Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2020:1
Datum uitspraak:
06-01-2020
Datum publicatie:
13-01-2020
Zaaknummer(s):
19-803/A/NH
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over deken in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Noord-Holland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 6 januari 2020

in de zaak 19-803/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 27 november 2019 met kenmerk td/re/19-156, door de raad ontvangen op 27 november 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. Voorts heeft de voorzitter kennis genomen van de e-mails van klaagster aan de raad van 11 en 19 december 2019.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken die aan de raad zijn voorgelegd, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klaagster is al jarenlang verwikkeld in een letselschadeprocedure. Klaagster is daarin achtereenvolgens door verschillende advocaten bijgestaan, laatstelijk door mr. B.

1.2    In februari 2018 heeft klaagster bij verweerder een eerste verzoek tot bemiddeling gedaan tussen haar en mr. B. In december 2018 heeft klaagster bij verweerder een tweede verzoek tot bemiddeling gedaan tussen haar en mr. B.

1.3    Bij e-mails van 20 februari 2019, 7 maart 2019 en 18 maart 2019 heeft klaagster bij de griffie van het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerder. Bij beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 23 april 2019 is de klacht voor onderzoek verwezen naar de deken.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    niet bereid is een gesprek aan te gaan met klaagster en mr. B om daarmee van mr. B duidelijkheid te verkrijgen over de lopende procedure;

b)    geen toelichting heeft gegeven waarom hij als deken hiertoe niet bereid is, hetgeen klaagster ervaart als pesterij.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert aan dat klaagster begin februari 2018 voor het eerst om bemiddeling heeft verzocht tussen haar en mr. B. In de periode februari 2018 heeft er meermaals telefonisch contact met klaagster plaatsgevonden. In die periode heeft ook telefonisch contact plaatsgevonden met mr. B, die daarop aangaf dat klaagster meermalen contact met haar had gezocht en zij klaagster in reactie daarop had bericht en haar vragen had beantwoord. Tevens gaf mr. B aan dat klaagster meermalen bij haar op kantoor was geweest voor een bespreking. Ter bevordering van een oplossing gaf mr. B aan dat klaagster een afspraak kon maken bij haar op kantoor. Vervolgens is klaagster door verweerder in overweging gegeven telefonisch contact met het kantoor van mr. B op te nemen voor het maken van een afspraak. Begin december 2018 heeft klaagster wederom verzocht om bemiddeling tussen haar en mr. B. Daarop is klaagster in de periode van begin december 2018 tot en met medio januari 2019 meermalen per e-mail bericht dat haar verzoek zich niet leent voor bemiddeling. Tevens is klaagster meermalen schriftelijk in overweging gegeven om, indien zij zich op het standpunt stelt dat mr. B tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een klacht in te dienen. Uiteindelijk is op 11 januari 2019 aan klaagster schriftelijk bericht dat er (reeds in februari 2018) telefonisch is bemiddeld, welke pogingen helaas niet tot het door haar gewenste resultaat hebben geleid, en dat verweerder als deken op de mogelijkheid heeft gewezen om een klacht in te dienen zodat nader onderzoek kan worden verricht. In die e-mail is tevens aan klaagster bericht dat, voor zover zij berichten zou blijven sturen met het verzoek te bemiddelen, daar niet meer op zal worden gereageerd. Het verzoek van klaagster tot bemiddeling heeft kennelijk betrekking op het feit dat zij haar advocaat mr. B niet begrijpt over de juridische activiteiten en voortgang van het traject in haar letselschadezaak. Kennelijk wenst klaagster een bespreking tussen haar en mr. B waarin verweerder als deken aan klaagster informatie over de zaak vraagt zodat hij vervolgens duidelijkheid kan verstrekken aan klaagster over de juridisch-inhoudelijke gang van zaken. Dit leent zich niet voor bemiddeling. Er is geen sprake van een geschil tussen klaagster en mr. B.  Evenmin is gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van mr. B. Klaagster is ook niet voornemens om een klacht over mr. B in te dienen. Het is verweerder als deken niet toegestaan om zich inhoudelijk in de zaak of in de cliënt-advocaat-relatie te mengen, voor zover er geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan ten grondslag ligt. Aan klaagster is in december 2018 en laatstelijk op 11 januari 2019 schriftelijk uitleg gegeven dat haar verzoek zich niet leent voor bemiddeling. Deze uitleg is ook gegeven in de telefonische contacten met klaagster. Een deken heeft een grote mate van vrijheid om een verzoek tot bemiddeling te beoordelen. Van een tuchtrechtelijk verwijtbare schending van het vertrouwen in de advocatuur is geen sprake, aldus steeds verweerder.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland. Het in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Ad klachtonderdelen a) en b)

4.2    De klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3    De voorzitter overweegt als volgt. Het behoort tot de beleidsvrijheid van een deken om te beoordelen of een verzoek tot bemiddeling al dan niet dient te worden gehonoreerd. Gelet op de door klaagster aan verweerder verstrekte informatie heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat er geen sprake was van een geschil tussen klaagster en mr. B. Het is daarom begrijpelijk dat verweerder geen reden tot bemiddeling aanwezig achtte. Nu evenmin was gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door mr. B is begrijpelijk dat verweerder voor zichzelf geen rol zag weggelegd. Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld dat in december 2018 en laatstelijk op 11 januari 2019 ter zake schriftelijk uitleg is gegeven aan klaagster. Dat klaagster het daarmee kennelijk niet eens was kan aan het voorgaande niet afdoen. De klacht is in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

4.4    Concluderend zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, voorzitter, met bijstand van mr. P.J. Verdam als griffier op 6 januari 2020.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 6 januari 2020 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens