Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:224
Datum uitspraak:
25-11-2019
Datum publicatie:
02-12-2019
Zaaknummer(s):
19-700/A/NH
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Ontvankelijkheid van de klachtKlachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang, klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Noord-Holland

 Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 25 november 2019

in de zaak 19-700/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 9 oktober 2019 met kenmerk ks/re/19-116/838381, door de raad ontvangen op 9 oktober 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken die aan de raad zijn voorgelegd, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klaagster en haar ex-partner zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Verweerder staat de ex-partner daarin bij als advocaat.

1.2    Bij beschikking van 25 juli 2018 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Op 25 oktober 2018 heeft verweerder namens de ex-partner hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.

1.3    Op 22 november 2018 is er telefonisch contact geweest tussen de advocaat van klaagster en verweerder, waarbij een schikkingsvoorstel is gedaan.

1.4    Nadien is er enkele malen contact geweest tussen de advocaat van klaagster en verweerder, waarbij verweerder heeft aangegeven dat hij geen contact kon krijgen met zijn cliënt.

1.5    Op 9 januari 2019 heeft verweerder de advocaat van klaagster laten weten dat het schikkingsvoorstel zou worden geaccepteerd. Op 10 januari 2019 is het hof daarvan mededeling gedaan.

1.6    Op 22 maart 2019 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    de betalingsproblemen van zijn eigen cliënt voorrang heeft gegeven op de inhoudelijke behandeling van de zaak;

b)    het hoger beroep niet volgens de juiste procedure heeft ingediend en dit ook niet heeft aangepast;

c)    het hoger beroep alleen heeft ingediend om een vergoeding te krijgen van de Raad voor Rechtsbijstand;

d)    misbruik van juridische macht heeft gemaakt;

e)    het “niet relevante juridische kwesties” heeft genoemd hetgeen voor klaagster smadelijk en grievend was;

f)    nagelaten heeft adequaat te overleggen met de advocaat van klaagster over de werkloosheid van zijn cliënt waardoor klaagster geen kinderalimentatie heeft ontvangen.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover relevant, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

4.1    De onderhavige klacht betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

4.2    Het in de Advocatenwet voorziene recht om en klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, doch slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken.

Ad klachtonderdelen a) en b)

4.3    De klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4    Klaagster verwijt verweerder dat hij de betalingsproblemen van zijn eigen cliënt voorrang heeft gegeven op de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ter toelichting voert klaagster aan dat na het schikkingsvoorstel van 22 november 2018 bleek dat de cliënt van verweerder betalingsproblemen had. Hier heeft verweerder zich vervolgens op gericht en niet op de inhoudelijke behandeling van de zaak, waardoor het tot 9 januari 2019 heeft geduurd voordat de zaak kon worden geschikt. Voorts verwijt klaagster verweerder dat hij het hoger beroep niet volgens de juiste procedure heeft ingediend en dit ook niet heeft aangepast. Ter toelichting voert klaagster aan dat door het hof na indiening van het beroepschrift een zitting is gepland ter zake de ontvankelijkheid van het beroepsschrift. Hierdoor heeft klaagster geheel onnodig een totaalbedrag van € 636,17 aan advocaatkosten moeten betalen.

4.5    Verweerder stelt dat hij in de tijd na 22 november 2018 veelvuldig contact heeft gehad met de advocaat van klaagster en ook heeft geprobeerd contact te krijgen met zijn cliënt teneinde zo snel mogelijk een schikking te kunnen bereiken en het hoger beroep te kunnen intrekken. Na vele pogingen lukte het echter pas begin januari om contact te krijgen met zijn cliënt, waarna toestemming is verkregen en het hoger beroep direct is ingetrokken, aldus steeds verweerder. Verweerder erkent dat het beroepsschrift dat hij op 25 oktober 2018 namens zijn cliënt heeft ingediend niet volledig was. Bij gebrek aan tijd was dit evenwel de enige manier om de termijn te sauveren, aldus verweerder.

4.6    De voorzitter overweegt als volgt. Klaagster kan als wederpartij niet klagen over de kwaliteit van de door verweerder aan zijn cliënt verleende dienstverlening. Zij heeft daarbij een onvoldoende rechtstreeks belang als bedoeld in de Advocatenwet. Klaagster is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a) en b). Ten overvloede overweegt de voorzitter dat, gelet op het verweer van verweerder, niet kan worden vastgesteld dat verweerder ongeoorloofde middelen heeft gebruikt of middelen die niet tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekten en tegelijkertijd wel onevenredig nadeel aan klaagster toebrachten.  

Ad klachtonderdeel c)

4.7    Klaagster verwijt verweerder dat hij het hoger beroep alleen heeft ingediend om een vergoeding te krijgen van de Raad voor Rechtsbijstand.

4.8    Verweerder betwist dit. Verweerder stelt dat hij zelfs de eigen bijdrage voor zijn cliënt heeft voorgeschoten en tot op heden nog geen enkele betaling heeft ontvangen.

4.9    De voorzitter overweegt als volgt. Het onderhavige klachtonderdeel heeft betrekking op de financiële afspraken tussen verweerder en zijn cliënt. Klaagster kan als wederpartij niet worden ontvangen in een klacht daarover. Voor zover het algemeen belang in een tuchtprocedure aan de orde is, kan dat slechts beoordeeld worden naar aanleiding van een dekenbezwaar, waarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. Klaagster is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel c). Ten overvloede wordt overwogen dat klaagster overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel kunnen dragen.

Ad klachtonderdeel d)

4.10    Klaagster verwijt verweerder dat hij misbruik van juridische macht heeft gemaakt. Ter toelichting verwijst klaagster naar hetgeen zij hiervoor onder de klachtonderdelen a) t/m c) heeft aangevoerd.

4.11    Verweerder betwist een en ander.

4.12    De voorzitter overweegt als volgt. Gelet op het verweer van verweerder heeft klaagster dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder in zijn relatie tot klaagster misbruik van “juridische macht” of anderszins misbruik van zijn positie als advocaat heeft gemaakt. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel e)

4.13    Klaagster verwijt verweerder dat hij het “niet relevante juridische kwesties” heeft genoemd hetgeen voor klaagster smadelijk en grievend was. Ter toelichting verwijst klaagster naar het verweerschrift van verweerder in de echtscheidingsprocedure.

4.14    Verweerder betwist dit. Verweerder stelt dat zijn cliënt het namens klaagster opgestelde verzoekschrift ook als zeer kwetsend heeft ervaren.

4.15    De voorzitter overweegt als volgt. Gelet op het verweer van verweerder heeft klaagster dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder zich in zijn verweerschrift onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel f)

4.16    Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft nagelaten adequaat te overleggen met de advocaat van klaagster over de werkloosheid van zijn cliënt waardoor klaagster geen kinderalimentatie van haar ex-partner heeft ontvangen.

4.17    Verweerder betwist dit.

4.18    De voorzitter overweegt als volgt. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat verweerder heeft nagelaten met de advocaat van klaagster over de werkloosheid van zijn cliënt te overleggen, geldt dat klaagster niet heeft onderbouwd waarom op verweerder een (tuchtrechtelijke) plicht zou rusten om dit te doen. Van een dergelijke plicht is de voorzitter ook niet gebleken. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.

4.19    Concluderend zal de voorzitter klaagster, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in de klachtonderdelen a), b) en c), en de klachtonderdelen d), e) en f), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

klaagster, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a), b) en c);

de klachtonderdelen d), e) en f), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, met bijstand van mr. P.J. Verdam als griffier op 25 november 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 25 november 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens