Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:227
Datum uitspraak:
25-11-2019
Datum publicatie:
02-12-2019
Zaaknummer(s):
19-612/A/A
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntBeleidsvrijheid Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntGeheimhoudingsplicht Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Zorg voor de cliëntFinanciën
Beslissingen:
Waarschuwing Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Klacht over de eigen advocaat deels gegrond. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij op de zitting de door de kantonrechter geboden schikkingsmogelijkheid heeft afgewezen zonder (voorafgaand) overleg met klaagster. Waarschuwing en kostenveroordeling.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 25 november 2019

in de zaak 19-612/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde mevrouw mr. A.C. Mahabiersing

advocaat te Haarlem

over:

verweerder

gemachtigde mevrouw mr. M. Benningen

advocaat te Amsterdam

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 27 oktober 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 5 september 2019 met kenmerk 2018-715528, door de raad ontvangen op dezelfde dag, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 22 oktober 2019 in aanwezigheid van de gemachtigde van klaagster en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde brief van de deken aan de raad en de bijlagen 1 tot en met 18. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de brief van klaagster aan de deken van 13 september 2019.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klaagster heeft op 4 april 2018 telefonisch contact opgenomen met verweerder met het verzoek haar bij te staan in een arbeidsrechtelijk geschil met haar werkgever ING Bank Personeel N.V. (hierna: de werkgever). Klaagster is op 15 januari 2018 voor de bepaalde tijd van 16 maanden bij de werkgever in dienst getreden als manager IT D in functieschaal 12. Volgens klaagster is zij door de werkgever op grond van haar geslacht gediscrimineerd en gevictimiseerd omdat zij is ingeschaald in schaal 12 terwijl mannelijke collega’s in een vergelijkbare functie en haar mannelijke voorganger zijn ingeschaald in schaal 13 en zij, doordat zij dit heeft aangekaart, is benadeeld.

2.2    Op 9 april 2018 heeft op het kantoor van verweerder een eerste bespreking plaatsgevonden tussen klaagster (vergezeld door haar echtgenoot) en verweerder. Op 11 april 2018 heeft verweerder klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd.

2.3    Op 15 april 2018 heeft klaagster verweerder een concept-brief aan de werkgever gestuurd. Bij e-mail van 19 april 2018 heeft verweerder de door klaagster opgestelde brief aan mevrouw F, CEO van de werkgever, gestuurd met daarbij het verzoek aan mevrouw F een bemiddelende rol in het geschil te spelen.

2.4    Op het moment dat klaagster zich tot verweerder wendde liep er mediation tussen klaagster en de werkgever en had klaagster een klacht (in de Engelse taal) over de werkgever ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het college). Het college heeft klaagster verzocht de klacht in het Nederlands in te dienen. Dit heeft verweerder op 19 april 2018 voor klaagster gedaan. Het college heeft vervolgens een zitting bepaald op 13 september 2018.

2.5    Bij e-mail van 9 mei 2018 heeft mevrouw F klaagster en verweerder uitgenodigd voor een gesprek om een eventuele alternatieve functie te bespreken.

2.6    Bij e-mail van 11 mei 2018 heeft verweerder de e-mail van mevrouw F aan klaagster doorgestuurd. Klaagster heeft verweerder hierop bij e-mail van dezelfde dag onder meer geschreven:

“the terms being imposed here, and which will frame the discussion, are unacceptable; I am not willing to meet on this basis. (…)

In addition, and having now reflected further on the case, [de echtgenoot van klaagster] and I have concluded that we would like to initiate proceedings against ING for breach of contract (…), sex discrimination, and victimisation.”

2.7    Verweerder heeft klaagster hierop bij e-mail van dezelfde dag voorgesteld elkaar op (dinsdag) 15 mei 2018 op zijn kantoor te zien. Bij e-mail van 12 mei 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“After out meeting, there will be ample time for you to send [mevrouw F] a short email response, once we’ve agreed on what we want to do next. I don’t think there is a great need to reply to her in haste on Monday”

2.8    Bij e-mail van 14 mei 2018 heeft verweerder mevrouw F geschreven:

“Dank voor uw bericht van afgelopen woensdag. Ik ben vandaag, na vakantie, voor het eerst weer op kantoor en ben morgen, nadat ik cliënte heb gesproken, in de gelegenheid op uw uitnodiging te reageren. Als cliënte deze aanvaardt zal ik haar naar de bespreking vergezellen.”

2.9    Verweerder heeft mevrouw F na overleg met klaagster meegedeeld dat klaagster het op prijs stelt dat mevrouw F de kwestie persoonlijk wil bespreken, maar dat partijen daarvoor niet alleen principieel maar ook over de feiten teveel verschillen.

2.10    Op 15 mei 2018 heeft klaagster verweerder opdracht gegeven een civiele procedure jegens de werkgever aanhangig te maken en schadevergoeding te vorderen.

2.11    De advocaat van de werkgever heeft op 18 mei 2018 per e-mail contact opgenomen met verweerder en een telefonisch overleg voorgesteld. Bij e-mail van 22 mei 2018 heeft klaagster verweerder hierover onder meer geschreven:

“Finally, if possible, please keep the conversation brief –15 minutes should be ample to listen to ING’s proposal. We should rather spend our money, and your valuable time, on preparing the writ, rather than wasting it further on listening to ING.”

2.12    Op 24 mei 2018 heeft verweerder telefonisch contact gehad met de advocaat van de werkgever.

2.13    Bij e-mail van 25 mei 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“I am not content that I will be billed for a 40 minute phone call, where the ING internal lawyer is railing against me and presenting the same old post-hoc information, which I have already rebutted in my original UBC. I am especially unhappy as this provides a misplaced means of attempting to apply pressure on me to relinquish my legal, and ultimately, human rights. ING’s behaviour does not impress me, which was precisely why I asked that you restrict the time you spent engaging in a futile phone conversation.

In light of this, I would ask that you no longer engage, at this stage, in further phone conversations with ING, and that we instead focus all our efforts on proceeding to a good draft of the writ”

2.14    Op 1 juni 2018 heeft verweerder een concept-dagvaarding aan klaagster gestuurd. Op 5 juni 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder.

2.15    Op 5 juni 2018 heeft de werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. Volgens de werkgever is vanwege onder andere onaanvaardbaar gedrag, onacceptabele uitlatingen en aantijgingen, het volledige gebrek aan zelfreflectie, het de maat nemen van het senior management van de werkgever en het ontbreken van enig gevoel voor verhoudingen binnen de werkgever al kort na aanvang van het dienstverband de situatie zodanig geëscaleerd en ontspoord dat een vertrouwensbreuk is ontstaan waardoor de arbeidsrelatie tussen de werkgever en klaagster is verstoord en de werkgever de arbeidsovereenkomst met klaagster niet langer wil voortzetten.

2.16    Bij e-mail van 8 juni 2018 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“I yet have to include the fact that ING submitted a court request for termination (…) That brings me to the important issue of (change of?) strategy. We anticipated ING wouldn’t want to bring this case to court in order to avoid bad publicity but we were wrong. I want to think over the week end about the best way to proceed from here. I see several possibilities and guess we should meet one more time in my office to discuss (and for me to explain of course). We then also have to talk about our financial arrangement in the light of our understanding of 24 May.”

2.17    Op 11 juni 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“In terms of overall strategy, and to avoid misunderstanding, and needless discussion, which adds time and expense to our meetings, my strategy remains as previously discussed, and which you enthusiastically agreed to: we will initiate compensation proceedings in the Rechtbank on grounds of sex discrimination, victimisation and breach of contract.”

2.18    Op dezelfde dag heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“What I meant by “(change of?) strategy” is this. In the proceedings in which ING requests the dissolution of your employment contract, the court must take two decisions. The first is whether or not the employment agreement will be terminated (‘dissolved’). I will argue that the employment contract should not be dissolved. If the judge nevertheless dissolves (and this chance exists), he must decide whether he will grant you so called ‘fair compensation’ (“billijke vergoeding”). If he would do so, you may probably be denied additional compensation in the ‘Rechtbank procedure’ initiated by the writ based on the fact that the subject of compensation for unfair treatment by ING has already been dealt with in the termination proceedings initiated by ING. We could ask the court in the ‘dissolution’ case to, should he decide to dissolve your contract, leave the question of awarding ‘fair compensation’ (“billijke vergoeding”) unanswered, so that the Rechtbank can answer that question in the case to be initiated by yourself. But that strategy would not be without risk. Alternatively, we could also submit a claim for compensation for discrimination and victimisation as an incidental claim in the dissolution proceedings. The law offers this possibility for a number of years now, but there is still relatively little case law on this subject on the basis of which we could estimate our chances.”

2.19    Op eveneens 11 juni 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“[De echtgenoot van klaagster] and I had understood from you, when we agreed on this course, that we could claim compensation from both a termination process (…) as well as the Rechtbank process. Can we be clear on whether or not that is possible?

If not, then we are not actually asking, at this stage, for compensation from the Rechtbank writ. If we predicate the defence of the termination process on asking that the application not be approved, then presumably we do not yet have to indicate whether or not we would seek “billijke vergoeding”. My bet is that, once ING have both the Rechtbank writ, and the termination defence, they will try and address both with a settlement. But if not, I would like to proceed with the Rechtbank process in any case, as this will maximise the PR damage. (…)

4. My impression: My impression is very positive, and I have been grateful for your attention to detail and speed with which you get things done.”

2.20    Op 15 juni 2018 heeft verweerder de dagvaarding aan de werkgever laten betekenen.

2.21    Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft verweerder klaagster een concept van zijn verweerschrift in de ontbindingsprocedure toegestuurd, alsmede een e-mail van de advocaat van de werkgever aan de rechtbank waarin zij de rechtbank om uitstel heeft gevraagd om verweer te voeren in de dagvaardingsprocedure.

2.22    Bij e-mail van 30 juli 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“With respect to ING’s request for an extension, in response to the Rechtbank dagv., we are very keen that we robustly object to this further extension request, Would you be willing to do that?”

2.23    Verweerder heeft klaagster bij e-mail van 1 augustus 2018 onder meer geschreven:

“Regarding the ‘dagv.’ Procedure: at this point we cannot object to ING being granted extra time to file their answer. It is something they are entitled to. But they have to answer within 4 weeks after 10 August.”

2.24    Op 17 augustus 2018 heeft verweerder namens klaagster in de ontbindingsprocedure een uitgebreid verweerschrift bij de rechtbank ingediend.

2.25    Op 29 augustus 2018 heeft de zitting bij de kantonrechter plaatsgevonden. Verweerder heeft tijdens de zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. In die pleitnotities heeft verweerder over het opnemen door klaagster van gesprekken met haar werkgever onder meer het volgende opgenomen:

“10.    Er is discussie mogelijk over de vraag of het opnemen van een gesprek zonder dit vooraf te melden fatsoenlijk is. Maar het is niet verboden. En het was onder de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk dat [klaagster] dit heeft gedaan.”

2.26    Bij e-mail van 31 augustus 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“I hereby withdraw my instructions, and terminate our professional relationship; with immediate effect, you are no longer my authorised legal representative.

As you will know, as per the (…) principles and regulations of the Orde van Advocaten, you retain a duty of confidentiality towards me, and I know you will respect that, despite the fact that, as I explain below, I cannot continue with your services.

(…)

As explained yesterday, I was deeply concerned and upset by the way in which you prepared for and litigated on my behalf during the hearing at my termination hearing on Wed. 29th August. I’ll briefly touch on three points, by way of summarising my concerns (…)

i) Preparation and ignoring instructions:

[De echtgenoot van klaagster] and I met with you on Monday, 27th August to prepare you for the hearing, and raised a series of points that we asked you to present. These were summarised in a 4 page document (…) We made it clear, in particular, that i) we did not wish to provide excuses nor apologies for the fact that I recorded meetings, as this would serve to help ING make their case, and ii) that the relationship was not broken precisely because ING were using this as post-hoc pretext to claim a broken relationship when they had repeatedly offered me alternative positions.

You deviated from my explicit instructions (and what we had agreed) on both points. (…)

While the ING lawyer spoke for 1.5 hours in delivering their pleadings, your pleadings lasted for just 10 mins (…)

ii) Performance:

We had agreed, prior to entering the court room. That you would respond to the major issues raised by ING that required rebutting. However, to my astonishment, you failed to do so. (…)

iii) Mis-advice and potential negligence

During the preparation for the hearing, you initially advised us that we could seek compensation in the dismissal procedure, and, seek damages in a subsequent Rechtbank procedure assessing the case on its merits. However, you later indicated this would not be possible, as were we to ask for compensation for dissolution of the work contract, I could not then seek damages in the later Rechtbank procedure as I would lose my legal interest. Hence, following your advice, in the defence to the dissolution/termination application, we have declined compensation.

[De echtgenoot van klaagster] and I have now sought second opinions from other Dutch employment law lawyers, who advise us that in their view your advice was incorrect. (…)

As you can imagine, I am extremely unhappy with this situation. I believe that the case was lost on Wednesday, and that I was not adequately represented, as intimated above.”

2.27    Verweerder heeft bij e-mail van 14 september 2018 gereageerd op de e-mail van klaagster van 31 augustus 2018. Hierop heeft klaagster op 18 september 2018 gereageerd.

2.28    Bij e-mail van 7 september 2018 heeft klaagster verweerder meegedeeld dat zij een nieuwe advocaat heeft en verweerder de volgende twee vragen gesteld:

“1. You informed [de echtgenoot van klaagster] and myself after the kantonrechter hearing of Aug 29th that you had spoken to [de advocaat van de werkgever] on two occasions. You had only previously informed me of one occasion. Can you provide me with details, time and date of the second occasion, and what was discussed?

2. There is a call billed to client, on May 24th for 1’12”. Can you provide details as to whom that call was with, and the nature of the content discussed?”

2.29    Bij e-mail van 10 september 2018 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“I checked the file and could only find notes of one telephone conversation with [de advocaat van de werkgever]. This took place on 24 May from 10 – 10:40. I don’t recall any other phone call with her (…)

In our billing system I registered two phone calls with you on that day, one lasted for 0:54 hours (…) and one lasted for 1:12 hours (…) I couldn’t find any reference to a second phone conversation we had on 24 May. Do you remember us having two calls? If you don’t, I may have made a error while entering my time that day and the 1:12 hours will be corrected.”

2.30    Bij e-mail van 10 september 2018 heeft klaagster verweerder onder meer geschreven:

“You informed [de echtgenoot van klaagster] and myself that you spoke to [de advocaat van de werkgever] on two occasions. You now claim that this is not the case. In the interests of transparency, I will be seeking clarification on this matter directly from ING.

Finally, I reminded you, when I withdraw my instructions, that you retain a duty of confidentiality towards me under the guidelines of the Orde. Moreover, I asked you not to contact anyone regarding my case. However, I now understand from my new lawyer, that you phoned her this morning –despite my having made it clear I do not wish you to discuss my case with anyone –and that financial matters were raised by you. Whatever your perspective on financial matters, that is not germane to my case, and the fact that you provided information of this nature to my new lawyer appears to amount to a breach of this principle of confidentiality.”

2.31    Bij beschikking van 11 september 2018 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en de werkgever met ingang van 1 november 2018 ontbonden.

2.32    Bij e-mail van diezelfde dag heeft verweerder de beschikking naar de nieuwe advocaat van klaagster gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft hij onder meer geschreven:

“Ik stuur je hierbij de beschikking die ING wel zal willen delen met het CRM [het college, rvd].”

2.33    Verweerder heeft in totaal een bedrag van € 63.264,59 (inclusief btw) aan klaagster gedeclareerd. Klaagster heeft hiervan een bedrag van ongeveer € 50.000,- onbetaald gelaten.

2.34    Op 10 juli 2019 heeft verweerder de deken verzocht om overleg in verband met zijn voornemen om te komen tot conservatoire beslaglegging ten laste van klaagster. Bij brief van 11 juli 2019 heeft de deken verweerder onder meer geschreven:

“U schrijft belang te hebben bij conservatoire maatregelen, omdat u onlangs heeft gezien dat haar woning te koop staat en u niet kan uitsluiten dat mevrouw en haar echtgenoot, beiden de Engelse nationaliteit hebbend, van plan zijn Nederland te verlaten.

Ik begrijp uit uw nadere toelichting van 11 juli dat [klaagster] uw declaraties in eerste instantie niet heeft betwist. Bezwaren tegen de aan haar uitgebrachte declaraties zijn eerst naar voren gebracht in het kader van de door [klaagster] op 28 oktober 2018 tegen u ingediende tuchtklacht.

Ik zie op basis van de door u verstrekte inlichtingen geen overwegende bezwaren tegen het leggen van conservatoir beslag.”

2.35    Bij e-mail van 18 juli 2019 heeft een voormalig kantoorgenoot van verweerder klaagster meegedeeld dat op 16 juli 2019 conservatoir beslag is gelegd op haar woning.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    klaagster nalatig heeft geadviseerd;

b)    klaagster geen effectieve bijstand heeft verleend tijdens de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek op 29 augustus 2018;

c)    de vertrouwelijkheid heeft geschonden en heeft samengespannen met de wederpartij;

d)    instructies van klaagster niet heeft opgevolgd;

e)    op onethische wijze heeft gedeclareerd.

f)    op de zitting van 29 augustus 2018 zonder overleg met klaagster de schikkingsmogelijkheid heeft afgewezen;

g)    Gedragsregel 17 heeft geschonden.

4    VERWEER

4.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.2    Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskansen van een aanhangig te maken procedure, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover informeren van de cliënt. Voorts dient een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding te nemen en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

Ad klachtonderdeel a)

5.3    Klaagster verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij haar nalatig heeft geadviseerd. Volgens klaagster heeft verweerder gezegd dat indien zij in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding zou verzoeken en deze zou worden toegewezen, zij geen belang meer zou hebben bij een schadevergoeding in de dagvaardingsprocedure. Klaagster heeft er daarom mee ingestemd geen billijke vergoeding te vragen in de ontbindingsprocedure. Het advies van verweerder blijkt volgens klaagster achteraf onjuist en zij is daardoor een grote som geld misgelopen. Klaagster verwijt verweerder verder dat hij in de door hem namens klaagster uitgebrachte dagvaarding geen schadevergoeding heeft gevorderd maar alleen een verklaring voor recht en dat hij heeft gezegd dat klaagster geen bezwaar kon maken tegen het tweede verzoek om uitstel van de werkgever in de dagvaardingsprocedure.

5.4    Verweerder heeft toegelicht dat hij met klaagster heeft besproken dat een beslissing van de kantonrechter over het al dan niet toekennen van een billijke vergoeding later mogelijk nadelig zou kunnen uitpakken wanneer de bodemrechter de omvang van de schade zou gaan vaststellen. De billijke vergoeding zou immers gebaseerd zijn op dezelfde grondslag als de vordering tot schadevergoeding in de dagvaardingsprocedure. De dagvaardingsprocedure liep al op het moment dat de werkgever het ontbindingsverzoek deed en het was bovendien de expliciete instructie van klaagster zelf dat (uiteindelijk) schade in de dagvaardingsprocedure zou worden gevorderd. Het was dus niet alleen een juridische, maar zeker ook een tactische keuze om geen billijke vergoeding te vragen. Bovendien waren alle pijlen van klaagster steeds nadrukkelijk gericht op een schikking met de werkgever. Klaagster was er van meet af aan stellig van overtuigd dat de werkgever met haar een schikking zou willen treffen en deze schikking zou volgens klaagster naar alle waarschijnlijkheid worden getroffen in het kader van de dagvaardingsprocedure. Dat was ook een reden om niet om een billijke vergoeding te vragen; een schikking, hangende de dagvaardingsprocedure, zou naar klaagsters verwachting gunstiger zijn. Ook heeft een rol gespeeld dat een positieve uitspraak voor klaagster van het college haar in een betere schikkingspositie zou hebben gebracht. Die uitspraak was er echter nog niet op het moment dat de ontbindingsprocedure werd behandeld.

5.5    Verweerder heeft voorts op verzoek van klaagster in de dagvaardingsprocedure een verklaring voor recht gevorderd en (nog) geen schadevergoeding. Dit omdat de omvang van de schade nog niet duidelijk was en omdat klaagster verwachtte hierover met de werkgever te kunnen schikken. Dit is dus een bewuste keuze van klaagster geweest. Bovendien had verweerder de eis kunnen wijzigen/vermeerderen als daar aanleiding voor was geweest.

5.6    Wat betreft het verzoek om uitstel van de werkgever in de dagvaardingsprocedure heeft verweerder aangevoerd dat een en ander in lijn is geweest met het geldende rolreglement en dat bezwaar maken tegen het uitstelverzoek van de werkgever geen zin zou hebben gehad, aldus nog steeds verweerder.

5.7    De raad is van oordeel dat het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt dat hij in de ontbindingsprocedure namens klaagster geen billijke vergoeding heeft gevraagd. Uit het verweer van verweerder, dat door klaagster niet althans onvoldoende is weersproken en wordt ondersteund door het klachtdossier, blijkt dat dit een weloverwogen strategie is geweest die niet op voorhand kennelijk onjuist is en die verweerder bovendien met klaagster heeft besproken.

5.8    Het valt verweerder evenmin tuchtrechtelijk te verwijten dat hij in de dagvaardingsprocedure alleen een verklaring voor recht heeft gevorderd en (nog) geen schadevergoeding. Zoals verweerder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:760) terecht heeft aangevoerd is het mogelijk om (in eerste instantie) alleen een verklaring voor recht te vragen (zonder verzoek om een schadestaatprocedure) en daarna (zo nodig) schade te vorderen of te schikken, mits er enig belang c.q. schade is. Hoewel het wellicht meer voor de hand had gelegen om naast een verklaring voor recht meteen verwijzing naar een schadestaatprocedure te vorderen, is de keuze die verweerder heeft gemaakt dus niet op voorhand kennelijk onjuist en bovendien heeft verweerder uitdrukkelijk in samenspraak met klaagster voor deze aanpak gekozen. 

5.9    Het valt verweerder evenmin tuchtrechtelijk te verwijten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het tweede uitstelverzoek van de werkgever (zie hiervoor, 2.21). Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd is een en ander in lijn met het rolreglement voor kantonzaken en had het geen zin hiertegen bezwaar te maken.

5.10    De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel a) ongegrond is.

Ad klachtonderdelen b) en f)

5.11    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling en zien op de zitting in de ontbindingsprocedure op 29 augustus 2018. Klaagster verwijt verweerder dat hij op de zitting een pleidooi heeft gehouden waarin hij klaagster heeft beschuldigd, dat hij geen één inhoudelijk argument van de werkgever heeft bestreden, dat hij instructies van klaagster niet heeft opgevolgd en dat hij zonder overleg met klaagster de schikkingsmogelijkheid heeft afgewezen.

5.12    Verweerder heeft toegelicht dat met het namens klaagster in de ontbindingsprocedure ingediende verweerschrift al zeer uitgebreid en volledig was gereageerd op het verzoekschrift van de werkgever, zodat te verwachten was dat de werkgever op de zitting veel tijd nodig zou hebben om daarop te reageren. Omdat de verwerende partij nog niet weet wat die reactie zal zijn en ook al als laatste aan het woord is geweest (op schrift), is het logisch dat een pleitnota van de verwerende partij korter is. Bij de reactie van de werkgever kwamen niet dermate veel nieuwe zaken naar voren dat verweerder eenzelfde hoeveelheid tijd nodig had om daarop te reageren. Vrijwel al hetgeen weerlegd moest worden, was al weerlegd in het verweerschrift.

5.13    Verweerder heeft voorts toegelicht dat de werkgever klaagster ervan beschuldigde een slechte werknemer te zijn omdat zij heimelijk gesprekken heeft opgenomen. Dit heeft de werkgever op de zitting herhaald en hierop moest verweerder wel reageren. Verweerder heeft dat gedaan door uit te leggen wat klaagster heeft gedaan en waarom, zonder een beschuldiging te uiten.

5.14    Wat de schikkingsmogelijkheid op de zitting betreft heeft verweerder aangevoerd dat de kantonrechter op de zitting aan beide partijen de vraag heeft gesteld of zij open stonden voor een schikking. De strategie van klaagster was er nadrukkelijk op gericht dat het verzoek van de werkgever werd afgewezen. De insteek was heel duidelijk dat niet in de ontbindingsprocedure schadevergoeding zou worden gevorderd, maar dat dit in de door klaagster zelf geëntameerde dagvaardingsprocedure zou gebeuren nadat voor recht zou zijn verklaard dat zij door de werkgever was gediscrimineerd en/of gevictimiseerd. Voor verweerder was het duidelijk dat klaagster op het moment van de zitting geen beëindigingsregeling wilde treffen. Het verweer was gericht op afwijzing van de verzochte ontbinding en voor het geval de arbeidsovereenkomst toch zou worden ontbonden verzocht klaagster de kantonrechter uitdrukkelijk daarbij geen billijke vergoeding toe te kennen. In het kader van die strategie heeft verweerder in antwoord op de vraag van de kantonrechter of partijen ‘de gang op wilden’ geantwoord alleen te willen praten over een oplossing op grond van herplaatsing van klaagster in een andere passende rol binnen de werkgever, aldus nog steeds verweerder.

5.15    De raad overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat klaagster gesprekken met de werkgever heeft opgenomen zonder dat vooraf te melden. In zijn pleitnotitie heeft verweerder hierover geschreven dat er discussie mogelijk is over de vraag of het opnemen van een gesprek zonder dit vooraf te melden fatsoenlijk is, maar dat het niet verboden is en dat het in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk is dat klaagster dit heeft gedaan. Daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat klaagster verweerder de instructie heeft gegeven om op de zitting niets over de heimelijke opnames te zeggen, heeft verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid (zie hiervoor, 5.1) niet overschreden door hierover iets op te merken. Integendeel, nu de werkgever daar in de schriftelijke stukken en op de zitting een punt van had gemaakt lag het juist op de weg van verweerder om dat te doen. Klachtonderdeel b) is in zoverre dan ook ongegrond.

5.16    Dat verweerder de argumenten van de werkgever niet of onvoldoende heeft weerlegd heeft klaagster tegenover het gemotiveerde verweer van verweerder onvoldoende onderbouwd. Klachtonderdeel b) is ook voor het overige ongegrond.

5.17    Anders ligt het wat betreft klachtonderdeel f); het afwijzen van de door de kantonrechter geboden schikkingsmogelijkheid. Nergens blijkt uit dat verweerder dit voorafgaand aan de zitting of op de zitting met klaagster heeft (voor)besproken. Dat had wel op zijn weg gelegen. In het algemeen heeft te gelden dat een zitting een eigen dynamiek kent, waar de betrokken partijen en hun gemachtigden een open oog en oor moeten hebben voor eventueel voortschrijdend inzicht, ook ten aanzien van de eigen stellingen en inzichten. Verweerder had dan ook naar aanleiding van de vraag van de kantonrechter ten minste nader moeten overleggen met klaagster, alvorens een reactie te geven. Klachtonderdeel f) is dan ook gegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.18    Klaagster verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij de vertrouwelijkheid heeft geschonden en heeft samengespannen met de werkgever. Klaagster heeft dit aldus toegelicht dat verweerder op 10 september 2018 telefonisch contact heeft opgenomen met de nieuwe advocaat van klaagster en haar heeft verteld over betalingsachterstanden van klaagster. Hiermee heeft hij volgens klaagster de vertrouwelijkheid geschonden. Verweerder heeft verder op 24 mei 2018 twee keer met de advocaat van de werkgever gebeld, ondanks dat klaagster hem had gevraagd verder geen contact meer met de advocaat van de werkgever op te nemen en hij heeft op 11 september 2018 een e-mail gestuurd aan de nieuwe advocaat van klaagster waaruit blijkt dat hij ook nadat klaagster de opdracht aan hem heeft ingetrokken contact met de advocaat van de werkgever heeft gehad. Hieruit blijkt dat verweerder samenspant met de werkgever, aldus nog steeds klaagster.

5.19    Verweerder heeft aangevoerd dat het hem als advocaat in beginsel vrij staat om contact te hebben met de advocaat van de wederpartij en dat hetgeen besproken/geschreven wordt tussen advocaten in grote mate beschermd wordt door de (gedrags)regels die gelden voor confraternele correspondentie. Daarnaast heeft een advocaat ook een zekere handelingsvrijheid en kan zijn handelen niet tot in detail worden bepaald door zijn cliënt. Los van het feit dat het door klaagster bedoelde tweede telefoongesprek met de advocaat van de werkgever op 24 mei 2018 nooit heeft plaatsgevonden, is door klaagster ook niets (inhoudelijks) gesteld waaruit zou kunnen blijken dat sprake is van samenspanning in welk telefoongesprek dan ook. Het enkele feit dat er gebeld zou zijn, is daartoe uiteraard niet voldoende. Verweerder betwist voorts dat hij naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter contact heeft gehad met de advocaat van de werkgever. Verweerder heeft met zijn e-mail van 11 september 2018 aan de nieuwe advocaat van klaagster slechts bedoeld te zeggen dat zij er rekening mee moest houden dat de werkgever de beschikking van de kantonrechter aan het college zou sturen, hetgeen mogelijk consequenties zou kunnen hebben voor die zaak. Verweerder heeft voorts, conform de gedragsregels, contact opgenomen met de nieuwe advocaat van klaagster teneinde de nieuwe advocaat in te lichten over de stand van de zaak en zo nodig stukken over te dragen, aldus nog steeds verweerder.

5.20    De raad overweegt als volgt. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, stond het verweerder vrij om contact op te nemen met de nieuwe advocaat van klaagster en haar in te lichten over de stand van de zaak en daarbij te vermelden dat klaagster een betalingsachterstand heeft. Verweerder heeft hiermee de vertrouwelijkheid jegens klaagster niet geschonden. Bovendien heeft de nieuwe advocaat van klaagster (ook) een geheimhoudings-verplichting.

5.21    Wat betreft het telefoongesprek met de advocaat van de werkgever op 24 mei 2018 geldt dat verweerder heeft erkend dat hij op die dag, met medeweten van klaagster, ongeveer 40 minuten met de advocaat van de werkgever heeft gebeld. Uit de declaraties van verweerder volgt echter dat hij op 24 mei 2018 geen 40 minuten maar 1 uur en 12 minuten heeft gedeclareerd. Volgens verweerder is dit echter een vergissing geweest en heeft hij dit inmiddels gecorrigeerd. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt betekent het enkele feit dat verweerder op één dag twee keer met de advocaat van de werkgever zou hebben gebeld nog niet dat verweerder met (de advocaat van) de werkgever samenspant. Bovendien kan gelet op het verweer van verweerder niet worden vastgesteld dat verweerder op 24 mei 2018 twee keer met de advocaat van de werkgever heeft gebeld.

5.22    Dat verweerder de nieuwe advocaat van klaagster er in zijn e-mail van 11 september 2018 (zie hiervoor, 2.32) op heeft gewezen dat de werkgever de beschikking van de kantonrechter wel zal willen delen met het college betekent, anders dan klaagster stelt, evenmin dat verweerder samenspant met de werkgever.

5.23    De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel c) ongegrond is.

Ad klachtonderdeel d)

5.24    Klaagster verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij haar instructies niet heeft opgevolgd. Volgens klaagster heeft zij verweerder gevraagd om niet te reageren op het vergaderverzoek van mevrouw F van 9 mei 2018 (zie hiervoor, 2.5) voordat hij daarover met klaagster had gesproken. Desondanks heeft verweerder bij e-mail van 14 mei 2018 (zie hiervoor, 2.8) gereageerd op het verzoek.

5.25    De raad overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat mevrouw F klaagster en verweerder bij e-mail van 9 mei 2018 heeft uitgenodigd voor een gesprek om een eventuele alternatieve functie voor klaagster te bespreken. Verweerder heeft dit bericht op 11 mei 2018 naar klaagster doorgestuurd. Klaagster heeft verweerder hierop bij e-mail van dezelfde dag meegedeeld dat zij de door mevrouw F genoemde voorwaarden voor het gesprek onacceptabel vindt en dat zij niet bereid is om onder die voorwaarden met mevrouw F in gesprek te gaan (zie hiervoor, 2.6). Bij e-mail van 12 mei 2018 (zie hiervoor, 2.7) heeft klaagster verweerder meegedeeld dat er wat haar betreft geen haast is om voor dinsdag – de dag waarop klaagster en verweerder elkaar weer zouden zien – op de e-mail van mevrouw F te reageren. Verweerder heeft mevrouw F hierop bij e-mail van 14 mei 2018 meegedeeld dat hij, nadat hij met klaagster heeft gesproken, op haar uitnodiging zal reageren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het verweerder tuchtrechtelijk te verwijten valt dat hij mevrouw F uit beleefdheid heeft meegedeeld dat hij op haar uitnodiging zal reageren nadat hij klaagster heeft gesproken. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Ad klachtonderdeel e)

5.26    In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij onethisch heeft gedeclareerd. Volgens klaagster vertoont het declaratiegedrag van verweerder een patroon van het opzettelijk overdrijven van de hoeveelheid tijd die gemoeid is met het voorbereiden van documentatie, e-mails en telefoontjes. Zo heeft verweerder vijf uur gedeclareerd voor een e-mail aan mevrouw F en ruim 21 uur voor het indienen van de Nederlandstalige klacht bij het college.

5.27    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter geen declaratiegeschillen beoordeelt, maar wel waakt tegen excessief declareren. Dat daarvan in dit geval sprake is, heeft klaagster onvoldoende onderbouwd en blijkt ook niet uit het klachtdossier. Hoewel verweerder in een paar maanden tijd een aanzienlijk bedrag aan klaagster heeft gedeclareerd – in totaal bijna € 65.000,- - is dit gezien de omvang van de door verweerder opgestelde processtukken en de tijd die verweerder heeft gestoken in de communicatie met klaagster niet excessief te noemen. Ook klachtonderdeel e) is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel g)

5.28    Klaagster verwijt verweerder tot slot dat hij in strijd heeft gehandeld met Gedragsregel 17 lid 6. Daarin is bepaald dat wat betreft nog niet in rechte vastgestelde vorderingen van de advocaat op zijn cliënt de advocaat geen conservatoire maatregelen treft anders dan na overleg met de deken. Klaagster verwijt verweerder dat er in juli 2019 door het (voormalige) kantoor van verweerder conservatoir beslag is gelegd op haar woning, terwijl zij in de tussenliggende periode van bijna een jaar niets van het (voormalige) kantoor van verweerder heeft gehoord. Er is geen betalingsherinnering gestuurd noch op andere wijze contact met haar opgenomen. Klaagster verwijt verweerder voorts dat hij de deken onjuist heeft voorgelicht met betrekking tot zijn voornemen om conservatoir beslag te leggen; klaagster heeft helemaal niet pas op 28 oktober 2018 bezwaar gemaakt tegen de facturen van verweerder, zij heeft dat al in mei 2018 en op 11 oktober 2018 gedaan. Bovendien heeft verweerder verzwegen dat zijn (voormalige) kantoor en dus niet hijzelf of zijn nieuwe kantoor van plan was om conservatoir beslag te leggen. Verweerder heeft hiermee in strijd met Gedragsregel 8 gehandeld, aldus klaagster.

5.29    De raad overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het klopt dat in de periode augustus 2018 – juli 2019 geen betalingsherinneringen aan klaagster zijn gestuurd. (Het (voormalige) kantoor van) verweerder heeft dat niet gedaan om (verdere) escalatie hangende de behandeling van de klacht te voorkomen. Op enig moment zag verweerder dat het huis van klaagster te koop stond en dat is de reden geweest om, na overleg met de deken, alsnog conservatoir beslag te willen leggen. Het klopt dat het beslag is gelegd door zijn voormalige kantoor, waar hij sinds januari 2019 niet meer werkzaam is. Hij wilde zijn (voormalige) kantoor behulpzaam zijn bij de incasso, aldus verweerder.

5.30    De raad overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat verweerder, conform het bepaalde in Gedragsregel 17 lid 6, overleg heeft gehad met de deken alvorens ten laste van klaagster conservatoir beslag te leggen. Dat verweerder de deken hierbij heeft misleid is de raad niet gebleken. Dat niet verweerder maar het (voormalige) kantoor van verweerder het conservatoir beslag heeft gelegd doet hieraan niet af. Ook is begrijpelijk dat verweerder dan wel zijn voormalige kantoor hangende de behandeling van de klacht geen nadere betalingsherinneringen heeft gestuurd. Klachtonderdeel g) is eveneens ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij op de zitting van 29 augustus 2018 de door de kantonrechter geboden schikkingsmogelijkheid heeft afgewezen zonder (voorafgaand) overleg met klaagster. De raad acht hiervoor de oplegging van een waarschuwing passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde   griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25 reiskosten van klaagster,

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)  € 500 kosten van de Staat.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken  nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.5    Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel f) gegrond;

-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. S. van Andel en K. Straathof, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2019.

Griffier    Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 25 november 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens