Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:196
Datum uitspraak:
30-12-2019
Datum publicatie:
02-01-2020
Zaaknummer(s):
19-490 DB/LI
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Dat verweerder de rechter en de deken feiten heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of kon kennen, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Ongegrond.

Limburg

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van  30 december  2019

in de zaak 19-490/DB/LI

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

           

                       

                       klager

 

                        tegen:

 

                       verweerder

 

 

 

 

 

 

1         Verloop van de procedure

1.1     Bij brief d.d. 31 maart 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2     Bij e-mail aan de raad van 23 juli 2019 met kenmerk nr. K19-036 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3     De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 18 november 2019. Verschenen zijn klager en verweerder.  

1.4     De raad heeft kennis genomen van:

-      de hierboven genoemde brief van de deken en de daaraan gehechte stukken;

-      de nagekomen brieven met bijlagen van klager d.d. 31 oktober en 1 november 2019.

 

2        Feiten

2.1     Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, van de volgende feiten uitgegaan:

2.2     Klager is werkzaam geweest als advocaat en is per 4 november 2016 geschrapt van het tableau. Klager heeft de heer VL (hierna: “VL”) van 2009 tot 2016 bijgestaan als advocaat. Na klagers schrapping heeft klager de behandeling van een aantal lopende dossiers van VL overgedragen aan verweerder.

2.3    Procedure 1

          VL heeft jegens klager een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt wegens –vermeende- beroepsfouten van klager. VL werd in deze gerechtelijke procedure bijgestaan door verweerder. Deze procedure zal hieronder worden aangeduid als procedure 1.

2.4     Op 10 april 2018 heeft klager een conclusie van antwoord ingediend. Klager heeft verweer gevoerd tegen de vordering van VL. Klager heeft geen eis in reconventie ingesteld. Onder punt 23 heeft klager het volgende gesteld:

          “ (23) (…) N.B. [Klager] heeft overigens voor het overgrote deel van de eigen bijdrages die [VL] verschuldigd is aan [klager] voor de verrichte werkzaamheden niet vergoed gekregen (in totaal heeft [klager] bij [VL] aanspraak gemaakt op meer dan EUR 10.000,-- maar dit is vooralsnog onbetaald gebleven.

          (…) Zowel ten aanzien van de niet betaalde eigen bijdrages als eventuele schade die [klager] heeft geleden en lijdt door het niet overnemen van de toevoeging behoudt [klager] zich alle rechten en weren voor om dit via een afzonderlijke procedure de daarvoor verantwoordelijke partij te verhalen.”

2.5     Op 6 juni 2018 heeft een zitting plaatsgevonden bij de kantonrechter. Tijdens deze zitting is blijkens de zittingsaantekeningen van de griffier ter zake de –vermeende- vordering van klager op VL ter zake eigen bijdragen het volgende verklaard:

         “(…) [gemachtigde van klager]:  (…) Er is ook nog een vordering van 10.000 euro i.v.m. niet betaalde eigen bijdrage.

[VL] : Zou dat niet kunnen betalen. Mogelijk wel in termijnen. Maar ik betwist de verschuldigdheid.

[kantonrechter] : Die 10.000 euro zou je als verrekening mee kunnen nemen. Heb in deze zaak de vordering meer dan voor de helft gehalveerd. Misschien kun je de rest ook zo benaderen. (…)”

2.6     De zitting is geschorst, klager en VL hebben een minnelijke regeling getroffen en na hervatting van de zitting is het volgende verklaard:

         “[gemachtigde van klager] : 11.000 euro namens [klager] betaald tegen finale kwijting; dat ziet op alles, zonder erkenning aansprakelijkheid; [klager] houdt zich recht op die 10.000 euro voor. (…)”

2.7    Procedure 2

          Op enig moment in de tweede helft van het jaar 2018 heeft klager VL gedagvaard en betaling gevorderd van eigen bijdragen over de jaren 2010 tot en met 2014 ten bedrage van in totaal € 11.000,--. Deze procedure zal hieronder worden aangeduid als procedure 2.

2.8     Op 19 september 2018 heeft verweerder namens VL een conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie ingediend. Onder punt 21 van deze conclusie heeft verweerder het volgende gesteld:

         “(21) In 2018 heeft [VL] [klager] gedagvaard in verband met door [klager] gemaakte beroepsfouten. Pas tijdens de comparitie van partijen d.d. 6 juni 2018 meldde [klager] voor het eerst sinds november 2014 dat hij nog een vordering van zo’n € 11.000,-- op [VL] zou hebben wegens vermeende openstaande eigen bijdragen. Kennelijk met de bedoeling om dit in de onderhandeling over een regeling te gebruiken. Door [VL] werd deze vordering uitdrukkelijk betwist en de rechter gaf ook duidelijk te kennen dat hij nogal verrast was door het instellen van een vordering met betrekking tot toevoegingen van inmiddels 9 jaar geleden. Er werd dan ook afgesproken deze vermeende vordering buiten de regeling te laten.”

2.9     Op 22 maart 2019 heeft in deze procedure een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Tijdens deze comparitie heeft verweerder gesteld dat klager pas tijdens de schikkingsonderhandelingen tijdens de zitting op 6 juni 2018 aanspraak heeft gemaakt op betaling van de eigen bijdragen, dat de kantonrechter en verweerder hierdoor verrast waren en dat deze vordering buiten de schikking is gebleven.

2.10   Bij brief d.d. 31 maart 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder. Bij brief d.d. 29 april 2019 heeft verweerder verweer gevoerd tegen de klacht en – onder meer – het volgende naar voren gebracht:

         “(…) Tijdens de comparitie van partijen vroeg de rechter of partijen bereid waren te spreken over een regeling. Op dat moment noemde [klager] ten overstaan van de rechter zijn (vermeende) vordering inzake de eigen bijdrage. Aangezien dit geen onderdeel van de procedure was en [klager] deze vordering op een summiere verwijzing in de conclusie van antwoord na tot op dat moment op geen enkele wijze had toegelicht, laat staan onderbouwd, werd dit door de rechter weggewuifd. De rechter liet uitdrukkelijk merken dat het opvallend was dat dit ter sprake kwam gezien het feit dat de oudste eigen bijdragen op dat moment al dateerden van acht jaar gelden.

          Ondergetekende was als gezegd ook op geen enkele wijze voorbereid op deze (vermeende) vordering. Deze maakte immers geen onderdeel uit van de procedure. Bovendien gaf de voormalig cliënt van [klager] [VL] desgevraagd door ondergetekende tijdens de comparitie ook aan dat hij al jaren niets over deze vordering had vernomen en dat deze vordering op niets zou zijn gebaseerd. Om die reden is destijds besloten om hier –net als de rechter deed – niet nader op in te gaan en deze buiten de tussen partijen getroffen schikking te laten. (…)

 

3       KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

 

1.     tijdens een comparitie na antwoord een onjuiste mededeling aan de kantonrechter heeft gedaan;

2.     in de klachtprocedure een onjuiste mededeling aan de deken heeft gedaan.

 

                          3.2    Toelichting

                                   Klachtonderdeel 1

                Tijdens de comparitie na antwoord d.d. 22 maart 2019 in procedure 2 heeft verweerder aan de kantonrechter medegedeeld dat klager pas tijdens de schikkingsonderhandelingen in procedure 1 aanspraak had gemaakt op deze vordering en dat iedereen, inclusief de kantonrechter, daardoor zo verrast was dat deze vordering buiten de schikking is gebleven.

                Klachtonderdeel 2

                Verweerder heeft ten onrechte tijdens de klachtprocedure aan de deken medegedeeld dat de kantonrechter in procedure 1 de vordering had weggewuifd.  

 

                          4       VERWEER

                          4.1    Klachtonderdeel 1

                                    Klager heeft in de conclusie van antwoord d.d. 10 april 2018 slechts een summiere verwijzing naar de (vermeende) vordering ter zake niet betaalde eigen bijdragen opgenomen, maar klager heeft geen tegenvordering ingesteld. De (vermeende) vordering ter zake niet betaalde eigen bijdragen was geen onderdeel van procedure 1. Tijdens de comparitie van partijen in procedure 2 heeft verweerder aangegeven dat klager al jarenlang (aantoonbaar) geen aanspraak had gemaakt op betaling van de eigen bijdragen en dat hij in procedure 1 ook geen reconventionele vordering had ingesteld, zodat het hoogst vreemd te noemen was dat hij ten tijde van de schikkingsonderhandelingen in die procedure ineens wel weer aanspraak maakte op de betaling van de eigen bijdragen. Hiermee heeft verweerder geen onwaarheid gesproken. Overigens had verweerder dit ook al naar voren gebracht in de conclusie van antwoord d.d. 19 september 2018, zodat klager in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren.

                         4.2    Klachtonderdeel 2

                                    Verweerder heeft geen onwaarheden naar voren gebracht bij de deken. Verweerder heeft beoogd duidelijk te maken dat de kantonrechter verrast werd door het feit dat verweerder tijdens de schikkingsonderhandelingen aanspraak maakte op betaling van de eigen bijdragen en dat die vordering vervolgens buiten de getroffen regeling is gebleven.

 

                         5        BEOORDELING

5.1     De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De raad overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.De raad zal de klacht met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen. 

 

 5.2   Klachtonderdeel 1

De raad stelt vast dat tussen klager en de cliënt van verweerder gerechtelijke procedures aanhangig zijn (geweest). Kennelijk kan klager zich niet vinden in de standpunten die verweerder namens zijn cliënt heeft verwoord, maar dit betekent nog niet dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van zijn optreden.  In het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt stond het verweerder vrij om namens zijn cliënt standpunten in te nemen die afweken van de standpunten van klager.

 

5.3     De door verweerder verwoorde standpunten betreffen de inhoud van het civielrechtelijke geschil dat klager en de cliënt van verweerder verdeeld houdt. Het is niet aan de tuchtrechter daarover te oordelen, tenzij verweerder een evident onpleitbaar standpunt zou innemen en hij klagers belangen daarmee nodeloos en op ontoelaatbare wijze zou schaden. Daarvan is hier geen sprake. Klagers – vermeende – vordering ter zake de eigen bijdragen is immers geen onderdeel geweest van procedure 1. Klager heeft weliswaar in zijn in de conclusie van antwoord naar voren gebrachte verweer met een zijdelingse opmerking gerefereerd aan openstaande eigen bijdragen, maar betaling heeft hij, al dan niet middels het instellen van een reconventionele vordering, niet gevorderd. Onder deze omstandigheden stond het verweerder vrij om in procedure 2 tijdens de comparitie na antwoord op 22 maart 2019 aan de kantonrechter mede te delen dat klager pas tijdens de schikkingsonderhandelingen in procedure 1 aanspraak heeft gemaakt op deze vordering. Dat klagers vermeende vordering ter zake de eigen bijdrage buiten de op 6 juni 2018 getroffen regeling is gebleven is evenmin feitelijk onjuist.

 

5.4     Dat verweerder de rechter feiten heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of kon kennen, is naar het oordeel van de raad niet gebleken en als de door verweerder geponeerde stellingen al onjuist waren, lag het op de weg van klager, dan wel diens advocaat, om deze stellingen in de gerechtelijke procedure te weerspreken en te weerleggen. Het was vervolgens aan de rechter om aan de hand van de over en weer geponeerde stellingen en het overgelegde bewijsmateriaal een oordeel te geven over de geschilpunten. Klachtonderdeel 1 is gezien het voorgaande ongegrond.

 

5.5   Klachtonderdeel 2

Uit de overgelegde zittingsaantekeningen van de griffier van de op 6 juni 2018 gehouden comparitie blijkt dat klagers vordering ter zake de eigen bijdragen tijdens de comparitie kort ter sprake is geweest. Bij brief d.d. 29 april 2019 heeft verweerder in zijn verweer tegen de door klager ingediende klacht aan de deken medegedeeld dat de kantonrechter tijdens de comparitie op 6 juni 2018 klagers vordering ter zake de eigen bijdragen heeft “weggewuifd”. Klager meent dat verweerder hiermee in strijd met de waarheid heeft verklaard en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

5.6     De raad stelt vast dat verweerder kennelijk, door de term “wegwuiven” te bezigen, een andere interpretatie dan klager heeft gegeven aan hetgeen ter zitting van 6 juni 2018 is besproken, maar, nu de term “wegwuiven” een begrip betreft dat op verschillende manieren kan worden uitgelegd, is de raad van oordeel dat verweerder door de term “wegwuiven” te bezigen geen feiten heeft geponeerd waarvan hij de onjuistheid kende of kon kennen. Ook klachtonderdeel 2 is ongegrond.

 

 

 

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

                        verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

 

 

 

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel, mrs. L.R.G.M. Spronken en mr. L.J.G. de Haas, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 30 december 2019.

 

 

Griffier                                                                                   Voorzitter

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens