Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:5
Datum uitspraak:
14-01-2019
Datum publicatie:
16-01-2019
Zaaknummer(s):
18-720/DB/ZWB
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Advocaat heeft in hoedanigheid van deken in antwoord op vragen over een tuchtrechtelijke procedure tegen zijn voorganger verwezen naar uitspraken van de tuchtrechter: begrijpelijk en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.  Klacht kennelijk ongegrond.

Zeeland-West-Brabant

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort 

’s-Hertogenbosch van  14 januari 2019

 

in de zaak 18-720/DB/ZWB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager





tegen:

 

 

verweerder



 

Klager heeft bij brief, door het Hof van Discipline op 26 juni 2018 ontvangen, een klacht tegen verweerder ingediend. De voorzitter van het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 17 juli 2018 de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant aangewezen voor onderzoek van voormelde klacht tegen verweerder.

 De voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K18-074, door de raad ontvangen per email op 7 september 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1            FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1     Klager heeft per email d.d. 21 juni 2018 het volgende aan het bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag geschreven :

“In een zaakvan de voormalig deken (mr. M) contra ondergetekende stelde (mr. M) dat (klager) toevoegingen had aangevraagd voor zaken en deze gedeclareerd heeft, zonder daadwerkelijk rechtsbijstand te hebben verleend aan rechtzoekenden.

Ik verzoek u vriendelijk doch dringend op het onderstaande in te gaan.

Heeft de deken, i.c. (mr. M), dan wel een andere deken, e.e.a. onderzocht?

Zo ja wilt u mij uiterlijk op 26 juni 2018 het verslag van zijn bevindingen doen toekomen?

Zo neen, wilt u mij uiterlijk op 26 juni 2018 berichten hoe de deken aan bovenvermelde conclusie komt.

Indien en voor zover ik op of voor 26 juni 2018 geen, dan wel geen bevredigende reactie ontvang, dan ga ik er zonder meer van uit dat de mededeling van de deken, zoals vermeld in ECLI:NL:TAHVD:216 onder r.o. 3, onjuist is, althans dat er geen onderzoek i.c. is gedaan.”

 

1.2     De stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag heeft namens verweerder bij brief van 22 juni 2018 het volgende geantwoord:

“Namens de deken (……), bevestig ik u hierdoor de goede ontvangst van uw e-mailbericht van 20 juni jl.

Ik verwijs u voor het antwoord op uw vragen graag naar de inhoud van het dekenbezwaar en de uitspraken van de Raad van Discipline en het Hof van Discipline.”

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

door of namens verweerder in zijn hoedanigheid van (voormalig) deken niet, althans niet adequaat is geantwoord op de door klager in zijn email van 20 juni 2018 gestelde vragen.

Klager heeft ter toelichting op zijn klacht het volgende naar voren gebracht:

2.2       Het staat vast dat de toenmalige deken mr. M geen onderzoek heeft verricht in maar liefst 87 dossiers. Door dit ter zitting van de Raad van Discipline te stellen (de deken wordt op zijn woord geloofd), doch niet te bewijzen, heeft hij in strijd met de waarheid verklaard. Noch bij de Raad van Discipline, noch bij het Hof van Discipline kan men in het procesdossier iets vinden van een onderzoeksverslag naar 87 dossiers van of namens de toenmalige deken. Het is een stelling die uit de lucht kwam vallen en feitelijke grondslag miste.

3            VERWEER

3.1       De reden dat de stafjurist namens de deken heeft volstaan met een verwijzing naar de gevoerde klachtenprocedure is dat daarin door de tuchtrechter is vastgesteld welke onderzoeken precies hebben plaatsgevonden. Klager is daarvan op de hoogte en beschikt over alle stukken, zodat met deze verwijzing de vragen van klager adequaat waren beantwoord.

3.2       Verweerder ziet niet in welk belang klager heeft bij het vragen van de informatie, nu het een zaak betrof waarin hij alle argumenten die hij had naar voren heeft kunnen brengen en waarin in hoogste instantie is beslist. De klachtenprocedure kan niet worden gebruikt als een verkapte vorm van hoger beroep tegen een onherroepelijke beslissing van het Hof van Discipline uit het jaar 2016.

 

4            BEOORDELING

4.1     De klacht heeft betrekkingop het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken. De voorzitter stelt voorop dat het in de advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten en een behoorlijke beroepsuitoefening beoogt te waarborgen. De advocaat die zijn taak als deken uitoefent is niet werkzaam in zijn hoedanigheid van advocaat. Het tuchtrecht voor advocaten is op een advocaat die in zijn hoedanigheid van deken handelt alleen dan van toepassing, indien die advocaat zich bij de vervulling van zijn taak als deken zodanig gedraagt dan wel misdraagt, dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd. De voorzitter zal de klacht met inachtneming van bovenstaand uitgangspunt beoordelen.

4.2     De klacht heeft betrekking op de wijze waarop (namens) verweerder op vragen van klager is geantwoord. De voorzitter stelt vast dat de vragen van klager betrekking hadden op de wijze waarop door de voorganger van verweerder in een eerdere tuchtrechtelijke procedure onderzoek was gedaan. Vast staat dat door de tuchtrechter in hoogste instantie is beslist op de dekenbezwaren. Voor zover klager zich niet kon verenigen met stellingen van de voorganger van verweerder in die tuchtrechtelijke procedure had het op de weg van klager gelegen dit in die tuchtrechtprocedure naar voren te brengen. Nadat door de tuchtrechter onherroepelijk op een dekenbezwaar is beslist is de zaak afgedaan en kan daarop niet meer worden teruggekomen. De voorzitter acht het dan ook begrijpelijk dat, nu de vragen van klager enkel betrekking hadden op (het verloop van) een eerdere tuchtrechtelijke procedure, de vragen van klager niet inhoudelijk zijn beantwoord, maar dat namens verweerder is volstaan met een verwijzing naar de inhoud van de dekenbezwaren en de uitspraken van de tuchtrechter in die procedure. Ter zake valt verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt te maken. 

4.3     Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46 j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

 

De voorzitter verklaart:

 

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. W.E.A. Gimbrère-Straetmans,voorzitter, met bijstand van mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier op 14 januari 2019.

 

 

Griffier                                                          Voorzitter

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens