Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2019:12 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180179D

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2019:12
Datum uitspraak: 25-02-2019
Datum publicatie: 20-03-2019
Zaaknummer(s): 180179D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Schrapping
Inhoudsindicatie: Schrapping n.a.v. dekenbezwaar. Verweerder in appel wegens strafmaat. Het hof acht de maatregel van schrapping gepast en geboden. Verweerder heeft stelselmatig art. 46 AW geschonden. Zijn gedragingen, zoals het niet verschijnen bij piketten en BOPZ-meldingen, passen in een structureel patroon van volstrekt onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor zijn praktijkvoering. Bekrachtiging beslissing raad. Proceskostenveroordeling.

BESLISSING                      

van 25 februari 2019

in de zaak 180179D

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

de deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Rotterdam

deken

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 11 juni 2018, onder nummer 17-948/DH/RO/D, aan partijen toegezonden op 11 juni 2018. In deze beslissing is het bezwaar van de deken wat betreft de onderdelen a en i ongegrond verklaard en is het bezwaar voor het overige gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Daarbij is verweerder veroordeeld tot de betaling van de proceskosten van € 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2018:120.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Verweerder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen door middel van een e-mailbericht aan de raad, dat door de griffie van het hof op 10 juli 2018 is ontvangen, en een beroepsschrift van 11 juli 2018, dat door de griffie van het hof op 11 juli 2018 is ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de brief van 17 augustus 2018 van de deken;

-    het aanhoudingsverzoek met bijlage van 26 september 2018 van verweerder;

-    het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het hof op 28 september 2018;

-    de mail van verweerder d.d. 25 januari 2019 inzake zijn afwezigheid ter zitting;

-    de mail van verweerder d.d. 25 januari 2019, met als bijlage de bevestiging van de uitschrijving van verweerder van het landelijk advocatentableau per 21 januari 2019. 

2.3    Het hof heeft de zaak in eerste instantie mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 28 september 2018 waar de deken is verschenen. Verweerder is toen niet verschenen. Hij heeft het hof bij brief van 26 september 2018 verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak omdat hij op dat moment in behandeling was bij een kliniek in Zuid-Afrika voor zijn burn-out en middelenafhankelijkheid. Hiertoe heeft hij als bijlage bij genoemde brief een verklaring overgelegd van [de behandelaar van verweerder bij die kliniek]. Hierin staat dat verweerder bij voormeld instituut in behandeling is voor burn-out en middelenafhankelijkheid en verwacht wordt op 15 december 2018 naar Nederland terug te keren. Ter zitting van 28 september 2018 heeft het hof het aanhoudingsverzoek behandeld. De deken is in de gelegenheid gesteld zijn reactie te geven. Het hof heeft, alles afwegend, het aanhoudingsverzoek toegewezen en de behandeling van de zaak aangehouden tot medio januari 2019. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de op dat moment lopende schorsing van verweerder op basis van een beslissing van het hof d.d. 26 maart 2018, nummer 170279, en de opgelegde schorsing van verweerder op basis van de beslissing van de raad d.d. 16 juli 2018, nummer 18-137/DH/RO.

2.4    Het hof heeft de zaak vervolgens mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 25 januari 2019, waar de deken is verschenen. Verweerder is niet verschenen, zoals aangekondigd in zijn e-mailbericht d.d. 25 januari 2019.

3    HET DEKENBEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die het beroep van advocaat met zich brengt.

4    FEITEN

4.1    In de beslissing van de raad zijn onder randnummer 2 de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De feiten die de raad heeft vastgesteld vormen daarom ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van het dekenbezwaar. Omwille van de leesbaarheid worden zij hieronder integraal opgenomen.

4.2    Verweerder is op 31 maart  2006 beëdigd als advocaat. Hij voert zelfstandig kantoor. Op zijn kantoor zijn geen andere advocaten werkzaam.

4.3    Bij brief van 13 juni 2016 heeft de Hoofofficier van Justitie aan klager bericht een redelijk vermoeden te hebben dat verweerder betrokkenheid had bij het wijzigen van een vonnis van 13 juni 2013 en er jegens verweerder derhalve een verdenking bestond ter zake overtreding van artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

4.4    Bij brief van 11 juli 2016 heeft de Hoofdofficier van Justitie aan klager bericht dat verweerder bij een tweetal zittingen op respectievelijk 30 juni en 1 juli 2016 niet is verschenen.

4.5    Een advocaat waarmee verweerder korte tijd een samenwerkingsverband had heeft bij brief d.d. 30 september 2016 aan klager bericht dat hij van de rechtbank had vernomen dat verweerder bij zittingen van 23 en 26 september 2016 niet is verschenen.

4.6    Op 13 februari 2017 is door een deurwaarder de bemiddeling van klager ingeroepen om te bewerkstelligen dat een openstaande factuur werd voldaan. Verweerder heeft niet gereageerd op brieven en e-mailberichten daarover van klager. De bemiddeling is bijgevolg niet geslaagd.

4.7    In het weekeind van 15 en 16 juli 2017 is verweerder opgepakt vanwege de verdenking van huiselijk geweld en na aanhouding voor verhoor in verzekering gesteld. Verweerder is vervolgens in bewaring gesteld voor een periode van 14 dagen, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging werd opgeschort tot 21 juli 2017 teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn advocatenpraktijk zorgvuldig te kunnen overdragen.

4.8    Omdat verweerder zich op 21 juli 2017 niet had gemeld is hij op 22 juli 2017 aangehouden.

4.9    Op 27 juli 2017 heeft klager een verzoek ex artikel 60ab lid 2 Advocatenwet bij de raad ingediend. Daaraan heeft hij de voorlopige hechtenis van verweerder ten grondslag gelegd.

4.10    Bij beschikking van 3 augustus 2017 heeft de raadkamer van de rechtbank Den Haag de gevangenhouding bevolen voor een termijn van 30 dagen. Bij dezelfde beschikking werd de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen met ingang van 4 augustus 2017.

4.11    Het verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet is bij beslissing van de raad d.d. 8 augustus 2017 afgewezen (17-554/DH/RO), omdat de voorlopige hechtenis was geschorst.

4.12    Op 24 augustus 2017 heeft een huisarts een klacht tegen verweerder ingediend omdat hij tot tweemaal toe zonder opgaaf van redenen niet was komen opdagen bij een beoordeling van een rechterlijke machtiging in de thuissituatie. Dit heeft voor een uitstel van ruim anderhalve maand gezorgd bij de opname van een patiënte in een verpleeghuis. Navraag bij de rechtbank bevestigde dit.

4.13    Op 14 september 2017 heeft de rechtbank Rotterdam telefonisch contact opgenomen met het Bureau van de Orde met de mededeling dat verweerder diezelfde middag niet verschenen was op een zitting in het kader van de Wet BOPZ. De rechtbank had meerdere keren tevergeefs getracht contact met verweerder te krijgen. De zaak is uiteindelijk aangehouden, hetgeen niet in het belang van de cliënt van verweerder is.

4.14    De rechtbank deelde tijdens dit telefoongesprek verder mede dat verweerder die week piketdienst had. Na telefonische inlichtingen te hebben ingewonnen bij de piketcentrale, is gebleken dat verweerder diverse, in elk geval twee, piketmeldingen had geaccepteerd.

4.15    Eveneens op 14 september 2017 ontving klager bericht van een advocaat dat zij door de rechtbank was benaderd met het verzoek of zij twee cliënten zou willen bijstaan tijdens een zitting over een voortgezette inbewaringstelling op grond van de Wet BOPZ. De rechtbank had aangegeven dat verweerder niet verschenen was bij het verhoor van een cliënt die dag om 12.05 uur in GGZ (…) en dat het niet mogelijk was gebleken met verweerder in contact te komen. Volgens deze advocaat had verweerder ten minste twee piketmeldingen geaccepteerd terwijl hij die cliënten daarna geen rechtsbijstand heeft verleend en bij ten minste één verhoor niet is verschenen. Beide cliënten zijn door deze advocaat bezocht en verklaarden nog geen advocaat te hebben gesproken terwijl zij al enkele dagen gedwongen waren opgenomen. De verpleegkundigen van de afdelingen bevestigden dit.

4.16    Op 16 september 2017 is klager gebeld door de Hoofdofficier van Justitie. Hij deelde hem mede dat verweerder opnieuw was aangehouden omdat hij zich niet aan de voorwaarden voor zijn schorsing had gehouden. Meer in het bijzonder had hij zich niet voor een afspraak bij de reclassering gemeld.

4.17    Op 22 september 2017 heeft mede naar aanleiding bovenstaande signalen tussen klager en verweerder een bespreking plaatsgevonden.

4.18    Bij brief van 27 september 2017 heeft de Hoofdofficier van Justitie aan klager bericht dat verweerder, die op 24 september 2017 ingeroosterd was voor het ZSM-piket, de aan hem verzonden piketmeldingen niet heeft aangenomen en ook niet is verschenen, waardoor de verdachten geen bijstand kregen van een raadsman.

4.19    Naar aanleiding van de bespreking van 22 september 2017 heeft klager bij brief van 8 november 2017 aan verweerder bericht een dekenbezwaar te zullen indienen en hem dat daarbij in concept toegezonden.

4.20    Verweerder is uit hoofde van een beslissing van het Hof van Discipline d.d. 26 maart 2018 (nummer 170279) voor de duur van 26 weken geschorst.

4.21    Het hof voegt aan deze feiten nog de volgende feiten toe.

- Verweerder is uit hoofde van een beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag d.d. 10 september 2018, nummer 18-339/DH/RO, voor de duur van 26 weken geschorst. Deze beslissing staat onherroepelijk vast.

- Verweerder is uit hoofde van een beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag d.d. 16 juli 2018, nummer 18-337/DH/DH/D, voor de duur van 26 weken geschorst. Deze beslissing staat onherroepelijk vast.

5    BEOORDELING

Oordeel raad

5.1    Kort samengevat heeft de raad geoordeeld dat verweerder stelselmatig art. 46 van de Advocatenwet heeft geschonden. Tevens heeft hij klager belemmerd in zijn toezichthoudende taak. De gedragingen van verweerder zijn geen incidenten maar passen in een structureel patroon van volstrekt onvoldoende besef van verantwoordelijkheid in de wijze waarop hij zijn praktijkvoering dient te organiseren. De raad acht de maatregel van schrapping passend en geboden en heeft daarbij acht geslagen op het tuchtrechtelijke verleden alsmede de houding en opstelling van verweerder op zitting: warrig en onsamenhangend. De raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat hij na ommekomst van de schorsingstermijn zijn praktijk structureel beter zal oppakken en het risico op herhaling van de hem verweten gedragingen dan zal zijn afgenomen.

Standpunt verweerder

5.2    Verweerder heeft in zijn hoger beroepschrift d.d. 10 juli 2018 twee inhoudelijke grieven aangevoerd. Kort samengevat is hij van oordeel dat de beslissing van de raad onvoldoende gemotiveerd is en de raad van een aantal onjuiste feiten is uitgegaan. Op 11 juli 2018 tekent hij opnieuw hoger beroep aan. In dit beroepschrift voert hij aan dat hij zich goeddeels kan vinden in het oordeel dat hij fouten heeft gemaakt, dat hij ter zitting heeft aangegeven een burn-out te hebben en ruim de tijd te willen nemen voor het zoeken van professionele begeleiding. De maatregel van schrapping vindt hij te zwaar. De griffie van het hof heeft bij brief van 18 juli 2018 verweerder verzocht aan te geven van welk beroepschrift het hof diende uit te gaan. Hierop heeft het hof van verweerder geen antwoord ontvangen.

5.3    Voorafgaand aan de voortzetting van de behandeling van zijn zaak na de aanhouding op 28 september 2018, heeft verweerder in zijn e-mailbericht d.d. 25 januari 2019 aangegeven niet te zullen verschijnen. Kort samengevat voert hij aan dat hij weliswaar een stuk is opgeknapt, doch thans niet in staat is om zijn praktijk te voeren. Hij constateert dat dit op korte termijn ook niet in het verschiet ligt. Daarom heeft hij zichzelf van het tableau laten schrappen. Thans heeft hij het hof niets te bieden waaruit het hof het vertrouwen zou krijgen dat hij nu of op korte  termijn weer in staat zal zijn als advocaat op te treden. Hij is het eens met de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de bezwaren van de deken. De opgelegde maatregel van schrapping vindt hij te zwaar. Hij refereert zich aan het oordeel van het hof en zal niet verschijnen.

Standpunt deken

5.4    Volledigheidshalve is de deken desgevraagd in zijn reactie op zowel het beroepschrift van 10 juli 2018 als dat van 11 juli 2018 ingegaan. Kort samengevat is de deken van mening dat de grieven met betrekking tot de motivering en de feiten niet slagen. Met betrekking tot de opgelegde maatregel neemt de deken het standpunt in dat ook deze grief niet kan slagen. Hij heeft niet gezien dat verweerder de schorsing van 26 weken die aan hem was opgelegd heeft benut om zijn gezondheidstoestand te verbeteren of om zijn praktijk weer op orde te krijgen. Het niet verschijnen bij piketten en het niet verschijnen na een acceptatie van een melding in het kader van de Wet Bopz raken de kern van de werkzaamheden van een advocaat. De meest kwetsbare cliënten heeft verweerder hierdoor in de steek gelaten. De deken komt tot de conclusie dat de maatregel in stand dient te blijven.

Oordeel hof

5.5    Het hof oordeelt als volgt. Gelet op het laatste bericht van verweerder van 25 januari 2019 waarin hij aangeeft het eens te zijn met de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de betreffende bezwaren van de deken en enkel de maatregel van schrapping te zwaar te vinden en  zich te refereren aan het oordeel van het hof, houdt het hof het ervoor dat verweerder zijn inhoudelijke grieven zoals verwoord in zijn geschrift van 10 juli 2018 heeft laten varen. De overwegingen van de Raad zoals weergegeven onder de randnummers 5.1 tot en met 5.10 staan hiermee vast.

5.6    Met betrekking tot de opgelegde maatregel oordeelt het hof als volgt. Het hof constateert met de raad dat verweerder stelselmatig artikel 46 van de Advocatenwet heeft geschonden. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij zich aan de voor hem geldende regels houdt. Uit de feiten blijkt dat de gedragingen van verweerder geen incidenten zijn maar passen in een structureel patroon van volstrekt onvoldoende besef van verantwoordelijkheid in de wijze waarop hij zijn praktijkvoering dient te organiseren. Het hof rekent dit verweerder zwaar aan, met name het niet verschijnen bij piketten en het niet verschijnen na een Bopz-melding. Daarnaast is vast komen te staan dat verweerder klager heeft belemmerd in zijn toezichthoudende taak. Dit alles raakt de kern van het beroep van advocaat. Daarmee hebben zijn gedragingen het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen schade toegebracht.

5.7    Verweerder heeft niets aangevoerd dat op enigerlei wijze aanleiding zou kunnen geven tot oplegging van een minder zware maatregel over te gaan. Dat verweerder dienaangaande niets heeft bij te dragen is ook wat verweerder zelf aangeeft zoals hiervoor onder 5.2 weergegeven in de tweede  tot en met de vijfde volzin.  Verweerder heeft in zijn e-mailbericht d.d. 25 januari 2019 aangegeven aan herstel te werken door zijn opname in een kliniek in Zuid-Afrika. In hoeverre hij daadwerkelijk baat heeft gehad bij deze behandeling heeft hij het hof niet laten weten. Verweerder heeft ervoor gekozen niet ter zitting te verschijnen zodat het hof hem hierover niet heeft kunnen bevragen. Ook is aan het hof geen schriftelijk stuk, bijvoorbeeld een rapportage van de kliniek, overgelegd waaruit het hof zou kunnen afleiden of en, zo ja, welke verbeteringen zijn opgetreden. Desgevraagd heeft de deken ter zitting aangegeven dat verweerder hem op dit punt evenmin enige informatie heeft verschaft. Verweerder heeft hem uitsluitend medegedeeld niet te zullen verschijnen en zich van het tableau te laten schrappen, hetgeen is geschied.

5.8    Alles in aanmerking genomen acht het hof met de raad de maatregel van schrapping passend en geboden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat aan verweerder in 2018 tot drie maal toe een onherroepelijk vaststaande onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken is opgelegd.

5.9    Het hof zal dan ook de beslissing van de raad om verweerder van het tableau te schrappen bekrachtigen.

5.10    Omdat het hof de beslissing tot oplegging van een maatregel bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van € 1.000,-- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

5.11    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1.000,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline d.d. 11 juni 2018 onder nummer 17-948/DH/RO/D, voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.000,-- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. D.V.E.M. Van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mrs.  A.J.M.E. Arpeau, A.J. Louter, G.C. Endedijk, J.M. Atema, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2019.

griffier    voorzitter

De beslissing is verzonden op 25 februari 2019.