Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:178
Datum uitspraak:
21-10-2019
Datum publicatie:
01-11-2019
Zaaknummer(s):
18-951
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Zorg voor de cliëntFinanciën
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klager verwijt zijn advocaat dat hij hem aan het lijntje heeft gehouden en te weinig heeft gedaan. De raad oordeelt begrijpelijk dat advocaat niet zonder toevoeging wilde procederen en de uitkomst van de toevoegingsaanvraag heeft afgewacht. Advocaat heeft ondertussen gedaan wat van hem verwacht mocht worden namelijk alles gedaan om de toevoeging te verkrijgen waaronder bezwaar maken tegen de oorspronkelijke afwijzing. Klacht ongegrond.

Midden-Nederland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 21 oktober 2019

in de zaak 18-951

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 2 november 2017 heeft klager bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 29 november 2018 met kenmerk 17-0309/MV/sd door de raad ontvangen op 29 november 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 26 augustus 2019 in aanwezigheid van klager en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    Klager heeft in 2015 problemen gekregen met de ING Bank over de financiering van een hem in eigendom toebehorende woning. De ING bank stelde zich op het standpunt dat klager ten tijde van de aanvraag en passeren van een hypothecaire geldlening verzwegen had dat hij uit hoofde van ander onroerend goed nog andere financiële verplichtingen had en een bepaald pand zonder toestemming van de ING bank had verhuurd waarna de bank de overeenkomst van hypothecaire geldlening had opgezegd en klager had gesommeerd het geleende bedrag terug te betalen. Voorts dreigde de bank met executoriale verkoop indien klager niet met onderhandse verkoop zou instemmen. In verband daarmee was klager ook bij de BKR geregistreerd.

2.3    Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder voor klager de volgende toevoegingen heeft aangevraagd:

2.4    Op 14 juni 2016 heeft verweerder onder kenmerk 4LW6832 ter zake “verweer verkoop woning” een toevoeging aangevraagd. Deze toevoeging is verstrekt en de vergoeding is vastgesteld.

2.5    De toevoeging met kenmerk 4LW6832 heeft betrekking op een kort geding tegen de ING Bank dat verweerder namens klager aanhangig heeft gemaakt en waarin op 12 oktober 2016 vonnis is gewezen. De vorderingen van klager hadden staking van de executie van de woning door de bank als onderwerp. De vorderingen zijn afgewezen

2.6    Op 10 of 11 januari 2017 heeft verweerder onder kenmerk 4MG6475 ter zake “aansprakelijkheid/fraude” een toevoeging aangevraagd. De aanvraag is bij beslissing van 8 maart 2017 door de Raad voor Rechtsbijstand afgewezen. Bij brief van 18 april 2017 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt tegen de afwijzing, waarna bij beslissing van 21 juni 2017 een LAT toevoeging is afgegeven.

2.7    Op 10 of 11 januari 2017 heeft verweerder onder kenmerk 4MG5525 ter zake “een bodemprocedure tegen de ING Bank” een toevoeging aangevraagd. De aanvraag is bij beslissing van 8 maart 2017 door de Raad voor Rechtsbijstand afgewezen. Bij brief van 18 april 2017 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt tegen afwijzing, waarna de toevoeging alsnog bij beslissing van  31 mei 2017 is verstrekt.

2.8    Bij e-mail van 7 juni 2017 heeft klager onder meer het volgende aan verweerder geschreven:

“U heeft meerdere toevoegingen aangevraagd toch? 1 tegen de Ing, 1 tegen de frauderegistratie en 1 tegen de Rabo.”

2.9    Bij e-mail van 21 juli 2017 heeft klager aan verweerder geschreven dat hij geregistreerd staat als fraudepleger en daarom geen herfinanciering kan krijgen, dat de ING Bank daardoor de uitweg heeft geblokkeerd en zijn huis is geveild terwijl herfinanciering volgens een bepaald persoon wel mogelijk was, dat hij nu het risico loopt dat ook de andere huizen geveild gaan worden, dat hij alles wilde herfinancieren maar dat dit niet kan en dat daarom de nood hoog is en er voldoende aanleiding was voor een kort geding.

2.10    Bij e-mail van 10 augustus 2017 heeft verweerder klager geantwoord dat het een moeilijke zaak is om de ING Bank aan te pakken, dat de ING gaat roepen dat zij zo moeten handelen ten opzichte van alle andere banken en de overheid en dat de arbeidsrelatie waarop eerder een beroep is gedaan “fake” was en dat de grootste fout niet bij de ING maar bij een ander lag. Maar dat als klager dat echt wilde de ING bank aangepakt zou worden en de dagvaarding die dag nog geschreven zou worden. Op diezelfde dag heeft klager verweerder bij e-mail geantwoord: “Precies zo Mr ….. (verweerder), helemaal mee eens en gewoon doen.”

2.11    Bij e-mail van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Ik help je graag en we spraken af dat ik kostte wat het kost een kort geding tegen de ING zou opstarten.. Maar nu aarzel ik toch weer, want ik vrees dat we gaan verliezen en dat jij erop achteruit zult gaan, terwijl je momenteel zo goed bezig bent en rust hebt. “

2.12    Bij e-mail van 18 september 2017 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. Op 20 september 2017 heeft verweerder klager een concept dagvaarding voor een bodemzaak tegen de ING Bank ter beoordeling toegezonden vergezeld van een door hem opgestelde notitie waarin opnieuw op de risico’s van de procedure wordt gewezen. Op 27 september 2017 heeft klager bij verweerder zijn dossier opgehaald en zijn relatie met verweerder beëindigd.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder klager sinds september 2016 aan het lijntje heeft gehouden door zijn werkzaamheden uit te stellen en de diverse geplande besprekingen te verplaatsen c.q. af te zeggen onder meer vanwege ziekte;

b)    één of meerdere toevoegingen aan te vragen en klager daarvoor een eigen bijdrage te laten betalen, terwijl daar geen (inhoudelijke) werkzaamheden tegenover hebben gestaan

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    Klager had grote financiële problemen. Het aanhangig maken van een procedure bracht veel kosten met zich mee en verweerder was dan ook niet bereid zonder een toevoeging de zaak aanhangig te maken. De toevoegingen zijn eind mei/eind juni 2017 verstrekt.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Nadat de toevoegingen waren verstrekt is verweerder geconfronteerd met het overlijden van zijn moeder en eigen ziekte/een ziekenhuisopname. Dat heeft geleid tot vertraging bij de opstelling van de concept dagvaarding, noch afgezien van de aarzeling om de zaak aanhangig te maken die er reeds eerder was.

 

5    BEOORDELING

Ad klachtonderdeel a)

5.1    Het kort geding is in oktober 2016 verloren. Op 10 of 11 januari 2017 zijn door verweerder twee toevoegingen aangevraagd. De toevoegingsaanvragen zijn op 31 mei 2017 en 21 juni 2017 verstrekt nadat verweerder bezwaar had gemaakt tegen eerdere afwijzingen.

5.2    Verweerder heeft gesteld dat hij niet zonder toevoeging voor klager wilde procederen en dat is begrijpelijk. Weliswaar heeft klager ter zitting naar voren gebracht dat hij had aangeboden om te betalen maar uit het feit dat de toevoegingen zijn aangevraagd kan worden afgeleid dat klager van de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand gebruik wilde maken en uit niets blijkt dat hij daarvan afstand heeft gedaan. Dan is ook begrijpelijk dat verweerder de uitkomst van de toevoegingsaanvragen heeft willen afwachten alvorens kosten te maken. Ondertussen heeft verweerder gedaan wat van hem verwacht kon worden namelijk al het mogelijke doen om de toevoegingen te verkrijgen. De toevoegingen zijn kort na het verloren gaan van het kort geding aangevraagd.

5.3    Vervolgens heeft het na de afgifte van de toevoegingen nog ruim drie en halve maand geduurd alvorens de concept dagvaarding aan klager is toegezonden. Dit tijdsverloop kan echter niet los worden gezien van de persoonlijke omstandigheden waarmee verweerder in die periode te maken had, waarvoor klager ook enig begrip heeft getoond.

5.4    De raad is van oordeel dat genoemde termijn weliswaar lang is en verweerder bepaald niet voortvarend te werk is gegaan alsmede daarover niet altijd even duidelijk heeft gecommuniceerd, doch mede gelet op de gereleveerde omstandigheden oordeelt de raad het tijdsverloop niet zodanig lang dat verweerder daarvan in tuchtrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt.

5.5    Klachtonderdeel a) is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.6    In dit klachtonderdeel maakt klager verweerder er een verwijt van dat hij ter zake verkregen toevoegingen geen (inhoudelijke) werkzaamheden heeft verricht.

5.7    In zijn e-mail van 7 juni 2017 aan verweerder maakt klager melding van de toevoegingen die voor hem zijn aangevraagd, te weten: een toevoeging tegen de ING Bank, een toevoeging tegen frauderegistratie en een toevoeging tegen de Rabo Bank. Klager was dus op de hoogte van de stand van zaken voor wat betreft de toevoegingsaanvragen.

5.8    Uit de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a) vloeit de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b) voort. Het opstellen van de concept dagvaarding tegen de ING Bank had op dat moment voor klager prioriteit zoals ook blijkt uit zijn bij de feiten genoemde e-mail aan verweerder van 21 juli 2017. Dat verweerder zich hierop heeft toegelegd is derhalve te begrijpen. Doordat klager kort na toezending van de concept dagvaarding in de bodemzaak zijn relatie met verweerder heeft beëindigd heeft hij het verweerder onmogelijk gemaakt om nog inhoudelijke werkzaamheden in de andere kwestie(s) waarvoor toevoegingen waren ontvangen te verrichten.  Van het ontbreken daarvan kan klager verweerder dus onmogelijk een tuchtrechtelijk verwijt maken.

5.9    Klachtonderdeel b) is derhalve ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de beide klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.L.C.M. van Kalmthout, P.J.F.M. de Kerf, C.W.J. Okkerse, M.W. Veldhuijsen, leden, bijgestaan door mr. A.M. van Rossum als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2019.

Griffier                                                                   Voorzitter

Meer informatie

Acties

Meta gegevens