Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:162
Datum uitspraak:
30-10-2019
Datum publicatie:
01-11-2019
Zaaknummer(s):
19-681/DB/LI
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Advocaat in overige hoedanigheid. Verweerder kan geen verwijt worden gemaakt van het feit dat de interne klachtenregeling niet is doorlopen. Kennelijk ongegrond.

Limburg

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van  30 oktober 2019

in de zaak 19-681/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

klager

 

tegen:

 

 

 

verweerder

 

 

 

 

 





De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 2 oktober 2019 met kenmerk nr. K19-052 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1            FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1       Klager werd in diverse kwesties bijgestaan door mrs. H en A, zijnde kantoorgenoten van verweerder. Klager was ontevreden over de door mrs. H en A verleende rechtsbijstand. Bij e-mailbericht d.d. 8 februari 2019 heeft klager mr. H als volgt bericht:

           “Maandag 11 februari 2019 zou ik graag de interne klacht van mr. [A] en die van u willen behandelen met [verweerder] en de tijd mag hij zelf bepalen.(…)”

1.2       Mr. H heeft klager vervolgens bericht dat verweerder op 11 februari 2019 was verhinderd en dat de door klager gewenste bespreking op een andere dag kon worden ingepland. Op 21 februari 2019 heeft klager aan mr. H laten weten dat hij een klacht bij de deken zou indienen tegen mrs. H en A.

1.3       Bij brief d.d. 20 maart 2019 heeft klager tegen mrs. H en A bij de deken een klacht ingediend.

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

de interne klachtenregeling niet in werking heeft gesteld.

 

3            VERWEER

3.1                   De klacht is ongegrond. Verweerder heeft nimmer een schriftelijke concrete klacht van klager ontvangen. Klager heeft in zijn e-mail d.d. 8 februari 2019 zelf een datum voor een bespreking bepaald, maar op die datum was verweerder echter verhinderd. Dit heeft mr. H ook aan klager laten weten, waarbij hij tevens heeft aangegeven dat de bespreking op een andere dag kon worden ingepland. Vervolgens hebben klager en mr. H nog meerdere malen contact gehad. Een nieuw verzoek voor een nieuwe datum is nooit van klager ontvangen. Op 21 februari 2019 heeft klager aangekondigd een klacht tegen mrs. H en A in te dienen bij de deken, hetgeen hij ook heeft gedaan. Het verwijt dat verweerder de interne klachtenregeling wilde doorlopen is niet juist en een mededeling van die strekking is ook nooit aan klager gedaan.

 

4            BEOORDELING

4.1       De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris. De voorzitter overweegt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en een behoorlijke beroepsuitoefening beoogt te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden, indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van de functie van klachtenfunctionaris zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat een klachtfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen hoe hij de klachtafhandeling inricht en op de ingediende klacht beslist.

 

4.2       Uit de overgelegde stukken blijkt dat aan klager is medegedeeld dat verweerder verhinderd was op de door klager voorgestelde datum voor een bespreking en dat tevens aan hem is medegedeeld dat een andere datum kon worden vastgesteld. Een voorstel voor een andere datum heeft verweerder vervolgens niet meer ontvangen. Klager heeft kort daarna tegen mrs. H en A klachten ingediend bij de deken. Verweerder mocht er naar het oordeel van de voorzitter vanuit gaan dat klager geen prijs meer stelde op het doorlopen van de interne klachtenregeling. De voorzitter is van oordeel dat verweerder geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de interne klachtenregeling niet is doorlopen. Dat door toedoen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad is niet gebleken.

 

4.3                   Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.



 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber - Van de Langenbergals griffier op30 oktober 2019

 

Griffier                                                        Voorzitter

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens