Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2020:10
Datum uitspraak:
22-01-2020
Datum publicatie:
14-02-2020
Zaaknummer(s):
19-676/DH/DH
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat kennelijk ongegrond.

's-Gravenhage

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Den Haag van 22 januari 2020 in de zaak 19-676/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 25 september 2019 met kenmerk K032 2019 ar/sh, door de raad ontvangen op 27 september 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. De voorzitter heeft voorts kennis genomen van de e-mail van het bureau van de Orde van Advocaten van 1 oktober 2019.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klager heeft een zus. De zus van klager verblijft in een verzorgingstehuis.

1.2    Tussen klager en het verzorgingstehuis is een geschil ontstaan aangaande onder meer een door het verzorgingstehuis opgelegd toegangsverbod aan klager.

1.3    Klager is op enig moment (het dossier vermeldt niet wanneer) door het Juridisch Loket voor rechtsbijstand verwezen naar verweerder.

1.4    Op 11 september 2018 heeft een gesprek tussen klager en verweerder op diens kantoor plaatsgevonden. Klager wilde dat het toegangsverbod opgeheven zou worden.

1.5    Klager heeft op enig moment (het dossier vermeldt niet wanneer) een klacht over de bijstand van verweerder aan diens kantoor voorgelegd.

1.6    Bij brief van 15 februari 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft het dossier over klager bij de manager van het verzorgingstehuis opgevraagd, terwijl verweerder geen (nadere) informatie van klager wenste te ontvangen.

b)    Verweerder heeft de zaak van klager onvoldoende voortvarend ter hand genomen doordat hij: 

•    de manager van het verzorgingstehuis acht dagen de tijd heeft gegeven voor toezending van het dossier;

•    te veel tijd heeft gestoken om in overleg te treden met het verzorgingstehuis, hetgeen niet is gelukt;

•    te lang heeft gewacht met het aanhangig maken van een kort geding procedure;

•    te lang heeft gewacht met het opstellen van de dagvaarding in kort geding.

c)    Verweerder heeft tegen klager gelogen door te stellen dat het bij de rechtbank te druk was om de datum voor de kortgedingzitting, die voor 11 januari 2019 gepland stond, te vervroegen.

d)    Tijdens de zitting heeft verweerder klager ervan beschuldigd gemaakte afspraken niet te zijn nagekomen. Daardoor heeft klager zijn zaak verloren. 

2.2    Klager heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn klacht ten grondslag gelegd. Volgens klager is zijn zus in het verzorgingstehuis in een gevaarlijke situatie terecht gekomen. Dat het verzorgingstehuis aan klager een toegangsverbod had opgelegd was voor klager reden om een kort geding  te willen starten. Ondanks dat klager verweerder had gewaarschuwd dat (de managers van) het verzorgingstehuis tijd zouden rekken met de verzending van het dossier en vertragingstechnieken hanteren, heeft verweerder de zaak te lang laten duren. Daarbij komt dat volgens klager in december 2018 al een kort gedingprocedure had kunnen plaatsvinden, en dat toen de zitting pas op 11 januari 2019 geagendeerd stond, verweerder deze datum niet heeft laten vervroegen.   

2.3    De stellingen die klager aan de klachtonderdelen ten grondslag heeft gelegd zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft de klacht betwist. Het verweer zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht betreft de kwaliteit van dienstverlening van verweerder. De tuchtrechter toetst de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat in volle omvang. De tuchtrechter houdt daarbij rekening met de vrijheid die de advocaat dient te hebben bij de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waarvoor een advocaat bij de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.2    Verder geldt dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. Wel moet de advocaat zijn cliënt duidelijk maken hoe hij te werk wil gaan en waartoe hij wel of niet bereid is. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is in het algemeen pas sprake als de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt of adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad. De voorzitter zal het handelen van verweerder toetsen aan deze maatstaven.

Klachtonderdeel a)

4.3    De voorzitter overweegt als volgt. Klager heeft gesteld dat verweerder het dossier over klager bij de manager van het verzorgingstehuis heeft opgevraagd en geen (nadere) informatie van klager wenste te ontvangen. Verweerder heeft deze stelling expliciet betwist. Klager heeft  zijn klacht niet toegelicht dan wel geconcretiseerd. Dit verwijt mist derhalve feitelijke grondslag. Klachtonderdeel a is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.4    Met dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij de zaak van klager onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Volgens klager heeft verweerder het verzorgingstehuis acht dagen de gelegenheid gegeven voor toezending van het dossier, ondanks dat klager verweerder te kennen had gegeven dat het verzorgingstehuis vertragingstechnieken hanteert en het dossier toch niet zou toesturen. Daarnaast wilde verweerder met het verzorgingstehuis overleggen, hetgeen niet is gelukt. Voorts heeft verweerder te lang gewacht met het aanhangig maken van een kort geding en het opstellen van een kortgedingdagvaarding.

4.5    Verweerder betwist klachtwaardig te hebben gehandeld. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat hij klager heeft proberen uit te leggen dat een minnelijke schikking de voorkeur verdient boven een gerechtelijke procedure. In dit verband heeft verweerder toegelicht dat hij meerdere gesprekken met klager heeft gevoerd en dat nadien de wederpartij (telkens) een redelijke termijn werd geboden om daarop te reageren. Verweerder betwist dat aan klager toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van de datum waarop de dagvaarding zou worden uitgebracht. Volgens afspraak is de datum voor het kort geding op 4 december 2018 aangevraagd en is mede vanwege de feestdagen de datum voor het kort geding bepaald op 11 januari 2019. Met instemming van verweerder heeft de rechtbank bij de planning van die datum rekening gehouden met de verhinderdata van de wederpartij. Bovendien zijn de termijnen die verweerder daarbij in acht moest nemen, niet in het geding geweest. 

4.6    De voorzitter heeft op basis van het klachtdossier niet kunnen vaststellen dat verweerder in de voor klager gevoerde kortgedingprocedure onvoldoende voortvarend heeft gehandeld dan wel dat verweerder niet de zorg zou hebben betracht die van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. In dit verband is van belang dat een advocaat voor ogen dient te houden dat een minnelijke regeling vaak de voorkeur voordient boven een gerechtelijke procedure. Niet valt in te zien dat en waarom verweerder op dit punt anders had moeten handelen dan hij thans heeft gedaan; verweerder mocht  handelen zoals hij heeft gedaan. Dat klager zich met de aanpak van verweerder niet kon verenigen, betekent nog niet dat sprake is van klachtwaardig handelen door verweerder, die daarbij immers als advocaat een eigen verantwoordelijkheid draagt. Bovendien volgt uit het klachtdossier dat namens klager na het mislukte overleg daadwerkelijk een kortgedingprocedure is gestart om het aan klager door het verzorgingstehuis opgelegde toegangsverbod op te heffen. Er is niet gebleken dat in de zaak van klager sprake was van een dermate spoedeisende situatie dat de kortgedingzitting op 11 januari 2019 niet  kon worden afgewacht. Klager heeft het onderhavige verwijt daartoe onvoldoende concreet onderbouwd. Nu verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt is klachtonderdeel b kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c)

4.7    Klager verwijt verweerder dat hij tegen klager heeft gelogen door te stellen dat het bij de rechtbank te druk was om de datum voor de kortgedingzitting, die voor 11 januari 2019 stond gepland, te vervroegen.

4.8    Volgens verweerder heeft hij bij de rechtbank geïnformeerd of er nog een “gaatje” was, maar dat bleek niet zo te zijn. Nadat klager verweerder had laten weten dat aan hem wel was medegedeeld dat er zittingsruimte zou zijn, heeft verweerder opnieuw geïnformeerd bij de rechtbank en werd hem wederom medegedeeld dat er geen eerdere datum beschikbaar was.

4.9    De voorzitter stelt vast dat tegenover de stelling van klager de ontkenning daarvan door verweerder staat. In dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent de inhoud van de klacht uiteen lopen, stukken ontbreken en niet (goed) kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van verweerder maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat is nu niet het geval. Naar het oordeel van de voorzitter heeft  klager onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om het onderhavige klachtonderdeel aannemelijk te maken. Klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d

4.10    Volgens klager heeft verweerder hem tijdens de zitting ervan beschuldigd dat hij gemaakte afspraken niet is nagekomen. Daardoor heeft klager zijn zaak  verloren. 

4.11    Verweerder betwist dit verwijt van klager. In dit verband heeft verweerder aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting niets bevat dat deze stelling van klager van een begin van aannemelijkheid kan voorzien.

4.12    De voorzitter stelt vast dat klager dit klachtonderdeel tegenover de betwisting door verweerder onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd; in het dossier bevindt zich geen enkele aanwijzing voor de juistheid van deze stelling van klager. Daarom kan de voorzitter de juistheid van dit gemaakte verwijt niet vaststellen.

4.13    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. D.L. van Lijf als griffier op 22 januari 2020.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens