Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:165
Datum uitspraak:
04-11-2019
Datum publicatie:
06-11-2019
Zaaknummer(s):
19-170/DB/LI
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntBeleidsvrijheid Zorg voor de cliëntFinanciën
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in een sommatiebrief facturen te vermelden die klager op dat moment nog niet had ontvangen. Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich wegens een verschil van inzicht over de aanpak van de zaak als advocaat te onttrekken. Ongegrond.

Limburg

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van  4 november  2019

in de zaak 19-170/DB/LI

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

           

                 klager

 

                        tegen:

 

 

                       verweerder

 

 

 

                                  

 

 

1         Verloop van de procedure

1.1     Bij klachtformulier d.d. 6 juni 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2     Bij brief aan de raad van 20 maart 2019 met kenmerk nr. K19-031 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3     De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 16 september 2019. Verschenen zijn klager, bijgestaan door mr. N, en verweerder, bijgestaan door mr. K.  

1.4     De raad heeft kennis genomen van:

-      de hierboven genoemde brief van de deken en de daaraan gehechte stukken;

-      het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van de deken d.d. 6 juni 2019.

 

2        Feiten

2.1     Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, van de volgende feiten uitgegaan:

2.2     Verweerder heeft klager bijgestaan als advocaat en in dat verband in de periode van juli tot medio december 2017 voor klager werkzaamheden verricht.

2.3     Verweerder heeft zeven declaraties verzonden. De eerste declaratie, gedateerd op 20 juli 2017, is verzonden naar het juiste e-mailadres van klager. Vervolgens is in augustus, september, oktober en december 2017 een zestal declaraties verzonden naar een onjuist e-mailadres. Klager heeft de eerste declaratie deels voldaan op 31 oktober 2017. De overige declaraties zijn niet voldaan.

2.4     Gaandeweg de behandeling van de zaak ontstond een verschil van inzicht over de aanpak van de zaak. Bij e-mail van 29 november 2017 (verzonden aan het juiste e-mailadres) heeft verweerder aan klager de te volgen strategie geschetst. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat, als klager die strategie niet wilde volgen, hij zich genoodzaakt zou zien om zich als advocaat te onttrekken. Ook heeft verweerder klager gewezen op  de door hem verzonden declaraties:

         “Dit klemt temeer omdat ik ondanks diverse afspraken met [klager] dat de oudste nota betaald zou worden, tot op heden nog nauwelijks iets betaald heb gekregen. Per heden zijn er sinds 20-7-2017 diverse nota’s verstuurd tot een totaal bedrag van € 7.810,-- waarvan tot op heden slechts € 941,-- is betaald.”

2.5     Op 8 december 2017 heeft tussen klager en verweerder een bespreking plaatsgevonden. Bij e-mail d.d. 14 december 2017 (verzonden aan het juiste e-mailadres) heeft verweerder klager als volgt bericht:

         “ (…) Zoals eerder geschreven wil ik weten waar ik aan toe ben. Graag hoor ik uiterlijk vrijdag 15 december aanstaande om 12.00 uur van [R] wat zijn definitieve standpunt wordt. Indien hij niet meewerkt zoals geschetst dan zie ik mij, zoals aangegeven in mijn mail, genoodzaakt mijn werkzaamheden als uw advocaat op te schorten. In dat verband zal ik ook mijn openstaande nota’s moeten invorderen.”

2.6     Bij e-mail d.d. 15 december 2017 (verzonden aan het juiste e-mailadres) heeft verweerder klager als volgt bericht:

         “(…) Gezien het bovenstaande rest mij helaas niets anders dan mijn werkzaamheden als uw advocaat te beëindigen omdat er een verschil van inzicht is over de aanpak. (…) Op korte termijn zal ik u mijn einddeclaratie doen toekomen.”

2.7     Bij brief d.d. 28 mei 2018 heeft verweerder klager tot betaling gesommeerd van de niet-betaalde declaraties.

2.8     Bij brief van 6 juni 2018 heeft klager aan verweerder medegedeeld dat hij enkel de eerste factuur had ontvangen en dat hij de overige zes facturen niet had ontvangen. Voorts heeft klager aan verweerder medegedeeld dat hij alle declaraties betwist en dat hij een klacht zou indienen bij de deken.

2.9     Verweerders kantoor heeft ter incasso van de vordering ter zake de openstaande declaraties jegens klager een procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. In juli 2019 heeft klager een conclusie van antwoord ingediend, waarin hij heeft gesteld dat de laatste zes declaraties naar een onjuist e-mailadres waren verzonden. De kantonrechter heeft klager veroordeeld tot betaling van alle declaraties.

 

3       KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

 

1.     een sommatie heeft gezonden waarop facturen staan vermeld die klager nimmer heeft ontvangen;

2.     zich op het hoogtepunt van de zaak heeft teruggetrokken.

 

 

                          4       VERWEER

                          4.1     De klacht is ongegrond. De declaraties zijn door het secretariaat van verweerders kantoor abusievelijk verzonden aan een onjuist e-mailadres. Dit heeft verweerder pas in juli 2019 ontdekt. Verweerder heeft overigens in zijn e-mail van 29 november 2017 aan klager uitdrukkelijk vermeld dat er op dat moment een bedrag van € 7.810,-- aan declaraties openstond. Klager wist dus wel degelijk dat er declaraties waren verzonden en dat hij die nog moest voldoen. Ook in de e-mail van 14 december 2017 heeft verweerder aan de openstaande nota’s gerefereerd. Verweerders kantoor heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gezien een incassoprocedure jegens klager aanhangig te maken. De kantonrechter heeft klager veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen.

                          4.2     Er was een onoverbrugbaar verschil van inzicht ontstaan. Verweerder heeft tijdig schriftelijk aangekondigd dat, indien klager niet zou instemmen met de door verweerder uitgestippelde strategie, verweerder diens werkzaamheden zou neerleggen, hetgeen hij uiteindelijk ook heeft gedaan. Er was op dat moment geen sprake van een lopende gerechtelijke procedure en klager heeft ook geen schade geleden.

 

                         5        BEOORDELING

5.1    Klachtonderdeel 1

          Ter zitting van de raad heeft verweerder erkend dat de laatste zes declaraties zijn verzonden naar een onjuist e-mailadres. Daarmee is feitelijk komen vast te staan dat verweerder aan klager een sommatiebrief heeft gezonden waarop facturen staan vermeld die klager op dat moment nog niet had ontvangen. Ofschoon verweerder verantwoordelijk is voor deze administratieve onvolkomenheid is de raad van oordeel dat deze onzorgvuldigheid niet zodanig is dat verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Immers, verweerder heeft zowel per e-mail d.d. 29 november 2017 als per e-mail d.d. 14 december 2017 aan de openstaande declaraties gerefereerd, zonder dat klager daarop heeft gereageerd. Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld dat de abusievelijk aan het verkeerde e-mailadres verzonden declaraties niet retour zijn ontvangen en dat evenmin een melding is ontvangen dat de declaraties niet op het e-mailadres konden worden bezorgd. De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder ten tijde van het schrijven van de sommatiebrief d.d. 28 mei 2018 geen aanleiding had om te veronderstellen dat klager de declaraties niet had ontvangen. Van de inhoud van de sommatiebrief kan verweerder kortom naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel 1 is derhalve ongegrond.

 

5.2    Klachtonderdeel 2

          Klager verwijt verweerder dat deze zich op het hoogtepunt heeft teruggetrokken. De raad overweegt dat de verhouding tussen de advocaat, als opdrachtnemer, en de cliënt, als opdrachtgever, met zich meebrengt dat de advocaat in beginsel gehouden is de instructies van zijn cliënt op te volgen. Indien de advocaat uitvoering van een instructie van zijn cliënt onverenigbaar acht met de op hem rustende verantwoordelijkheid voor zijn eigen optreden, en dit verschil van mening niet in onderling overleg kan worden opgelost, dan kan de advocaat niet zijn eigen wil doorzetten, maar dient hij zich uit de zaak terug te trekken. Voorts geldt dat een advocaat gehouden is de werkzaamheden te beëindigen als de vertrouwensbasis is vervallen. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen, dat de cliënt daarvan geen procedurele schade ondervindt.

 

5.3   De raad is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich als advocaat van klager terug te trekken. Klager en verweerder verschilden immers zodanig van mening over de aanpak van de zaak, dat verweerder zich uit de zaak terug diende te trekken. Anders dan klager heeft aangevoerd, rustte op verweerder niet de verplichting om zich voor klager te blijven inzetten. Ook kan niet worden gezegd dat verweerder de hem door klager verstrekte opdracht niet op zorgvuldige wijze heeft neergelegd. Verweerder heeft klager bij e-mails d.d. 29 november en 14 december 2017 erop gewezen dat, indien klager niet kon instemmen met de door verweerder voorgestelde aanpak, verweerder zich zou onttrekken. Dat verweerder zich ontijdig heeft onttrokken is niet gebleken, noch dat klager door de onttrekking anderszins in zijn belangen is geschaad. Ook klachtonderdeel 2 is ongegrond.

           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

 

 

 

 

Aldus beslist door mr.M.T. van Vliet, voorzitter, mrs.W.H.N.C. van Beek en R. van den Dungen, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 4 november 2019.

 

 

Griffier                                                                                   Voorzitter

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens