Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:167
Datum uitspraak:
30-10-2019
Datum publicatie:
06-11-2019
Zaaknummer(s):
19-703/DB/ZWB
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtBelangenconflict
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Geen sprake van schending gedragsregel.

Limburg

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 30 oktober 2019

in de zaak 19-703/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

 

                       

 

 

klager

 

tegen:

 

 

verweerder

 

 

 

 

 





De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) van 11 oktober 2019 met kenmerk nr. K19-073 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1            FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1       Klager heeft in 2012 met verweerder een gesprek gevoerd over een alimentatiekwestie tegen klagers vader. Op 11 mei 2012 heeft verweerder telefonisch en schriftelijk aan klager medegedeeld dat hij hem niet zou bijstaan.

1.2       In 2019 is mr. W, zijnde een kantoorgenoot van verweerder, klagers vader gaan bijstaan in een zaak betreffende een spoeduithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van klagers halfzusje op verzoek van een gezinsvoogd van het Leger des Heils. In deze procedure heeft het Leger des Heils een beroep gedaan op een deel van een e-mailbericht van een niet met naam genoemde persoon. Het e-mailbericht bevatte aantijgingen aan het adres van klagers vader. Nadat mr. W zich had beklaagd over de wijze van procederen door het Leger des Heils, heeft het Leger des Heils de naam van klager genoemd als afzender van het e-mailbericht.

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 15, doordat klager zich in 2011 tot verweerder had gewend voor rechtsbijstand in een geschil met klagers vader en verweerder thans klagers vader bijstaat.

 

3            VERWEER

3.1       Klager is in 2012 (en niet in 2011) op verweerders kantoor geweest voor een kennismakend c.q. informatief gesprek. Klager bleek een geschil te hebben met diens vader. Vanwege een (persoonlijke) verstandhouding met klagers vader heeft verweerder aan klager medegedeeld klager niet te zullen bijstaan. Klager is nooit door verweerder of een kantoorgenoot van verweerder bijgestaan. Verweerder heeft ook geen stukken van klager bestudeerd.

3.2       In de periode van 2012 tot 2019 heeft verweerders kantoor klagers vader meerdere malen bijgestaan. Daartegen heeft klager nimmer bezwaar gemaakt. Verweerders kantoorgenoot mr. W staat thans klagers vader bij in een procedure van familierechtelijke aard, maar in die procedure is klager geen partij, noch rechtstreeks belanghebbende. In deze zaak heeft geen raadsonderzoek plaatsgevonden, laat staan dat er een raadsrapport ligt waarin klager wordt benoemd. Mr. W heeft in die procedure ook geen gegevens van klager opgevraagd.

 

4            BEOORDELING

4.1       De voorzitter stelt bij de beoordeling voorop dat het de advocaat in beginsel niet is toegestaan tegen een cliënt of een voormalige cliënt van hem op te treden. Dit volgt uit Gedragsregel 15 lid 1. De advocaat dient zich niet in een situatie te begeven dat hij in een belangenconflict met zijn (voormalige) cliënt geraakt, terwijl voorts de (voormalige) cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie niet tegen hem kan worden gebruikt.

 

4.2       De voorzitter is van oordeel dat klager, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, onvoldoende heeft onderbouwd dat klager is aan te merken als (voormalig) cliënt van verweerder. Het enkele feit dat klager en verweerder in 2012 ten kantore van verweerder een gesprek hebben gevoerd, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat tussen klager en verweerder een advocaat-cliëntrelatie tot stand is gekomen. Voorts is niet gebleken dat verweerder is gaan optreden tegen klager. Verweerders kantoorgenoot mr. W is klagers vader gaan bijstaan in een zaak rondom een spoeduithuisplaatsing van klagers halfzusje, maar in die procedure was klager geen partij. Dat de wederpartij van klagers vader in die procedure melding heeft gemaakt van een van klager afkomstig e-mailbericht maakt niet dat zijdens verweerder sprake is van schending van gedragsregel 15.

 

4.3       Nu klager niet kan worden aangemerkt als (voormalig) cliënt van verweerder en evenmin is gebleken dat (een kantoorgenoot van) verweerder thans optreedt tegen klager, is van strijd met Gedragsregel 15 lid 1 geen sprake. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.

 

4.4                  Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.



 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber - Van de Langenbergals griffier op30 oktober 2019

 

Griffier                                                        Voorzitter

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens