Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2019:164
Datum uitspraak:
23-09-2019
Datum publicatie:
10-10-2019
Zaaknummer(s):
180343W
Onderwerp:
TuchtprocesrechtWraking
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Wraking. Artikel 513 Sv bepaalt dat het wrakingsverzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker baseert zijn verzoek op hetgeen ter zitting van 28 juni 2019 heeft plaatsgevonden. Een week later heeft verzoeker zijn verzoek ingediend. Verzoeker heeft toegelicht dat hij kapot was van de zitting en enige tijd nodig had om te beseffen wat er was gebeurd. Het hof acht de termijn van een week waarbinnen het verzoek is gedaan in het licht van deze  omstandigheden voldoende tijdig. Het verzoek is dus ontvankelijk. Naar het oordeel van het hof zijn  geen feiten en omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of verweerders zich ter zitting achter verweerster hebben geschaard. Anders dan verzoeker heeft gesteld is verzoeker niet vergeleken met een moordenaar. Dat verweerders verzoeker niet zouden hebben begrepen is het hof niet gebleken. Dat verweerders ondeskundig dan wel onwetend waren is het hof evenmin gebleken, nog daargelaten dat die grond op zichzelf beschouwd geen reden voor wraking kan zijn. Tot slot levert ook het verloop van de zitting als blijkend uit het proces-verbaal geen aanwijzingen op voor het oordeel dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomen waren, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek is ongegrond.

n.v.t.

BESLISSING

van 23 september 2019

in de zaak 180343W

naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:

verzoeker

tegen:

mr. T.H. Tanja-van den Broek en mrs. A.R. Sturhoofd en A.A.H. Zegers

voorzitter en leden van het Hof van Discipline

verweerders

 

1    DE PROCEDURE

1.1    Bij beslissing van 17 december 2018 van de Raad van Discipline in het ressor 's-Hertogenbosch (verder: de raad), gewezen onder nummer 18-717/DB/OB, is de klacht van verzoeker tegen [naam verweerster hoofdzaak] (hierna: verweerster) ongegrond  verklaard. Die beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSHE:2018:193.

1.2    Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing van de raad. Het hoger beroep is mondeling behandeld op de openbare zitting van het hof van 28 juni 2019. Verweerders traden bij de behandeling op als voorzitter resp. leden van het hof.

1.3    Verzoeker heeft op 4 juli 2019 een verzoek gedaan tot wraking van verweerders. Dit verzoek is op 4 juli 2019 door de griffie van het hof per e-mail ontvangen en op 5 juli 2019 per post.

1.4    Op 6 augustus 2019 heeft de griffie van het hof een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen van verweerders. Zij hebben niet in de wraking berust en zijn van mening dat het verzoek moet worden afgewezen.

1.5    De wrakingskamer van het hof (hierna: het hof) heeft het wrakingsverzoek mondeling behandeld op de openbare zitting van 26 augustus 2019. Verzoeker is bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest en heeft zijn standpunt nader toegelicht. Verweerders hebben bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.6    Bij de behandeling van het wrakingsverzoek heeft het hof verder kennisgenomen van:

- de beslissing van de raad;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 28 juni 2019.

 

2    BEOORDELING

Criterium

2.1    Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Gronden wrakingsverzoek

2.2    Verzoeker heeft – kort en zakelijk weergegeven – een drietal gronden aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

1.    Het hof was partijdig, niet objectief en vooringenomen. Verzoeker maakt dat op uit het feit dat verweerders zich op zitting achter de advocaat over wie werd geklaagd opstelden en verzoeker ter zitting vergeleken met een moordenaar: “u bent precies de moordenaar die een moord gepleegd heeft, waarvan iedereen weet heeft, maar die desondanks hier voor de rechtbank weigert te bekennen”. Ook uit de uitspraak van het hof dat vaststaat dat verzoeker volledig schuldig is want hij heeft zelf opgeschreven dat hij de executeur van [naam klant verzoeker] was leidt verzoeker af dat het hof de zitting was ingegaan met een van te voren vaststaande overtuiging.

2.    Het hof was onwetend en onbekwaam ten aanzien van de vraag wie iemand tot executeur testamentair benoemt en wanneer iemand executeur wordt (door aanvaarding van de benoeming).

3.    De zitting verliep chaotisch. De zitting begon te laat, aan de echte behandeling van de klacht werd niet toegekomen omdat daar te weinig tijd voor was. De zitting werd klokslag 15.00 uur beëindigd. Door de vooringenomenheid kwam deze chaos het hof goed uit, aldus verzoeker.

Verweer

2.3    Verweerders hebben – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Primair hebben verweerders aangevoerd dat het verzoek te laat is ingediend. Voor het geval dat het tijdig is ingediend hebben verweerders gesteld dat de door verzoeker gestelde uitlatingen niet zijn gedaan. Verzoeker is voorgehouden waarom hij niet van een uitspraak van de kantonrechter in beroep is gegaan als hij het daar niet mee eens is. In dat kader is de vergelijking gemaakt met een verdachte die wordt veroordeeld wegens moord, terwijl hij het niet heeft gedaan en die dan toch ook in hoger beroep gaat. Verder is aangevoerd dat ondeskundigheid geen grond voor wraking kan zijn. Maar los daarvan heeft het hof er geen blijk van gegeven klager niet te hebben begrepen. Tot slot hebben verweerders erkend dat de zitting iets te laat is begonnen. Ook bleek het verweerschrift niet door hem te zijn ontvangen. Vervolgens is besproken hoe hiermee om te gaan, verzoeker had geen behoefte aan een leespauze. Met instemming van verzoeker heeft verweerster als eerste het woord gevoerd. Verder heeft verzoeker alle gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten en is niet gebleken dat verzoeker nog iets had willen zeggen voordat de zitting werd gesloten. Verweerders zijn mening dat zij de zaak onpartijdig hebben behandeld en de door verzoeker ervaren schijn van partijdigheid niet objectief is gerechtvaardigd.

Ontvankelijkheid van het verzoek

2.4    Artikel 513 Sv bepaalt dat het wrakingsverzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker baseert zijn verzoek op hetgeen ter zitting van 28 juni 2019 heeft plaatsgevonden. Een week later heeft verzoeker zijn verzoek ingediend. Verzoeker heeft toegelicht dat hij kapot was van de zitting en enige tijd nodig had om te beseffen wat er was gebeurd. Het hof acht de termijn van een week waarbinnen het verzoek is gedaan in het licht van voormelde omstandigheden bij verzoeker voldoende tijdig. Het verzoek is dus ontvankelijk.

Oordeel wrakingskamer    

2.5    Het hof is van oordeel dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk zijn geworden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden. Het wrakingsverzoek zal dan ook ongegrond worden verklaard. Daartoe is het volgende redengevend.

2.6    Het hof heeft niet kunnen vaststellen of verweerders, zoals verzoeker stelt, zich ter zitting achter verweerster hebben geschaard. Het proces-verbaal van de zitting bevat daarvoor geen aanwijzingen en verzoeker heeft die grond ook niet nader toegelicht.

2.7    Verder is gebleken dat verweerders ter zitting van 28 juni 2019 verzoeker hebben geconfronteerd met zijn eigen verklaring van 6 mei 2015 waarin als volgt wordt verklaard: “[Naam echtgenote klant verzoeker] en [naam verzoeker] verklaren hierbij dat: Conform de wilsbeschikking van de heer [naam klant verzoeker dat]  [naam verzoeker] optreedt als executeur. [naam verzoeker] heeft deze opdracht aanvaard en werkt in deze in overleg met [naam echtgenote klant verzoeker], zijnde de echtgenote van de overleden [naam klant verzoeker].” Ook is hem het vonnis van de kantonrechter (van 17 juni 2015) voorgehouden waarin is vastgesteld dat verzoeker executeur van [naam klant verzoeker] is geweest. Verzoeker is daarentegen van mening dat hij nooit executeur van [naam klant verzoeker] is geweest. Hij is weliswaar wel genoemd als executeur in het testament, maar hij heeft naar eigen zeggen die functie niet uitgeoefend of aanvaard. Hij heeft ook niet om verklaring van executele verzocht. Verweerders hebben toen aan verzoeker gevraagd waarom hij dan niet in beroep was gegaan van dat vonnis. In dat licht is de vergelijking gemaakt van de strekking dat een verdachte, die wegens moord wordt veroordeeld, terwijl hij het niet heeft gedaan, toch ook in beroep gaat.

Op de zitting van dit hof is verzoeker de bewuste passage uit het proces-verbaal waarin voormelde vergelijking wordt gemaakt, voorgehouden. Hij heeft de juistheid van de passage beaamd.

2.8    Het hof is van oordeel dat uit deze vergelijking in het licht van het voorgehoudene niet blijkt van enige vooringenomenheid. Anders dan verzoeker heeft gesteld is verzoeker niet vergeleken met een moordenaar. Verweerders probeerden enkel te achterhalen waarom verzoeker niet in beroep ging van een uitspraak van de kantonrechter waar hij het kennelijk niet mee eens was. Ter zitting van dit hof heeft verzoeker echter verklaard dat hij geen belang had bij hoger beroep, omdat hij zich als zodanig wel kon vinden in de beslissing van de kantonrechter dat een notaris werd benoemd tot executeur.

2.9    Dat verweerders verzoeker niet zouden hebben begrepen is het hof niet gebleken. Het proces-verbaal van de zitting van 28 juni 2019 bevat daarvoor ook geen aanwijzingen. Naar aanleiding van het onderscheid dat verzoeker maakt tussen het benoemen tot executeur en het aanvaarden van die functie nadat erflater is gestorven hebben verweerders verzoeker slechts voorgehouden dat bij de kantonrechter de indruk is ontstaan dat verzoeker de functie had aanvaard. Dat verweerders ondeskundig dan wel onwetend waren is het hof evenmin gebleken nog daargelaten dat die grond op zichzelf beschouwd geen reden voor wraking kan zijn.

2.10    Tot slot levert ook het verloop van de zitting als blijkend uit het proces-verbaal geen aanwijzingen op voor het oordeel dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomen waren, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft de inhoud van het proces-verbaal niet weersproken. Daaruit blijkt dat verzoeker uitgebreid aan het woord is geweest en alles heeft kunnen zeggen wat hij wilde.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    verklaart het wrakingsverzoek van verzoeker van 4 juli 2019, gericht tegen mr. T.H. Tanja-van den Broek, plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline, en mrs. A.R. Sturhoofd en A.A.H. Zegers, leden van het Hof van Discipline, ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.J. Louter en J. Italianer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H. Wagner, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2019.

griffier    voorzitter    

De beslissing is verzonden op 23 september 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens