Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:214
Datum uitspraak:
30-09-2019
Datum publicatie:
06-11-2019
Zaaknummer(s):
19-072/DH/DH
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Verzet ongegrond.

's-Gravenhage

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 30 september 2019in de zaak 19-072/DH/DH

 

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 15 mei 2019 op de klacht van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 13 juni 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: “de deken”) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 21 januari 2019 met kenmerk K142 2018 ar/ak, door de raad ontvangen op 25 januari 2019, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    Bij beslissing van 15 mei 2019 heeft de voorzitter van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 15 mei 2019 is verzonden aan klaagster.

1.4    Bij e-mail van 11 juni 2019 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5    Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 5 augustus 2019 in aanwezigheid van klaagster en verweerster.

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop die beslissing is gegrond en van het verzetschrift. De raad heeft verder kennis genomen van de e-mail van 17 juli 2019 met bijlagen van verweerster alsmede van de e-mails van 21 en 22 juli 2019 met bijlagen van klaagster.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht en het verzet wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:

2.1    Klaagster is in een geschil met haar voormalig werkgever over al (i) dan niet terechte arbeidsgeschikt-melding door de bedrijfsarts en (ii) haar arbeidsongeschiktheid bijgestaan door mr. B. Mr. B is een voormalig kantoorgenoot van verweerster.

2.2    Mr. B heeft in 2015 in het kader van de voorbereiding van een gerechtelijke procedure ter zake van voormeld geschil voor klaagster bij de Raad voor Rechtsbijstand subsidie aangevraagd voor het laten plaatsvinden van een “medisch haalbaarheidsonderzoek”. De subsidie is verleend, maar het beoogde onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

2.3    Mr. B heeft het kantoor van verweerster op 1 juli 2017 verlaten, waarna verweerster de behandeling van het dossier van klaagster van mr. B heeft overgenomen.

2.4    Op 28 augustus 2017 heeft verweerster aan klaagster geschreven dat zij de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. B. Verweerster heeft geschreven dat mr. B klaagster heeft gevraagd om toezending van stukken, maar dat klaagster aan dat verzoek geen gehoor heeft gegeven. Volgens verweerster is weinig informatie voorhanden. In ieder geval is er volgens verweerster te weinig informatie voor het instellen van een procedure strekkend tot het verkrijgen van een schadevergoeding. Verweerster heeft uiteengezet welke gegevens noodzakelijk zijn voor het instellen van zo’n procedure. Verweerster heeft klaagster geadviseerd om de arbodienst en de verzuimspecialist aansprakelijk te stellen voor de schade en heeft bij haar brief twee conceptbrieven aan deze partijen gevoegd.

2.5    Bij e-mail van 21 september 2017 heeft klaagster te kennen gegeven akkoord te zijn met de conceptbrieven.

2.6    Verweerster heeft klaagster op 3 oktober 2017 laten weten dat de brieven aan de arbodienst en de verzuimspecialist die dag verzonden zijn.

2.7    Bij brief van 1 februari 2018 heeft verweerster klaagster laten weten dat zij lang in afwachting is geweest van reacties van de arbodienst en de verzuimspecialist. Ondanks zeven rappellen heeft de arbodienst niet gereageerd. De verzuimspecialist heeft te kennen gegeven dat zij het eerder al ingenomen standpunt dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van klaagster handhaaft. Verweerster heeft in de brief aan klaagster uitgelegd dat de enige mogelijkheid die rest het instellen van een civiele procedure is, maar dat deze procedure geen reële kans van slagen heeft. Daarvoor is volgens verweerster redengevend dat door klaagster geen bezwaar is ingesteld tegen de afwijzende beslissing op de WIA-aanvraag en het ontbreken van een “(uitgebreid) medisch advies (…) waaruit blijkt dat de bedrijfsarts zijn oordeel destijds gebrekkig en op basis van onjuiste informatie heeft gevormd en dat [de arbodienst] hierdoor onjuist heeft gehandeld”. Verweerster heeft tot slot geschreven dat zij graag binnen twee weken van klaagster verneemt, indien klaagster andere mogelijkheden ziet of over aanvullende informatie beschikt. Voor zover dat niet aan de orde is, heeft verweerster aangekondigd haar werkzaamheden voor klaagster te zullen staken.

2.8    In een e-mail van 14 februari 2018 aan klaagster heeft verweerster geschreven dat de maatschappelijk werkster van klaagster heeft verzocht om het dossier te sluiten. Verweerster heeft klaagster, zakelijk weergegeven, verzocht om het verzoek dat de maatschappelijk werkster namens haar heeft gedaan, te bevestigen.

2.9    In de brief van 13 maart 2018 aan klaagster heeft verweerster herhaald dat, zonder aanvullende informatie, geen kansrijke procedure kan worden ingesteld. Verweerster heeft daarbij verwezen naar eerdere brieven die aan klaagster zijn gezonden. Verweerster heeft geschreven dat klaagster niet heeft gereageerd op de brief van 14 februari 2018 en dat het dossier daarom op 28 februari is gesloten. Verweerster heeft verder het volgende geschreven:

“(…) Gisterenmiddag is er toch weer telefonisch contact met u en [maatschappelijk werkster] geweest. U gaf te kennen dat u uw belangen toch weer door ons wenst te laten behartigen en dat wij de zaak weer oppakken. Wij gaven u aan dat wij uw zaak pas weer kunnen oppakken op het moment dat wij - zoals herhaaldelijk aangegeven - over aanvullende (medische) bewijsstukken beschikken waaruit blijkt dat (de bedrijfsarts ingeschakeld door) uw werkgever u destijds nooit beter had mogen melden. Wij vrezen dat dergelijke informatie niet voorhanden is, daar wij hierom (zowel in 2015, 2016, 2017 en ook weer in 2018) herhaaldelijk om hebben verzocht, doch deze nooit hebben gekregen.

Coulancehalve spraken wij echter met u af dat het dossier nog een maand zal worden aangehouden, in afwachting van concreet (medisch) bewijs, welke doorslaggevend is/zal zijn voor de behandeling van uw zaak en het voeren van een gerechtelijke procedure. Indien wij dit niet van u mochten ontvangen, zal ons kantoor definitief over gaan tot het sluiten van uw dossier en het neerleggen van onze werkzaamheden. (…)

Volledigheidshalve gelieve u de brieven van ons kantoor, waaraan ik in dit schrijven verwijs, bijgaand aan te treffen. Dit is mede zodat uw maatschappelijk werkster een goed beeld van de situatie krijgt. (…)”

2.10    Op 4 april 2018 heeft klaagster het volgende aan verweerster geschreven:

“(…) Wilt u bevestiging mailen dat u de dossier gaat sluiten. (…)”

2.11    Bij brief van 4 april 2018 aan klaagster heeft verweerster de sluiting van het dossier bevestigd. Verweerster heeft in de brief nog gewezen op de gevolgen van de sluiting voor de ten behoeve van klaagster verleende toevoeging.

 

3    KLACHT EN VERZET

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    het niet mogelijk was om contact te krijgen met verweerster of met haar kantoor;

b)    klaagster niet op de hoogte is gesteld van het vertrek van mr. B van het kantoor van verweerster;

c)    klaagster niet is gewezen op de mogelijkheid van een medisch haalbaarheidsonderzoek op kosten van de Raad voor Rechtsbijstand.

3.2    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klaagster zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft zich tegen de klacht en het verzet verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Het karakter van de procedure van verzet tegen een voorzittersbeslissing brengt met zich dat er primair slechts aandacht kan zijn voor fouten of omissies in de bestreden voorzittersbeslissing. De klacht wordt pas nader, inhoudelijk, besproken als van zulke fouten of omissies sprake lijkt te zijn en het verzet geheel of gedeeltelijk gegrond is.

5.2    De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en voorts acht heeft geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de raad kunnen de door klaagster aangevoerde gronden niet slagen en heeft de voorzitter de klacht terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden.

5.3    Omdat het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. H.E. Meerman en R. de Haan, leden, bijgestaan door mr. D.L. van Lijf als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 30 september 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens