Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:311
Datum uitspraak:
16-12-2019
Datum publicatie:
12-02-2020
Zaaknummer(s):
19-493
Onderwerp:
Ontvankelijkheid van de klachtKlachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over het handelen van verweerster als advocaat van de faillissementscurator van een broer van klager. Daarover is ook al geklaagd door een andere broer en daarop is onherroepelijk en afwijzend beslist. De onderhavige klacht van klager heeft betrekking op hetzelfde feitencomplex. De voorzitter zal zich daar niet nog een keer over buigen. Klager is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht op grond van het ne bis in idem beginsel ex artikel 47b Advocatenwet. 

Gelderland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2019

in de zaak 19-493

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen

verweerster

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland  (hierna: de deken) van 24 juli 2019 met kenmerk K18/160  door de raad ontvangen op 24 juli 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    De voormalige kantoorgenote van verweerster, mr. W. (hierna: de curator), is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 mei 2017 aangesteld als curator in het faillissement van de broer van klager, E.R.B. Verweerster heeft de curator ondersteund bij de afwikkeling van het faillissement.

1.2    Op 4 juni 2017 is de vader van klager en E.R.B. overleden. De afhandeling van de nalatenschap (en later ook die van de moeder) is bij het notariskantoor R. ondergebracht.

1.3    Op 7 juni 2017 is de moeder van klager en E.R.B. overleden. In haar nalatenschap viel onder meer de ouderlijke woning met inboedel. Klager, E.R.B. en een derde broer, W.B., zijn haar erfgenamen. Het erfdeel van E.R.B. valt in het faillissement. De curator heeft dat erfdeel beneficiair aanvaard.

1.4    De curator heeft met toestemming van de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, de rechtbank verzocht een vereffenaar van de nalatenschap te benoemen. Verweerster is in die procedure als advocaat van de curator opgetreden. In het kader hiervan heeft klager een brief ontvangen van de rechtbank van 15 september 2017, waaruit blijkt dat de curator de rechtbank heeft gevraagd klager uit te nodigen voor de mondelinge behandeling van het verzoek tot benoeming van een vereffenaar op 6 oktober 2017. De rechtbank heeft bij beschikking van 10 november 2017 mr. R. tot vereffenaar van de nalatenschap van de moeder benoemd.

1.5    Bij e-mail van 27 november 2017 met bijlage heeft klagers broer  W.B. bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Deze klacht is behandeld ter zitting van de raad van 19 november 2018 in aanwezigheid van klagers broer W.B.  en verweerster, laatstgenoemde vergezeld van haar gemachtigde.

1.6    Bij brief van 3 december 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

1.7    Klager heeft tevens klachten over het handelen van de curator aan de rechter-commissaris voorgelegd. De rechter-commissaris heeft de klachten bij brief van 19 januari 2018 afgewezen

1.8    Bij beslissing d.d. 21 januari 2019 (zaaknummer 18-350) heeft de raad de op 27 november 2017 door klagers broer E.B.  ingediende klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. De klacht bestond uit de volgende onderdelen:

“De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft  gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerster onduidelijkheid heeft laten bestaan over de hoedanigheid waarin zij klager in deze kwestie heeft betrokken, welke belangen zij behartigde en welke bevoegdheden zij had;

b)    verweerster heeft onjuiste en onvolledige informatie gehanteerd en inaccuraat gewerkt (de aanhef en adressering van klager zijn onjuist). Klager wordt namelijk in het verzoekschrift tot benoeming van een vereffenaar aangeduid als “mevrouw”. De adresgegevens van klager konden bekend zijn bij verweerster omdat die staan vermeld in de e-mail van E.R.B. aan haar van 5 september 2017;

c)    verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat klager geen medewerking verleende;

Toelichting

Verweerster heeft geen rechtstreeks contact opgenomen met klager, laat staan hem om informatie gevraagd. Er is geen sprake geweest van hoor en wederhoor. E.R.B. heeft veelvuldig en met medewerking van notariskantoor R. alle informatie verschaft. De standpunten van verweerster zijn gebaseerd op aannames.

d)    verweerster heeft onnodig de rechtbank verzocht een vereffenaar te benoemen;

Toelichting

Over de procedure en de datum van de zitting is klager niet tevoren geïnformeerd. De voorgestelde vereffenaar kwam uit het eigen netwerk van verweerster. Het feit dat de rechtbank notaris R. heeft benoemd als vereffenaar bevestigt dat de procedure zinloos was.

e)    verweerster heeft nagelaten klager te informeren over de noodzaak van het beneficiair aanvaarden van het erfdeel van klagers moeder;

f)    verweerster heeft nagelaten te reageren op voorstellen van klager om tot afspraken te komen met betrekking tot de ouderlijke woning en de inboedel;

g)    verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling door namens de curator met klager en de andere erven te corresponderen;

h)    verweerster “gemis aan professionele attitude integraal met gemis aan kwalitatieve capaciteiten en ethisch besef” wordt verweten.”

1.9    Klagers broer E.B.  heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Bij beslissing van 18 oktober 2019 (zaaknummer 190039) heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad bekrachtigd.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    onnodig de rechtbank te hebben verzocht een vereffenaar te benoemen, waardoor klager (advocaat-) kosten heeft moeten maken;

b)    op alle mogelijke manieren zaken te verdraaien, ontkennen, tegenwerken en betrokkenen in het ongewisse te laten.

Toelichting

Ad klachtonderdeel a)

2.2    Verweerster wist dan wel had kunnen weten dat mr. R de afwikkeling van de nalatenschap in behandeling had. Verweerster had contact met mr. R moeten zoeken om tot een goede afwikkeling te komen. Het feit dat de rechtbank mr. R heeft benoemd als vereffenaar bevestigt dat de procedure zinloos was.

Ad klachtonderdeel b)

2.3    Verweerster beweert ten onrechte dat zij klager en zijn broer heeft uitgenodigd voor een gesprek. Een dergelijke uitnodiging heeft klager en zijn broer nooit bereikt. Verweerster wekt ten onrechte de indruk dat klager niet bereid zou zijn tot enig overleg met de rechter-commissaris en verweerster. Verweerster heeft E.R.B. op 7 juli 2017 verboden contact met klager en A.G.B. te hebben terwijl de broers na het overlijden van hun moeder elkaar juist hard nodig hadden. Verweerster beweert ten onrechte dat klager en zijn broers haar in het ongewisse hebben gelaten over verkoopacties ten aanzien van de ouderlijke woning. Verweerster heeft niet gereageerd op e-mailberichten en vragen van klager. De curator heeft werkzaamheden van verweerster overgenomen, hetgeen bij klager de indruk wekt dat de curator verweerster niet capabel acht.

 

3    VERWEER

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1    De klacht ziet enkel op verweerster handelen in de afwikkeling van de nalatenschap. Daarover is al eerder geklaagd. Verweerster verwijst naar de beslissing van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2019 in de zaak 18-350 naar aanleiding van een nagenoeg gelijkluidende klacht van klagers broer W.B. tegen verweerster.

Ad klachtonderdeel a)

3.2    Nadat de curator de nalatenschap beneficiair had aanvaard, heeft zij klager verzocht om een boedelbeschrijving. Daar is niet op gereageerd. De curator heeft dat indachtig, alsmede de houding van de curandus, in het belang van de boedel besloten om een verzoek tot benoeming van een vereffenaar in te dienen. Verweersters rol in de afwikkeling van de nalatenschap is beperkt gebleven tot het namens de curator een verzoekschrift indienen en de curator bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dat verzoek bij te staan. De rechtbank heeft het verzoek ingewilligd. De afwikkeling van de nalatenschap ligt in de handen van de vereffenaar en noch de curator, noch verweerster hebben daarin een rol gehad. Dat klager kosten heeft gemaakt in verband met zijn aanwezigheid tijdens de zitting maakt niet dat het verzoek dat verweerster namens de curator heeft ingediend onrechtmatig was of dat verweerster hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De curator heeft voor de zitting getracht contact op te nemen met mr. R, maar dit heeft nimmer tot een gesprek geleid tussen de curator en mr. R.

Ad klachtonderdeel b)

3.3    Klachtonderdeel b ziet deels niet op handelen van verweerster. Voor zover klachtonderdeel b wel op handelen van verweerster ziet, is deze feitelijk onjuist en / of niet onderbouwd.

 

4    BEOORDELING

4.1    Uit de hierboven vastgestelde feiten en de hierboven weergegeven klachtomschrijving blijkt dat de nu te behandelen klacht van klager inhoudelijk een herhaling is van de klacht die klagers broer W.B. eerder heeft ingediend tegen verweerster en waarop in een andere klachtprocedure onherroepelijk is beslist.  Ook de klacht van klagers broer W.B. zag immers op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de curator. In die klachtzaak (met zaaknummer 18-350) heeft de raad bij beslissing d.d. 21 januari 2019 geoordeeld dat verweerster van haar optreden als advocaat van de curator geen tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. De beslissing van de raad is bij beslissing van het Hof van Discipline d.d. 18 oktober 2019 (zaaknummer 190039) bekrachtigd.

4.2    De onderhavige klacht van klager heeft betrekking op hetzelfde feitencomplex. De voorzitter zal zich daar niet nog een keer over buigen. De advocaat tegen wie een klacht is ingediend moet er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op kunnen vertrouwen dat de klacht tegen hem daarmee afgewikkeld is en niet voor de tweede keer aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. Klager is derhalve niet-ontvankelijk in zijn klacht op grond van het ne bis in idem beginsel (artikel 47b Advocatenwet).

4.3    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in beide onderdelen, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk niet-ontvankelijk.

 

Aldus beslist door mr. A. Zweers,  voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber-Van de Langenberg als griffier op 16 december 2019.

 

griffier                                                 voorzitter

Meer informatie

Acties

Meta gegevens