Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2019:134
Datum uitspraak:
27-08-2019
Datum publicatie:
04-09-2019
Zaaknummer(s):
19-523/DB/LI
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Ontvankelijkheid van de klachtKlachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Het is de taak van een advocaat het standpunt van zijn cliënt te verwoorden en met bewijsstukken te onderbouwen. Niet gebleken dat belangen van de wederpartij nodeloos zijn geschaad. Klager heeft geen belang bij klacht over toekenning toevoeging aan wederpartij.

Limburg

 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 27 augustus 2019

in de zaak 19-523/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

 

verweerder



 

De (plaatsvervangend) voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 5 augustus 2019 met kenmerk K19-046 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1         FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerder staat de wederpartij van klager bij in een echtscheidingsprocedure. Op 15 maart 2019 heeft verweerder namens zijn cliënte een aanvullend verzoekschrift echtscheiding bij de rechtbank ingediend.

1.2    Klager heeft per formulier d.d. 1 mei 2019bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2         KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)           verweerder in een aanvullend verzoekschrift tot echtscheiding informatie heeft vermeld waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat deze onjuist was gelet op de inhoud van een door klager op een eerder moment ingediend verweerschrift;

b)           verweerder te kwader trouw een toevoeging voor zijn cliënte heeft aangevraagd, terwijl hij wist dat het inkomen/vermogen van zijn cliënte te hoog was.

 

3         VERWEER

3.1    Verweerder geeft aan dat hij  het standpunt van zijn cliënte heeft verwoord, zoals het standpunt van klager in zijn verweerschrift is verwoord. Verweerder heeft in overleg met zijn cliënte een aanvullend verzoek ingediend ter verduidelijking en onderbouwing van eerder verzochte alimentatiebedragen. Verweerder dient daarbij af te gaan op de informatie van zijn cliënte. De rechter dient vervolgens alle informatie te wegen en te beoordelen.

3.2    Verweerder heeft als opvolgend advocaat van zijn cliënte de toevoeging niet aangevraagd, doch de toevoeging van de voorgaande advocaat overgenomen, welke mutatie door de Raad voor Rechtsbijstand is geaccordeerd. De Raad voor Rechtsbijstand heeft het inkomen en vermogen van de cliënte van verweerder  beoordeeld en de toevoeging verleend op basis van de toevoegingsaanvraag van de eerste advocaat van de cliënte van verweerder.

 

4         BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van de advocaat van de wederpartij. Een advocaat geniet een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. De voorzitter zal de klacht met inachtneming van bovenvermeld uitgangspunt beoordelen.

Ad onderdeel a)

4.2    Klager verwijt verweerder dat hij in het aanvullend verzoekschrift van 15 maart 2019 informatie heeft vermeld waarvan hij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. Klager onderbouwt zijn klacht met de stelling dat uit de inhoud van het door klager eerder ingediende verweerschrift bleek dat de door verweerder namens zijn cliënte opgenomen informatie onjuist was. Klager miskent hiermee dat het iedere partij vrij staat om zijn of haar standpunt in een processtuk te verwoorden. Klaarblijkelijk komen de standpunten van klager en de cliënte van verweerder niet met elkaar overeen. Het is de taak van verweerder om het standpunt van zijn cliënte te verwoorden en met bewijsstukken te onderbouwen. Voor zover klager zich niet kan verenigen met de door verweerder namens zijn cliënte verwoorde standpunten, ligt het op de weg van klager om zich hiertegen in rechte te verweren en zijn standpunten met bewijsstukken te onderbouwen. Het is vervolgens aan de rechter om alle overgelegde stukken te beoordelen en daarover een oordeel te vellen. Uit de aan de raad overgelegde stukken is niet gebleken dat verweerder de grens die hem als advocaat van de wederpartij vrijstond heeft overschreden. Ter zake valt verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt te maken.

Ad onderdeel b)

4.3    Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor een ieder, doch slechts voor degenen die door een handelen of nalaten van een advocaat in zijn belang getroffen is of kan worden. Voorzover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken.

4.4    Of de cliënte van verweerder al dan niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand staat ter beoordeling van de Raad voor Rechtsbijstand. Klager wordt door de beslissing of de cliënte van verweerder al dan niet in aanmerking komt voor een toevoeging niet in zijn belang getroffen. Ter zake komt klager geen klachtrecht toe.

4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46 j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren en klachtonderdeel b) kennelijk niet-ontvankelijk.

 

BESLISSING

 

De voorzitter verklaart:

met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond en klachtonderdeel b) kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. C.A.M. de Bruijn, voorzitter, met bijstand van mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier op  27augustus 2019.

 

Griffier                                                                   Voorzitter

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens