Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:223
Datum uitspraak:
07-10-2019
Datum publicatie:
06-11-2019
Zaaknummer(s):
19-176/DH/DH
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijJegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Klacht gegrond, zonder maatregel Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Verzet gegrond. Verweerder had op basis van de beschikbare gegevens kunnen zien dat de informatie van zijn cliënt niet volledig was. Verder heeft verweerder geld op zijn  derdengeldrekening doorbetaald aan zijn cliënt, terwijl niet aan alle voorwaarden van de schikking was voldaan. Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Geen maatregel, omdat klaagster in materiële zin haar doel heeft bereikt.

's-Gravenhage

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 oktober 2019 in de zaak 19-176/DH/DHnaar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 22 mei 2019 op de klacht van:

 

klaagster

 

over:

 

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 13 november 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 11 maart 2019 met kenmerk K 248 2018 ar/smo, door de raad ontvangen op 12 maart 2019, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    Bij beslissing van 22 mei 2019 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

1.4    Bij brief van 3 juni 2019, door de raad ontvangen op 4 juni 2019, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 12 augustus 2019 in aanwezigheid van klaagster, vergezeld door de heer R., en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet zich richt en van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gegrond, alsmede van het verzetschrift van klaagster.

1.7    De raad heeft de uitspraak van de beslissing bepaald op heden.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht en het verzet wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klaagster is verwikkeld in een geschil met een achterneef (hierna: de achterneef) over een deel van de inhoud van een door die achterneef geschreven boek (hierna: het boek).

2.2    Verweerder heeft de achterneef bijgestaan in dat geschil.

2.3    Klaagster heeft in kort geding (hierna: het kort geding) staking van de verspreiding van het boek gevorderd. De voorzieningenrechter heeft de vordering bij vonnis van 5 juli 2017 afgewezen.

2.4    Klaagster heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld. Op 8 december 2017 heeft bij het gerechtshof een comparitie plaatsgevonden. Bij gelegenheid van deze zitting hebben klaagster en de achterneef een schikking getroffen. De schikking is in een proces-verbaal vastgelegd. Zakelijk weergegeven is overeengekomen dat de achterneef zich zal inspannen om de eerste druk van het boek terug te halen en opdracht zal geven tot een herdruk waarin bepaalde passages niet meer zullen voorkomen en dat klaagster de kosten van de herdruk van het boek en verzending daarvan voor haar rekening zal nemen. Punten 5 en 6 van het proces-verbaal luiden, voor zover in deze tuchtzaak relevant, als volgt:

“5. De kosten van herdruk, begroot op € 485,-, en de portokosten van verzending om datgene wat is afgesproken te realiseren, worden gedragen door [klaagster].

6. [Klaagster] betaalt aan [de achterneef] (…) een bedrag van € 2828,-, zijnde de kostenveroordeling van de eerste aanleg en het hoger beroep (…). Dit bedrag zal tezamen met de € 485,- voornoemd worden overgemaakt op de derdengeldenrekening van [verweerder]: (…), derhalve € 3313,-. Deze betaling zal worden gedaan binnen 14 dagen na heden. [Verweerder] zal dit bedrag pas doorbetalen als de herdruk aan [klaagster] beschikbaar is gesteld en haar een kennisgeving is gedaan van de verzending van de boekjes aan betrokkenen.”

2.5    Bij e-mail van 20 december 2017 heeft verweerder aan de advocaat van klaagster bericht dat hij de hierboven genoemde € 3.313,- op zijn derdengeldenrekening heeft ontvangen.

2.6    Bij e-mail van 31 januari 2018 heeft de advocaat van klaagster aan verweerder laten weten dat klaagster de herdruk van het boek heeft ontvangen en dat de overeengekomen wijzigingen daarin niet volledig zijn doorgevoerd. De advocaat heeft verweerder in de e-mail verzocht om het op de derdenrekening bijgeschreven bedrag onder zich te houden en niet door te betalen aan de achterneef.

2.7    Op 21 februari 2018 heeft verweerder het volgende aan de advocaat van klaagster geschreven:

“Cliënt heeft van de drukker vernomen dat de boekjes van de tweede druk met de verkeerde achterkant aan hem zijn geretourneerd. Het omslag is opnieuw en nu correct gedrukt en de drukker is doende met het verzendklaar maken. Via cliënt ontvang ik binnen enkele dagen de factuur van de verzendkosten. Ik zal u die doorzenden ter betaling door uw cliënte op onze derdengelden rekening, waarna de correcte verzending zal kunnen plaatsvinden. (…)

Het is voor iedereen vervelend dat de drukker bij de tweede druk onbedoeld een fout maakte. De gevolgen daarvan worden conform de afspraken hersteld. Ik bericht u op korte termijn nader.”

2.8    Op 23 februari 2018 heeft verweerder de advocaat van klaagster laten weten dat de herdruk van het boek gereed is voor verzending, dat de kosten daarvan € 125,- bedragen en dat tot verzending wordt overgegaan na ontvangst van dat bedrag van klaagster. Verweerder heeft verder het volgende geschreven:

“Anders dan u lijkt te menen heb ik geen toestemming van u of uw cliënte nodig om het bedrag op de derdengeldenrekening aan cliënt door te betalen. Ik ben daartoe vrij zodra aan de in het PV genoemde voorwaarden is voldaan. Ik ga dus ook geen bedrag van € 500,- inhouden met betrekking tot kosten waarvan cliënt de verschuldigdheid door cliënt wordt betwist.

Ik wacht betaling door uw cliënte af. Het nalaten van betaling zal mij niet verhinderen het bedrag vanaf de derdengeldenrekening aan cliënt te voldoen. Ik kan in alle redelijkheid concluderen dat aan de voorwaarden van punt 6 van het PV is voldaan.”

2.9    Op 27 februari 2018 heeft verweerder aan de advocaat van klaagster laten weten dat de “correcte herdruk” van het boek aan klaagster beschikbaar is gesteld en dat de overige exemplaren van het boek voor verzending klaarliggen bij de drukker in afwachting van het bericht dat klaagster de verzendkosten  heeft voldaan. Verweerder heeft verder nog geschreven:

“(…) Aansluitend op mijn bericht van vrijdag 23 februari jl. constateer ik dat voldaan is aan het bepaalde onder punt 6 van het proces-verbaal, zodat ik het bedrag van € 3.313,- zal doorbetalen aan cliënt. (…)”

2.10    Op 30 maart 2018 heeft klaagster de herdruk van de boeken opgehaald bij de drukker.

2.11    In een e-mail van 1 mei 2018 aan klaagster heeft haar advocaat onder meer geschreven dat hij verweerder telefonisch zal informeren over het feit dat de nieuwe drukken van het boek en de adreslijst door klaagster zijn opgehaald bij de drukker.

2.12    Vervolgens heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

3    KLACHT EN VERZET

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het toezicht op de naleving van de verplichtingen die de achterneef door middel van de regeling op zich heeft genomen. Bovendien heeft verweerder een door klaagster ten bate van de achterneef op de derdengeldenrekening van verweerder bijgeschreven bedrag te vroeg aan de achterneef betaald.

3.2    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klaagster zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Meer specifiek gaat het klaagster erom dat zij op grond van de getroffen schikking via verweerder een adreslijst zou krijgen van degenen die de eerste druk van het boek hadden ontvangen om de herdruk van het boek aan hen te kunnen verzenden. Volgens klaagster had verweerder aan het commentaar van zijn cliënt op de dagvaarding in de kortgedingprocedure kunnen zien dat de door zijn cliënt aan de drukker verstrekte adreslijst niet klopte. Omdat niet aan alle voorwaarden van de schikking was voldaan, had verweerder het door haar op zijn derdengeldrekening gestorte geld nog niet aan zijn cliënt mogen doorbetalen, aldus klaagster.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft zich tegen de klacht en het verzet verweerd. In dat verband heeft verweerder – kort gezegd – aangevoerd dat zijn cliënt verantwoordelijk is voor de nakoming van de overeengekomen afspraken en dat hij zijn cliënt daarbij op een integere manier en met respect voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster heeft begeleid. Volgens verweerder mocht hij het door klaagster op zijn derdengeldrekening gestorte bedrag doorbetalen aan zijn cliënt, omdat sprake was van crediteursverzuim. Daarbij wijst verweerder erop dat klaagster er, tegen de afspraken in, zelf voor heeft gekozen om de portokosten niet te betalen en de herdruk van de boeken bij de drukker op te halen.

 

5    BEOORDELING

5.1    Naar het oordeel van de raad heeft de voorzitter bij zijn oordeel over de klacht terecht tot uitgangspunt genomen dat een advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt, maar dat deze vrijheid niet onbeperkt is. De vraag die in verzet voorligt is of de voorzitter terecht en op de juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat verweerder bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de grenzen van de vrijheid die hem toekomt als advocaat van de wederpartij heeft overschreden. De raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2    Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij de adreslijst die hij van zijn cliënt had gekregen niet heeft gecontroleerd. De raad is van oordeel dat, hoewel van een advocaat niet kan worden verlangd dat hij alle informatie afkomstig van zijn cliënt controleert, verweerder op basis van de hem beschikbare gegevens had kunnen zien dat de adreslijst van zijn cliënt niet compleet was. Verweerder beschikte immers over het commentaar van zijn cliënt op de dagvaarding in de kortgedingprocedure, waarin in punt 36 behalve familieleden ook drie instanties en leden van de schrijfclub van zijn cliënt worden vermeld die niet op de adreslijst voorkomen. Vervolgens heeft verweerder ervoor gekozen om het door klaagster op zijn derdengeldrekening gestorte bedrag door te betalen aan zijn cliënt, terwijl zijn cliënt de afspraak om de herdruk op grond van een adreslijst naar alle betrokkenen te (laten) verzenden nog niet was nagekomen. Door deze handelwijze heeft verweerder naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.3    Nu de voorzitter in zijn beslissing van 22 mei 2019 heeft miskend dat verweerder aan de gegevens waarover hij beschikte had kunnen zien dat de adreslijst van zijn cliënt niet compleet was en dat verweerder het geld op zijn derdengeldrekening aan zijn cliënt heeft doorbetaald terwijl zijn cliënt nog niet aan de afspraak over de adreslijst voor verzending van de herdruk aan alle betrokkenen had voldaan, is het verzet gegrond. Gelet op hetgeen in 5.2 is overwogen is de klacht in zoverre gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Hoewel de raad hiervoor heeft geoordeeld dat de handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar is, ziet de raad aanleiding om verweerder geen maatregel op te leggen. Daarbij heeft de raad de voorgeschiedenis en de specifieke omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, en ook het feit dat klaagster in materiële zin haar doel – de verzending van een herdruk van het boek van de cliënt van verweerder aan alle betrokkenen die de eerste druk van het boek hebben ontvangen – heeft bereikt.

 

7    GRIFFIERECHT

7.1    Omdat de klacht gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart de klacht gegrond;

- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.

 

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. P.O.M. van Boven-de Groot en J.H.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens