Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:196
Datum uitspraak:
30-09-2019
Datum publicatie:
07-10-2019
Zaaknummer(s):
19-576/A/A
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Amsterdam

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  30 september 2019

in de zaak 19-576/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:   

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 14 augustus 2019 met kenmerk 888668, door de raad ontvangen op 15 augustus 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Bij besluit van 26 april 2018 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) de ziektewetuitkering van klager per 1 mei 2018 beëindigd. Klager heeft zelf bezwaar gemaakt tegen dit besluit, op 13 mei 2018. Bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2018 heeft het UWV het bezwaar van klager niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend.

1.2    Klager heeft zich vervolgens tot verweerder gewend met het verzoek hem verder bij te staan in het geschil met het UWV. Verweerder heeft vervolgens namens klager op 11 juli 2018 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

1.3    Volgens klager heeft hij vanwege zijn medische en psychische gesteldheid niet tijdig bezwaar kunnen maken. Verweerder heeft klager verzocht om een onderbouwing daarvan.

1.4    Bij e-mail van 27 september 2018 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Zoals de praktijkondersteuner GGZ al opmerkte zal de verklaring waarschijnlijk niet voldoende zijn voor de rechter. Het is wel al een begin. Volgens de rechter heb ik de verklaring nodig van uw psycholoog/psychiater:

“Een verklaring waaruit blijkt dat uw psychische klachten zodanig waren dat u niet in staat was uw belangen te (laten) behartigen. Het moet aannemelijk zijn dat u als gevolg van die klachten niet in staat was tijdig een bezwaarschrift te kunnen (laten) indienen.

Gaat het lukken om deze verklaring te leveren?”

1.5    Op 14 oktober 2018 heeft klager verweerder onder meer geschreven:

“Ik zou u laten weten over de rapport van mijn psycholoog dat ik aan u zou leveren .

De Psy-Portaal praktiijk waar ik behandeld zou worden heeft besloten mij naar een ander praktijk te sturen want waar ik nu zit kunnen zij mij niet behandelen.

(…) dus nu moet ik wachten tot ik in behandeling wordt genomen om op papier te krijgen van de behandelende psygoloog wat we nodig hebben.”

1.6    Op 22 november 2018 heeft verweerder de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank aan klager gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft verweerder klager geschreven:

“Zoals eerder aangegeven zal uw zaak door de rechter worden behandeld op maandag 3 december 2018 (bijlage). (…) Zoals besproken heeft het weinig zin om naar de zitting te gaan als we geen medische verklaring hebben die uw standpunt kan onderbouwen dat u niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen. Graag verneem ik wanneer wij de medische verklaring kunnen verwachten.”

1.7    Klager heeft verweerder hierop bij e-mail van dezelfde dag geschreven:

“Zoals ik u eerder had dooor gegeven ben ik nog meer bezig.

(…)

Is het mogelijk om het te verzetten of iets (…)”

1.8    Verweerder heeft klager bij e-mail van 23 november 2018 geschreven dat het mogelijk is om in hoger beroep te gaan en dat daarmee een aantal maanden worden gewonnen om alsnog een medische verklaring te laten opstellen.

1.9    Bij e-mail van 27 november 2018 heeft klager verweerder onder meer bericht:

“Het is zoals u zegt of uitstel en wachten op de medische verklaring of met wat we hebben het te doen .”

1.10    Op 3 december 2018 heeft de zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Klager en verweerder zijn niet verschenen. De rechtbank heeft op de zitting mondeling uitspraak gedaan en het beroep van klager ongegrond verklaard.

1.11    Op 13 december 2018 heeft verweerder de uitspraak van de rechtbank aan klager gestuurd. In de begeleide e-mail staat, voor zover van belang:

“Wat zijn de gronden?

De rechter geeft aan dat u te laat bezwaar heeft gemaakt (…) Verder voert u aan dat vanwege psychische klachten u niet in staat was tijdig bezwaar te maken, dan wel iemand uw belangen te laten behartigen. De rechtbank verwijst hierbij naar de rapportage van de verzekeringsarts (…) waaruit zou blijken dat uw psychische klachten in de periode van 26 april t/m 10 mei 2018 niet zodanig waren dat u niet in staat was tijdig bezwaar te maken of dat u hulp kon inschakelen om bezwaar te maken. Om deze reden is het beroep afgewezen.

Advies

Als u het niet eens bent met de beslissing, dan kunt u binnen zes weken in hoger beroep gaan. (…) In uw zaak zullen wij moeten bewijzen dat u vanwege psychische klachten niet in staat was tijdig bezwaar te maken (…)”

1.12    Verweerder heeft namens klager hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Op 28 januari 2019 heeft verweerder klager het  beroepsschrift toegestuurd.

1.13    Bij e-mail van 28 januari 2019 heeft klager verweerder onder meer geschreven:

“Wat mij nu het meenste opvalt over de zitting van 3 december 2018 dat er beaalde punten wel gesteld konden worden die dag.

En wat is nou precies mijn zaak (…)

Want dit gaat nu meer over de reden waarom ik te laat mijn bezwaar schrift heb getsuurd voor de uwv dan over het feit dat de uwv mijn medische documenten ongetekend verwerkt heeft.”

1.14    Op 29 januari 2019 heeft verweerder klager onder meer meegedeeld dat hij begrijpt dat het frustrerend is, maar dat inhoudelijke gronden pas kunnen worden aangevoerd nadat bewezen is waarom klager te laat was met het indienen van bezwaar.

1.15    Op 1 februari 2019 heeft klager verweerder een aantal (medische) stukken toegestuurd.

1.16    Op 11 februari 2019 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klager, verweerder en de vriendin van klager. Verweerder heeft klager toen gevraagd om een medische machtiging, opdat verweerder een brief aan de behandelaren van klager zou kunnen sturen met het verzoek om informatie. Verweerder heeft klager hierop een medische machtiging ter ondertekening toegestuurd waarin klager verweerder machtigt informatie op te vragen bij een drietal zorgverleners, waaronder de huisarts. Klager heeft verweerder dezelfde dag onder meer meegedeeld dat hij verweerder alleen toestemming kan geven om contact op te nemen met zijn psycholoog en met de praktijkondersteuner.

1.17    Bij e-mail van 12 februari 2019 heeft verweerder klager onder meer meegedeeld:

“U heeft veel opmerkingen welke naar mijn mening niet kloppen. Ik heb u en uw partner geprobeerd uitleg te geven, maar na uw mail blijkt dat er toch nog miscommunicatie en onvrede is. Daarnaast zie ik niet dat u kijkt naar uw eigen handelen, maar alleen de vinger naar mij toe wijst. Op deze manier hoeft het van mij niet meer. U heeft blijkbaar geen vertrouwen in mijn aanpak. Als u wilt kunt u een nieuwe advocaat zoeken. Ik zal de zaak dan overdragen.”

1.18    Bij e-mail van dezelfde dag heeft de vriendin van klager gereageerd op de e-mail van verweerder. Bij e-mail 13 februari 2019 heeft verweerder daar weer op gereageerd. Verweerder heeft klager in die e-mail onder meer geschreven:

“Als u mij nog als advocaat wil en mijn cliënt wil blijven dan het volgende. Dit is mijn plan van aanpak:

1. onderteken de medische machtiging. Ik heb de huisarts en de POH weggehaald van de lijst.

2. Retourneer deze machtiging aan mij.

3. Ik zal dan een brief schrijven naar uw psycholoog.

4. Vanuit daar kunnen wij kijken of de verklaring voldoende is voor de rechter.”

1.19    Bij e-mail van 25 februari 2019 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Tot op heden heb ik nog geen reactie van u  mogen ontvangen op mijn mail van 13 februari jl. (…) Ik zie uw reactie graag tegemoet.”

1.20    Op 8 maart 2019 heeft klager verweerder verzocht hem het volledige dossier toe te sturen. Op 12 maart 2019 heeft klager, naar aanleiding van het verzoek van verweerder om hem te bevestigen dat hij de advocaat van klager niet meer is, verweerder meegedeeld dat hij alles kan cancelen en het dossier kan toesturen.

1.21    Op 19 maart 2019 heeft verweerder klager een download link gestuurd naar het dossier.

1.22    Klager heeft bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    tegen klager heeft gelogen over zijn gesprek met de rechter dat nooit heeft plaatsgevonden;

b)    klager heeft benadeeld door de zaak niet voor te laten komen;

c)    het volledige dossier niet aan klager wil toesturen;

d)    heeft getracht zonder reden een volledige medische machtiging te verkrijgen tot de volledige medische geschiedenis van klager, terwijl het de bedoeling was dat klager hem alleen zou machtigen om de psycholoog van klager aan te spreken.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover relevant, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de e-mail van verweerder aan klager van 27 september 2018 (zie hiervoor, 1.4). In die e-mail heeft verweerder klager onder meer geschreven: “Volgens de rechter heb ik de verklaring nodig van uw psycholoog/psychiater: Een verklaring waaruit blijkt dat uw psychische klachten zodanig waren dat u niet in staat was uw belangen te (laten) behartigen. Het moet aannemelijk zijn dat u als gevolg van die klachten niet in staat was tijdig een bezwaarschrift te kunnen (laten) indienen.” Klager heeft hierin kennelijk gelezen dat verweerder een gesprek met de rechter zou hebben gehad. Dat berust echter op een misverstand; verweerder heeft in zijn e-mail tot uitdrukking willen brengen welk bewijs er volgens de rechter nodig is om tot een ontvankelijkverklaring van het bezwaar te komen. Hoewel verweerder dit duidelijker tot uitdrukking had kunnen brengen in zijn e-mail, is een en ander onvoldoende om hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Klager verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij klager heeft benadeeld door “hem niet voor te laten komen”. De voorzitter gaat er vanuit dat klager hiermee doelt op de zitting bij de rechtbank van 3 december 2018, waar klager noch verweerder zijn verschenen. Verweerder heeft onder verwijzing naar zijn e-mail aan klager van 22 november 2018 (zie hiervoor, 1.6) gesteld dat met klager was afgesproken niet ter zitting te verschijnen. In latere e-mailcorrespondentie heeft klager niet betwist dat dit inderdaad was afgesproken. De voorzitter gaat daar dan ook vanuit. Nu met klager was afgesproken dat verweerder niet ter zitting zou verschijnen, valt dat hem niet tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel b) is eveneens kennelijk ongegrond.

4.4    De voorzitter overweegt hierbij ten overvloede nog dat ook als partijen wel de keuze hadden gemaakt om naar de zitting te gaan dat waarschijnlijk niet tot een andere uitkomst van de procedure had geleid, omdat er op dat moment geen onderbouwing was van klagers standpunt dat hij te laat was met zijn bezwaar vanwege psychische problemen.

Ad klachtonderdeel c)

4.5    Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder klager op 19 maart 2019 (zie hiervoor, 1.21) een e-mail heeft gestuurd met daarin een download link om via WeTransfer het dossier te downloaden. Dat klager verweerder na 19 maart 2019 heeft verzocht het dossier op een andere manier aan hem toe te sturen en verweerder dit (ten onrechte) heeft geweigerd, is niet gebleken. Klachtonderdeel c) mist dan ook feitelijke grondslag is daarom kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel d)

4.6    Dit klachtonderdeel ziet op de medische machtiging die verweerder op 11 februari 2019 (zie 1.16) aan klager heeft gestuurd. Volgens klager heeft verweerder een “volledige medische machtiging” van klager geprobeerd te verkrijgen, terwijl verweerder alleen maar contact diende op te nemen met de psycholoog van klager en met de praktijkondersteuner (en dus niet met de huisarts).

4.7    Verweerder heeft toegelicht dat hij in overleg met klager een brief zou opstellen aan de behandelaren van klager. In dat kader heeft hij klager een medische machtiging ter ondertekening toegestuurd. Daarin had verweerder de namen van drie zorgverleners, waaronder de huisarts, opgenomen. Klager heeft verweerder hierop meegedeeld dat het niet nodig is om contact op te nemen met zijn huisarts, maar dat hij wel toestemming geeft om contact op te nemen met zijn psycholoog en met de praktijkondersteuner. Verweerder heeft de machtiging vervolgens aangepast en in de machtiging alleen nog de psycholoog van klager genoemd (zie de e-mail van verweerder van 13 februari 2019, hiervoor 1.18). Klager heeft de machtiging uiteindelijk niet ondertekend. 

4.8    De voorzitter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van verweerder die klager niet heeft weersproken, het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt dat hij in eerste instantie ook de huisarts van klager (en de praktijkondersteuner) in de aan klager gestuurde medische machtiging heeft genoemd. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. C. Kraak, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 30 september 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 30 september 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens