Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:231
Datum uitspraak:
11-06-2019
Datum publicatie:
02-12-2019
Zaaknummer(s):
18-819
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntBeleidsvrijheid Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Naar het oordeel van de raad was de rol van verweerster in de onderhavige zaak beperkt tot het bewaken van de cassatietermijn en het erop toe te zien dat het cassatieadvies tijdig werd aangevraagd en uitgebracht. Dat heeft zij zorgvuldig gedaan. Na ontvangst van het negatieve advies van de cassatieadvocaat heeft zij hem op de hoogte gebracht van het andersluidende standpunt van klaagster. Dat was voor de cassatieadvocaat geen aanleiding om zijn negatieve advies te herzien. Hij heeft geen cassatie voor klaagster ingesteld. Deze advisering en beslissing van de cassatieadvocaat liggen buiten de macht en verantwoordelijkheid van verweerster. Daarvan kan haar dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In zoverre is de klacht ongegrond.

Gelderland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 11 juni 2019

in de zaak 18-819

naar aanleiding van de klacht van:

 

1)    klaagster

en

2)    klager

hierna samen: klagers

tegen

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 24 januari 2018 hebben klagers bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 22 oktober 2018 met kenmerk K 18/16, door de raad ontvangen op 22 oktober 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 15 april 2019 in aanwezigheid van klagers en verweerster, vergezeld van mr. [naam]. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49, lid 2 Advocatenwet.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    Klagers waren verwikkeld in een juridisch geschil met de basisschool van hun twee kinderen. Dit geschil betrof – kort samengevat – de vraag of de toelating tot de (internationale afdeling van de) school afhankelijk mocht worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Hierbij stond de uitleg van de artikelen 13 en 40 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wop) centraal. Klagers werden in de feitelijke instanties bijgestaan door verweerster.

2.3    De diensten van verweerster voor klagers werden bekostigd door DAS Rechtsbijstand (hierna: DAS).

2.4    Op 17 november 2015 is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen. Klagers zijn daarbij in het ongelijk gesteld.

2.5    Op 27 en 30 november 2015 hebben klagers en verweerster besproken dat het arrest aanleiding gaf tot het instellen van cassatie.

2.6    De cassatietermijn liep tot en met 17 februari 2016.

2.7    Op 12 februari 2016 heeft verweerster DAS benaderd met het verzoek cassatieadvies te mogen vragen Diezelfde middag heeft zij mr. S., advocaat te Nijmegen, verzocht om cassatie-advies uit te brengen.

2.8    Op 15 februari 2016 heeft mr. Van S. verweerster laten weten dat cassatie naar zijn mening niet zinvol zou zijn.

2.9    Per e-mail van 16 februari 2016 heeft mr. S. zijn telefonisch reeds aan verweerster doorgegeven bevindingen in gecomprimeerde vorm bevestigd. Deze mail heeft verweerder diezelfde avond rond 20.00 uur aan klagers doorgestuurd.

2.10    Klagers hebben dezelfde avond op de e-mail gereageerd. Deze reactie heeft verweerster op 17 februari 2016 ’s ochtends per e-mail aan mr. S. doorgestuurd. Mr. S. heeft diezelfde ochtend per e-mail aan verweerster geantwoord dat de argumenten van klagers geen verandering brachten in zijn advies. Later diezelfde dag heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen mr. S. en verweerster. Verweerster heeft zich bij het advies van mr. S. neergelegd.

2.11    Mr. S. heeft geweigerd rechtstreeks met klagers te communiceren over de inhoud van zijn cassatieadvies.

2.12    In maart 2016 heeft overleg tussen partijen geresulteerd in een schikking. In het kader van die schikking heeft verweerster aan klagers tegen finale kwijting een bedrag van EURO 5.000 betaald.

2.13    Sinds 1 juli 2018 staat verweerster niet meer als advocaat ingeschreven.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    in strijd met de gedragsregels 4 en 5 (oud) haar taken als opdrachtgeefster onvoldoende te hebben vervuld;

b)    na te laten er op toe te zien dat sprake was van een vrije advocaatkeuze;

c)    te handelen in strijd met de gedragsregels 9 lid 3 en 29 (oud) door de opdracht voor zichzelf als beëindigd te beschouwen;

d)    onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over de gebeurtenissen na het arrest van 15 november 2015 en dan met name in de laatste weken voor de afloop van de cassatietermijn op 17 februari 2016.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

 

5    BEOORDELING

Ad klachtonderdeel a)

5.1    De raad is met verweerster van oordeel dat haar rol als advocaat van klagers beperkt was tot het bewaken van de cassatietermijn en het erop toe te zien dat het cassatieadvies tijdig werd aangevraagd en uitgebracht. Met dat advies als zodanig had zij geen bemoeienis en behoorde zij ook geen bemoeienis te hebben. Dat was de taak van mr. S. Het was naar het oordeel van de raad dan ook niet de taak van verweerster om haar verzoek om het uitbrengen van een cassatieadvies inhoudelijk toe te lichten. Sterker nog, het geven van een toelichting vooraf kan de cassatieadvocaat bemoeilijken c.q. belemmeren bij de uitvoering van zijn opdracht om zich in volledige onafhankelijkheid een oordeel te vormen over de zaak. Nadat het advies was ontvangen, heeft verweerster mr. S. op de hoogte gebracht van het (andersluidende) standpunt van haar cliënte, maar dat vormde voor mr. S. geen aanleiding zijn advies te herzien. Hij heeft zijn negatieve advies gehandhaafd, als gevolg waarvan door hem geen cassatie is ingesteld. Deze advisering en beslissing liggen buiten de macht en verantwoordelijkheid van verweerster. Van klachtwaardig handelen door verweerster is naar het oordeel van de raad geen sprake.

Ad klachtonderdelen b), c) en d)

5.2    Deze drie klachtonderdelen hangen naar het oordeel van de raad samen met of vloeien voort uit het feit dat door verweerster in een zeer laat stadium om een cassatieadvies is gevraagd. Over het (te) late tijdstip van het vragen van het advies hebben partijen begin 2016, en derhalve na het uitbrengen van het cassatieadvies, een schikking getroffen. Onder deze schikking vallen ook alle gevolgen van de late aanvraag van het cassatieadvies. Daarover kunnen klagers thans derhalve niet meer klagen. Klagers zijn in deze klachtonderdelen derhalve niet-ontvankelijk.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;

-    verklaart klagers niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen b), c) en d).

 

Aldus gewezen door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. R.P.F. van der Mark, L.A.M.J. Pütz, H. Dulack en M.W. Veldhuijsen, leden en bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2019.

 

Griffier                                                                           Voorzitter

 

Bij afwezigheid van mr. M.M.C. van der Sanden is deze beslissing ondertekend door mr. M.M. Goldhoorn (griffier)

 

Verzonden d.d. 11 juni 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens