Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:163
Datum uitspraak:
30-10-2019
Datum publicatie:
01-11-2019
Zaaknummer(s):
19-688/DB/LI
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Dat klaagster teleurgesteld is over negatief advies over kans van slagen wil niet zeggen dat advies ondeugdelijk was. Kennelijk ongegrond.

Limburg

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 30 oktober 2019

in de zaak 19-688/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klagers

                                  

tegen:

 

verweerder

 

 

 

 

 





De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 3 oktober 2019 met kenmerk nr. K19-048 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1            FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1       Klaagster sub 1 (hierna: “klaagster”) heeft zich gewend tot verweerder voor juridisch advies. Klaagster heeft in dat verband op 6 februari 2019 per e-mail contact gezocht met verweerder. Vervolgens heeft op 8 februari 2019 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder. Op 8, 11 en 12 februari 2019 heeft klaagster 23 e-mails met bijlagen aan verweerder gestuurd.

1.2       Bij e-mail d.d. 12 februari 2019 heeft verweerder de opdracht aan klaagster bevestigd en in dat verband aan klaagster medegedeeld:

           “Ik bevestig u bij deze dat ik op uw verzoek uw dossier zal bestuderen en u vervolgens zal adviseren over de mogelijkheden die ik zie de gemeente [E] en/of andere instanties waar u mee te maken heeft (gehad) in het kader van de verzochte hulpverlening, aansprakelijk te stellen en enige vorm van genoegdoening te vorderen. Wij spraken vrijdag al uitgebreid over het voortraject.

            Conform uw verzoek zal ik maximaal 4 uur besteden aan het bestuderen van uw dossier en het u op grond daarvan adviseren. Mijn voorschotnota voor 4 uur treft u bijgaand aan. Mijn uurtarief bedraagt € 195,-- exclusief BTW en exclusief 5% kantoorkosten. Zodra de voorschotnota voldaan is zal ik de stukken gaan bestuderen. (…)”

1.3       Verweerder heeft de betaling van de voorschotnota op 13 februari 2019 ontvangen.

1.4       Op 17 februari 2019 heeft klaagster e-mails met informatie over de zaak aan verweerder gestuurd.

1.5       Bij e-mail d.d. 21 februari 2019 heeft klaagster verweerder bericht dat zij al bijna twee weken aan het wachten was op verweerders advies en dat zij zich zou wenden tot een andere advocaat. Voorts heeft klaagster verweerder verzocht om het volledige voorschot aan haar te restitueren.

1.6       Bij e-mail d.d. 22 februari 2019 heeft verweerder klaagster bericht dat hij zich niet kon vinden in haar opmerking dat zij al twee weken wachtte op verweerders advies aangezien hij pas na ontvangst van de betaling van de voorschotnota kon starten met alle informatie. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat hij kennelijk niet aan klaagsters verwachtingen zou kunnen voldoen en dat hij daarom het dossier zou sluiten. Omdat verweerder reeds twee uur aan klaagsters zaak had besteed zou verweerder de helft van het voorschot terugbetalen.

1.7       Bij e-mail van dezelfde dag heeft klaagster haar excuses aangeboden aan verweerder en hem gevraagd wanneer hij zijn advies zou kunnen uitbrengen. Verweerder is daarop voortgegaan met de behandeling van klaagsters dossier.

1.8       Bij e-mail d.d. 8 maart 2019 heeft verweerder zijn advies aan klaagster uitgebracht. In dat verband heeft verweerder onder meer aan klaagster medegedeeld:

           “(…) Uw vraag was, kort gezegd, of het verzoek tot onderzoek vanuit de Beschermtafel aan de Raad voor de Kinderbescherming, terecht was.(…) Mijn conclusie is dat ik mij eerlijk gezegd wel voor kan stellen dat er een verzoek tot onderzoek is gedaan. Daaraan gekoppeld merk ik dan ook op dat ik uw vervolgvraag, of de diverse betrokken instanties aansprakelijk gesteld kunnen worden, negatief beantwoord. Althans, een aansprakelijkstelling kan verzonden worden uiteraard.. Maar ik ga dat niet doen. Ik zal u uitleggen waarom niet. (…)”

1.9       Bij e-mail d.d. 9 maart 2019 heeft klaagster verweerder bericht dat zij zich niet in verweerders advies kon vinden en heeft zij verweerder verzocht om het voorschot terug te betalen. Bij e-mail d.d. 10 maart 2019 heeft verweerder klaagster bericht dat hij het voorschot niet zou terugbetalen omdat hij conform klaagsters opdracht een advies had gegeven. Verweerder heeft aan klaagster voorgesteld om bij wijze van compromis de helft van het door klaagster betaalde bedrag terug te betalen, maar dat voorstel heeft klaagster niet geaccepteerd.

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

de belangen van klagers niet naar behoren heeft behartigd, nu hij de vragen van klagers niet heeft beantwoord, maar heeft volstaan met een eigen verzonnen stelling en het advies ook lang op zich heeft laten wachten.

 

3            VERWEER

3.1                   Verweerder heeft enkel klaagster sub 1 geadviseerd. Van een advocaat-cliënt relatie met klager sub 2 is geen sprake geweest. De klacht is overigens ongegrond. Verweerder heeft aan klaagster sub 1 een deugdelijk juridisch advies verstrekt naar aanleiding van de door klaagster geformuleerde vraag. Dit advies heeft niet lang op zich laten wachten. Klaagster heeft op 8, 11 en 12 februari 2019 23 e-mails met bijlagen aan verweerder gestuurd. Klaagster heeft de voorschotnota op 13 februari 2019 voldaan. Verweerder kon vervolgens een aanvang maken met het bestuderen van de stukken. Bij e-mail d.d. 8 maart 2019 heeft verweerder zijn advies aan klaagster toegestuurd.  

 

4            BEOORDELING

4.1       De klacht heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. De tuchtrechter heeft gezien het bepaalde in art. 46 Advocatenwet mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daarover klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes -zoals over procesrisico en kostenrisico - waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat dienaangaande heeft is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoren het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat te worden gewezen op de proceskansen en het kostenrisico in zijn zaak. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

 

4.2       De voorzitter stelt vast dat de opdrachtbevestiging enkel is gericht aan klaagster, terwijl alle correspondentie en contacten hebben plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder. Dat tussen klager sub 2 en verweerder een advocaat-cliënt relatie heeft bestaan is niet gebleken, noch dat klager sub 2 anderszins een rechtstreeks eigen belang heeft bij de door klaagster ingediende klacht. Voor zover de klacht is ingediend door klager sub 2 is deze op grond van het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk.

 

4.3       Van een advocaat-cliënt relatie tussen klaagster en verweerder is wel gebleken en klaagster kan dan ook wel in haar klacht worden ontvangen. De voorzitter oordeelt als volgt.

 

4.4       Verweerder heeft in zijn advies aan klaagster aangegeven dat en waarom hij de vraag of de betrokken instanties aansprakelijk kunnen worden gesteld negatief beantwoordt. De voorzitter is van oordeel dat verweerder, door hieraan een voorvraag vooraf te laten gaan, namelijk of het verzoek tot onderzoek terecht was, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het moge zo zijn dat klaagster teleurgesteld is in het feit dat verweerder haar negatief heeft geadviseerd over de kans van slagen van een aansprakelijkstelling van de betrokken instanties, maar dat betekent nog niet dat het advies van verweerder ondeugdelijk is. Dat verweerder in strijd met de door klaagster gegeven opdracht heeft gehandeld is niet gebleken en dat het advies lang op zich heeft laten wachten evenmin. Immers, de opdrachtbevestiging dateert van 12 februari 2019 en dat betaling van het voorschot is van 13 februari 2019, waarna verweerder een aanvang heeft gemaakt met het bestuderen van de stukken en het formuleren van zijn advies, dat hij op 8 maart 2019 aan klaagster heeft verzonden.

 

4.3                   Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, voor zover deze is ingediend door klager sub 2,  met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren en de klacht, voor zover deze is ingediend door klaagster sub 1, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.



 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      de klacht, voor zover deze is ingediend door klager sub 2,  met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk;

-      de klacht, voor zover deze is ingediend door klaagster sub 1, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber - Van de Langenbergals griffier op 30 oktober 2019

 

Griffier                                                        Voorzitter

Meer informatie

Acties

Meta gegevens