3 november 2018 (als hierboven weergegeven onder randnummer 2.7). De raad is van oordeel dat verweerders handelen in strijd is met de advocateneed en met de kernwaarden van de advocatuur, waaronder met name de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden, onder meer inhoudend dat de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep onafhankelijk, deskundig en integer is en onthoudt zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt (artikel 10a lid 1 sub a, c en d Advocatenwet). 

                     5.4     Het feit dat verweerder zich had onttrokken, omdat hij niet achter zijn cliënts  wens tot wraking stond, verdraagt zich niet met zijn handelwijze nadien waarbij hij de brief van 3 november 2018 aan de wrakingskamer zond Van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht dat hij zich bewust is van zijn bijzondere positie als advocaat met een eigen verantwoordelijkheid voor de door hem ingediende stukken. Met zijn handelen heeft verweerder zijn bijzondere positie als advocaat en de kernwaarden van de advocatuur miskend en het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Verweerder heeft voorts blijk gegeven van onvoldoende onafhankelijkheid ten opzichte van zijn cliënt, de heer T., welk gebrek aan onafhankelijkheid wordt onderstreept door het feit dat verweerder hem op de hoogte heeft gesteld van het op handen zijnde onderhoud met de deken en hem daarbij heeft laten weten dat diens acties hem, verweerder, in een moeilijke positie brachten. Ook de inhoud van de e-mails die de deken daarop heeft ontvangen van de heer T. geven daar blijkt van.

5.5     De raad komt tot de slotsom dat het bezwaar van de deken in alle onderdelen gegrond is.

 

 

 

                     6       MAATREGEL

 

          6.1     De raad stelt vast dat verweerder zich reeds (per 1 maart 2019) vrijwillig heeft laten schrappen van het tableau. Dit gegeven staat evenwel niet aan een door de raad op te leggen maatregel in de weg. Het is immers vaste rechtspraak dat ook als een advocaat als zodanig heeft gedefungeerd, een klacht tuchtrechtelijk kan worden behandeld en een maatregel kan worden opgelegd indien de verweten gedragingen dateren  uit de periode dat hij nog werkzaam was als advocaat.

          6.2    Verweerder heeft niet alleen het vertrouwen in zijn beroepsuitoefening, maar ook die in de advocatuur in het algemeen geschaad. De gegrond bevonden bezwaren van de deken raken de kernwaarden van de advocatuur, waaronder met name de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden, onder meer inhoudend dat de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep onafhankelijk, deskundig en integer is en zich onthoudt zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt (artikel 10a lid 1 sub a, c en d Advocatenwet). 

6.3     De (financiële) integriteit van een advocaat is een belangrijke, zo niet de belangrijkste, kernwaarde van de advocatuur. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij die waarde beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelwijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover en dus op het voorkomen van twijfel aan de eerlijkheid en oprechtheid van zijn handelen. De handelwijze van verweerder zoals vastgesteld door de raad is een grove schending van deze kernwaarde.

 

6.4     De raad is van oordeel dat de ernst van de gegrond bevonden bezwaren van de deken de maatregel van schrapping rechtvaardigen.

 

 

                     7        KOSTENVEROORDELING

 

7.1     Nu de raad aan verweerder een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)  € 750  kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)    € 500 kosten van de Staat. 

          In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht ziet de raad geen aanleiding om de proceskostenveroordeling te matigen.

7.2     Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

7.3       Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                       BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

-          verklaart het bezwaar in alle onderdelen gegrond;

 

-           legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

 

-           veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;

 

-           veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

 

 

Aldus beslist door mr. M.M.T. Coenegracht, mrs. H.C.M. Schaeken en mr. A.A.M. Schutte, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2020.

 

 

 

Griffier                                                                                   Voorzitter

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens