Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2020:11 Raad van Discipline 's-Gravenhage 19-605/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2020:11
Datum uitspraak: 27-01-2020
Datum publicatie: 18-02-2020
Zaaknummer(s): 19-605/DH/RO
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Een ander advocaat persoonlijk attaqueren
Beslissingen:
  • Voorwaardelijke schorsing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Verweerder is patroon geweest van klager. Directe aanleiding van de klacht is een ruzie tussen klager en verweerder, waarbij verweerder op klager heeft gescholden, hem heeft bedreigd en waarbij verweerder klager en zijn familieleden heeft beledigd. Een patroon dient zijn stagiaire op opbouwende wijze feedback te geven op het functioneren. Een stagiaire moet zich veilig voelen om vragen te stellen, om fouten te maken en om te groeien in het vak van advocaat. Boosheid van een patroon, bijvoorbeeld om een herhaalde fout van een stagiaire, kan daarbij voorkomen en hoeft niet zonder meer in de weg te staan aan een veilige werksfeer voor de stagiaire. Verweerder heeft met zijn uitlatingen en zijn manier van doen op tijdens de ruzie de veilige werksfeer echter op ernstige wijze ondermijnd. Verweerder heeft met zijn gedragingen niet de integriteit betracht die een behoorlijk advocaat betaamt en heeft daarmee een van de in artikel 10a van de Advocatenwet beschreven kernwaarden geschonden. Verweerder heeft zich volgens de raad gedragen op een wijze die een advocaat onwaardig is en heeft met zijn gedrag een van de kernwaarden geschonden. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Rotterdam van 27 januari 2020 in de zaak 19-605/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

gemachtigde: mr. J. Slager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 20 december 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 28 augustus 2019 met kenmerk R 2019/54 edl/mb, door de raad ontvangen op 29 augustus 2019, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 25 november 2019 in aanwezigheid van klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder.

1.4    De raad heeft kennis genomen van:

-    de e-mail van 24 oktober 2019, met bijlage, van verweerder;

-    het op 21 november 2019 van klager ontvangen transcript van de hierna in 2.7 bedoelde geluidsopname.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Verweerder is tot 12 april 2019 de patroon geweest van klager.

2.2    Klager is omstreeks september 2019 beëdigd als advocaat.

2.3    Klager en verweerder waren bij aanvang van de stage van klager beiden in dienst bij het advocatenkantoor van mr. N.

2.4    In het begin van zijn stage werd klager vooral begeleid door mr. N.

2.5    In de zomer van 2017, wanneer precies blijkt niet uit het dossier, is verweerder zijn eigen kantoor gestart. Het eigen kantoor van verweerder is of  was gevestigd op de locatie van het kantoor van mr. N en verweerder bleef de patroon van klager.

2.6    In het najaar van 2017, wanneer precies blijkt niet uit het dossier, is het eerste patronaatsverslag over klager ingediend.

2.7    Het dossier bevat een geluidsfragment van ruim dertien minuten. Het betreft een opname van een ruzie tussen klager en verweerder die plaatsvond op 10 december 2018. De raad heeft het fragment beluisterd. Klager heeft een transcript van het geluidsfragment overgelegd.

2.8    Op 11 december 2018 heeft mr. N het volgende geschreven aan klager:

“In het algemeen geldt dat binnen kantoor regels gelden die iedereen moet naleven.

Bij interne incidenten die onderling niet opgelost kunnen worden moet ik worden ingeschakeld.

Op 27 november heb ik een gesprek met je gehad waarbij ook mr. H. je patroon aanwezig was. Recentelijk had ik daarvoor eerder gesprekken met je gevoerd, zowel individueel als in bijzijn van ander(…) stagiaires van kantoor.

Tijdens het gesprek van 27 november heb ik een aantal incidenten besproken. Je verantwoordelijkheid (…) gedrag  en mijn kritiek hierop heb ik toen met je besproken. Tijdens dit gesprek kwamen ook de irritatie(…) van [verweerder] naar voren.

Uiteindelijk is dit een uitvoerig gesprek geweest die ik in alle redelijkheid met je heb gevoerd.

Ik heb dit gesprek afgesloten met de mededeling dat ik geen conclusies zou verbinden en met de opdrac(…) o(…) alles te laten bezinken waarna ik een vervolggesprek zou inplannen.

Op 2 december ontving ik een email van je. Deze is kennelijk bedoeld als een vastlegging van e.e.a. Om(…) de inhoud van je email in het geheel niet overeenkomt met alles wat er is besproken heb ik dit besproken met [verweerder]. Ik zal een verslag opstellen nadat het vervolggesprek is gevoerd die ik toen heb aangekondigd.

Gisteren (10 december) is het uitgelopen op een incident tussen [verweerder] en jou persoon. Ik was op da(…) moment buiten kantoor. [Verweerder] en [mevrouw K] hebben mij gebeld. Jijzelf hebt geen contact met mij opgenomen, behoudens via e-mail. Dit laatste zie dit als eenzijdige stappen waarvan je slechts melding doet.

Verder heb ik ervan kennis genomen dat je [verweerder] ervan beschuldigd dat hij persoonlijke aanvallen op je richt. Ik constateer ook dat jijzelf ook persoonlijke aanvallen doet richting [verweerder] (prive-problemen, dronkenschap etc).

[Verweerder] is wel je patroon. Van hem begrijp ik dat je geen respect voor hem toont. Ik neem aan dat je deze verhouding en alles wat daaruit volgt ook begrijpt.

Mijn positie als werkgever is een geheel andere. Ik doe er alles aan om vanuit mijn positie alles in goede banen te leiden. Ik kan daarvoor regels stellen en zoveel mogelijk gesprekken aangaan. Wat mij wel steekt - zoals ik o.a. op 27 november met je heb besproken - is dat je zelf hebt laten zien geen boodschap te hebben aan mijn instructies. Je ziet dat als een aanval op jou persoon voorzover ik heb begrepen.

Ik ben zelf deze brief begonnen door erop te wijzen dat mijn persoon bij interne problemen moet worden ingeschakeld. Ik zal dan ook een gesprek met je inplannen. Aangezien ik hedenmorgen naar een politieverhoor ga (waarvoor ik jou zou hebben ingeschakeld) laat ik je in de loop van de dag weten wanneer dat zal kunnen. Dit is ook de reden dat ik je deze email in de vroege ochtend stuur.

Tenslotte dit: voor een samenwerking is niet alleen vertrouwen van jou in ons maar ook van mij nodig in de stagiaire. Als het aan jou of mijn kant daaraan ontbreekt dan is er geen oplossing mogelijk. De positie van [verweerder] als patroon is hierin cruciaal.”

2.9    Bij brief van 20 december 2018 hebben klager en zijn collega-stagiaire bij de deken klachten ingediend over verweerder en over mr. N. Klager en de collega-stagiaire hebben hun klachten tegen mr. N ingetrokken. De collega-stagiaire heeft ook haar klacht tegen verweerder ingetrokken.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft zich tijdens het patronaat schuldig gemaakt aan scheldpartijen, dreigementen en beledigingen jegens klager.

b)    Verweerder is tekortgeschoten in de begeleiding die een patroon zijn stagiair behoort te geven.

c)    Verweerder heeft gedragsregel 1 geschonden.

d)    Verweerder heeft met zijn onnodig grievende uitlatingen gedragsregel 7 geschonden.

e)    Verweerder heeft door zijn gedragingen jegens klager gedragsregel 24 geschonden.

f)    Verweerder heeft zich niet gehouden aan de verplichtingen die op grond van artikel 3.13 van de Verordening op de Advocatuur op hem rusten in zijn hoedanigheid van patroon van klager.

g)    Verweerder is tekortgeschoten in zijn plicht als patroon om te zorgen voor een veilige omgeving waarin zijn stagiaire zich kan ontwikkelen tot een volwaardig advocaat.

3.2    Ter onderbouwing van de klacht heeft klager gesteld dat niet duidelijk is in relatie tot klager wat de oorzaak was van het gedrag van verweerder. Klager merkt op dat op het kantoor van mr. N bekend was dat verweerder kampte met een alcoholprobleem, waardoor hij regelmatig onder invloed van alcohol op kantoor verscheen en dat “een frequent voorkomend verschijnsel” was dat verweerder “in beschonken toestand tekeer ging tegen collega’s”.

3.3    Ter onderbouwing van de klacht heeft klager  diverse voorbeelden gegeven van incidenten. Bijvoorbeeld een kwestie met een patronaatsverslag. Het aanvankelijk door verweerder opgestelde eerste patronaatsverslag “kwam in het geheel niet overeen met de werkelijkheid”, waarna het verslag opnieuw is opgesteld door mr. N die immers de feitelijke begeleiding van klager voor zijn rekening nam. Het door mr. N opgestelde patronaatsverslag heeft klager aan verweerder voorgelegd, waarna “een spervuur aan feitelijke bedreigingen (…) gericht tegen [klager]” volgde. Verweerder “dreigde met het doen van aangifte wegens valsheid in geschrifte” en vergat daarbij enerzijds dat klager  het verslag niet had opgesteld en anderzijds dat zijn eigen aanvankelijke verslag niet overeenkwam met de werkelijkheid.

3.4    Volgens klager is de verhouding tussen hem en verweerder verslechterd na de kwestie rondom het eerste patronaatsverslag. Mr. N was vanaf dat moment minder bereikbaar, zodat klager aangewezen was op de begeleiding door verweerder. Overleg tussen klager en verweerder over de zaken die klager in behandeling had verliep slecht; klager en verweerder “hadden (…) steeds vaker heftige discussies” waarbij verweerder “(weer) dagelijks [dreigde] het patronaat in te trekken”. Klager voerde veel overleg met een collega advocaat-stagiaire; “kennelijk zinde dit [verweerder] niet en hij fungeerde dan ook met de nodige regelmaat als stoorzender tijdens het overleg tussen [collega stagiaire] en [klager]”. Het “culmineerde in een incident waarbij [verweerder] eerst de confrontatie zocht met [klager] over het patronaatsverslag en voorts herhaaldelijk beledigende opmerkingen maakte over de vader van [klager] (…) in het verleden werkzaam als advocaat binnen dit arrondissement”. Volgens klager hing tijdens de laatste maanden van zijn stage “alles af van de stemming waarin [verweerder] verkeerde”. Klager zag zich in die periode genoodzaakt om verweerder van repliek te dienen omdat hij “de beledigingen en bedreigingen inmiddels zat” was.

3.5    Volgens klager heeft verweerder hem op 5 december 2018 omstreeks 7.30 uur in de ochtend gebeld. Aanleiding vormde een vertrouwelijke e-mail van klager aan mr. N. Tijdens het telefoongesprek liet verweerder zich onnodig grievend uit over de vader van klager en dreigde hij met de beëindiging van het patronaat. Daarnaast maakte verweerder de ongepaste opmerking over de collega-stagiaire – die op dat moment zwanger was – dat “[mr. N] of een andere medewerkers hem had verteld dat [collega-stagiaire] een keer zwanger van [klager] zou worden”. Later diezelfde dag heeft klager gehoor gegeven aan het verzoek van verweerder om een zitting, een voorgeleiding bij de rechter-commissaris, waar te nemen. Klager heeft dat gedaan en heeft daarbij de door verweerder gegeven instructies gevolgd. Die middag heeft klager een voorgeleiding waargenomen van mr. N en ook daarbij heeft hij de gegeven instructies gevolgd.

3.6    Op 10 december 2018 vond het incident plaats waarvan klager de opname heeft overgelegd. Klager heeft melding gemaakt van het incident bij mr. N, waarna mr. N heeft gereageerd met de hiervoor weergegeven e-mail van 11 december 2018.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft aangevoerd dat hij tot de islam is bekeerd en dat hij niet kampt met een alcoholverslaving of met privéproblemen.

4.2    Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij vanwege een cursus niet in staat was om zijn cliënt bij te staan bij de voorgeleiding op 5 december 2018 en dat hij daarom klager daarvoor heeft ingeschakeld. Verweerder heeft “als goed patroon met [klager] overleg gepleegd en aan [klager] ondubbelzinnige instructies gegeven over de verdediging van [de cliënt] tijdens de voorgeleiding”. Verweerder is vervolgens door zijn cliënt geïnformeerd dat klager de instructies niet had uitgevoerd en dat de cliënt “not amused” was over de wijze van optreden van klager. Verweerder zelf was ook “not amused”. Verweerder heeft erkend dat hij klager op 10 december 2018 “emotioneel” heeft aangesproken over de kwestie terwijl verweerder “nog in shock was”. Verweerder heeft aangevoerd dat hij klager “zoals een goed patroon betaamt” had moeten aanspreken en met hem had moeten overleggen op het moment dat zijn eigen emoties verdwenen waren. Verweerder heeft erkend dat hij op 10 december 2018 een fout heeft gemaakt en heeft daarvoor zijn excuses aangeboden.

4.3    Volgens verweerder heeft hij tot 27 november 2018 “als patroon en als advocaat goed met [klager] samen kunnen werken”. Volgens verweerder is “de kentering (…) begonnen tijdens een uitvoerig gesprek tussen [verweerder] als patroon, [mr. N] en [klager]. Verweerder verwijst naar de e-mail van 11 december 2018 die hiervoor in 2.8 is weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De klacht ziet op gedragingen van verweerder in zijn hoedanigheid van patroon van klager. De raad stelt voorop dat in vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline is bepaald dat het tuchtrecht zoals geregeld in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet ook van toepassing is als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid. Dit betekent dat een advocaat zich bij de vervulling van zijn taak van patroon dient te gedragen op een wijze die een behoorlijk advocaat betaamt en die het vertrouwen in de advocatuur niet schaadt.

5.2    De klachten richten zich tegen gedragingen van verweerder die hebben plaatsgevonden vóór 10 december 2018 en tegen het optreden van verweerder op 10 december 2018.

5.3    Verweerder heeft de klachten die zijn gericht tegen gedragingen van verweerder van vóór 10 december 2018 weersproken. Nu die gedragingen niet vast zijn komen te staan, zal de raad de klacht in zoverre op dit punt ongegrond verklaren.

5.4    Ten aanzien van het incident op 10 december 2018 is de raad van oordeel dat de klacht in alle onderdelen gegrond is. De raad overweegt daartoe het volgende.

5.5    De aanleiding voor het incident op 10 december 2018 vormde volgens verweerder een voorgeleiding bij de rechter-commissaris die door klager op verzoek van verweerder was overgenomen. Volgens verweerder heeft klager zijn instructies niet goed gevolgd, waardoor de zaak – in de woorden van verweerder - is verprutst.

5.6    Gelet op het over en weer gestelde kan de raad niet vaststellen of verweerder klager deugdelijk heeft geïnstrueerd. Evenmin kan de raad vaststellen of klager de gegeven instructies heeft gevolgd of dat hij gegronde redenen had om van de instructies af te wijken. Wat er echter ook zij van de gegeven instructies, de woede waarin verweerder is ontstoken en de wijze waarop hij tekeer is gegaan tegen klager is zonder meer onbetamelijk.

5.7    Tijdens de ruzie tussen partijen die op het geluidsfragment te beluisteren is, heeft verweerder op diverse momenten op klager gescholden. Verweerder heeft grove beledigingen geuit jegens klager, maar ook jegens familieleden van klager. Verweerder heeft verder gedreigd met intrekking van het patronaat van klager en met geweld tegen klager. Een “verprutste” zaak, daargelaten of daarvan sprake was, geeft geen grond om op deze wijze uit te varen tegen een stagiaire, het is een advocaat onwaardig.

5.8    Een patroon dient zijn stagiaire op opbouwende wijze feedback te geven op het functioneren. Een stagiaire moet zich veilig voelen om vragen te stellen, om fouten te maken en om te groeien in het vak van advocaat. Boosheid van een patroon, bijvoorbeeld om een herhaalde fout van een stagiaire, kan daarbij voorkomen en hoeft niet zonder meer in de weg te staan aan een veilige werksfeer voor de stagiaire. Verweerder heeft met zijn uitlatingen en zijn manier van doen op 10 december 2018 de veilige werksfeer echter op ernstige wijze ondermijnd.

5.9    Verweerder heeft met zijn gedragingen niet de integriteit betracht die een behoorlijk advocaat betaamt en heeft daarmee een van de in artikel 10a van de Advocatenwet beschreven kernwaarden geschonden.  

5.10    Dat verweerder voor zijn optreden inmiddels excuses heeft aangeboden aan klager, de deken en de raad, neemt dit alles niet weg en staat niet in de weg aan gegrondheid van de klacht in alle onderdelen.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft verklaard dat hij een eenmanskantoor runt, en niet functioneert als patroon van een stagiaire. Hij is buitengewoon geschrokken van de gevolgen van zijn gedrag, mede omdat hij beseft dat hij veel te verliezen heeft nu zijn kantoor alleen op zijn kracht draait, en hij en zijn gezin afhankelijk zijn van de inkomsten daaruit. Gelet daarop acht de raad de kans niet groot dat een situatie zoals uit deze klachtzaak blijkt zich opnieuw zal voordoen. Wel acht de raad het zorgelijk dat verweerder niet heeft kunnen verklaren waarom hij op 10 december 2018 buitenproportioneel tekeer is gegaan tegen klager. Verweerder heeft met klem  ontkend dat er alcohol in het spel was, zoals door klager gesteld.  

6.2    Verweerder heeft zich gedragen op een wijze die een advocaat onwaardig is en heeft met zijn gedrag een van de kernwaarden geschonden. Gelet op dat alles acht de raad de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren passend.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, van de Advocatenwet het door klager  betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden.

7.2     Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25 reiskosten van klager,

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)  € 500 kosten van de Staat.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klager. Klager geeft tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.5    Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond zoals overwogen in 5.4 tot en met 5.10;

-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van een schorsing voor de duur van zes weken op;

-    bepaalt dat daarvan zes weken niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder binnen de hierna te vermelden proeftijd zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25 aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5.

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. M.P. de Klerk en P.J.E.M. Nuiten, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2020.