Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:171
Datum uitspraak:
02-09-2019
Datum publicatie:
09-09-2019
Zaaknummer(s):
19-475/A/NH
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijGrievende uitlatingen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. De klacht is kennelijk ongegrond. Verweerster mocht uitgaan van de door haar cliënt aangeleverde informatie en/of feitenmateriaal. Het gebruik van het woord “stalking” is niet onnodig grievend. Verweerster kon zich alleen maar verweren door de persoonlijke berichten van klaagster over te leggen in de klachtprocedure. Klaagster had geen belang bij toezending van de interne klachtregeling noch was verweerster daartoe gehouden.

Noord-Holland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 2 september 2019

in de zaak 19-475/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

tegen:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 17 juli 2019 met kenmerk ks/mb/19-029/778167, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. De voorzitter heeft tevens kennisgenomen van de door klaagster nagezonden e-mails van 28 juli 2019.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerster is de advocaat van de ex-partner van klaagster, de heer S (hierna: S).

1.2    Bij brief van 16 oktober 2018 heeft verweerster onder andere het volgende aan klaagster geschreven:

“(…) Cliënt vertelde mij dat u een kortstondige relatie hebt gehad, welke enkele maanden geleden is beëindigd.

Sinds uw uiteengaan hebt u talloze keren contact gezocht met cliënt. Cliënt ervaart dit contact als vervelend en uiterst ongewenst. Buiten het overmatig benaderen van cliënt, valt u ook zijn nieuwe partner, familie en vrienden lastig. U stuurt hen ongewenst berichten met een ongepaste inhoud.

Cliënt heeft u reeds diverse keren verzocht om hem of anderen niet meer lastig te vallen. Ik wil u erop wijzen dat u zich schuldig maakt aan stalking. Stalking is een strafbaar feit op grond van art. 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Ik wijs u erop dat ik cliënt heb geadviseerd om aangifte tegen u te doen, indien voornoemde gedragingen niet stoppen. Bij een veroordeling levert dit voor u een strafblad op. Ik ga ervan uit dat het niet zover hoeft te komen en dat u cliënt (en diens partner, familie en vrienden) niet langer lastigvalt. (…)”

1.3    Naar aanleiding van de onder randnummer 1.2 vermelde brief heeft een briefwisseling tussen klaagster en verweerster plaatsgevonden. Bij brief van 11 december 2018 heeft verweerster aangekondigd niet meer nader met klaagster te corresponderen.

1.4    Bij formulier van 16 januari 2019 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    klaagster ten onrechte te beschuldigen van stalking en te dreigen met aangifte in de brief van 16 oktober 2018. Klaagster acht dit onnodig grievend en meent dat verweerster daarmee onjuiste informatie heeft verstrekt;

b)    de persoonsgegevens van klaagster toegankelijk te maken voor derden;

c)    de interne klachtregeling niet aan klaagster ter beschikking te stellen, ondanks haar verzoek daartoe;

d)    aannames te doen en klaagster ten onrechte te beschuldigen van het observeren van de woning van de nieuwe partner van de ex-partner van klaagster;

e)    klaagster ervan te beschuldigen dat door haar de situatie is geëscaleerd;

f)    de persoonlijke berichten van klaagster in deze klachtprocedure over te leggen, hetgeen onnodig is.

3    VERWEER

3.1    Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

De klacht van klaagster ziet op het optreden van verweerster als advocaat van de wederpartij. Partijdigheid is één van de kernwaarden waaraan de advocaat dient te voldoen; de advocaat is partijdig bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Een advocaat geniet een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.

Ad klachtonderdeel a), d) en e)

4.1    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar ten onrechte heeft beschuldigd van stalking en heeft gedreigd met aangifte in de brief van 16 oktober 2018 (zie randnummer 1.2). Klaagster acht dit onnodig grievend en meent dat verweerster daarmee onjuiste informatie heeft verstrekt. Voorts heeft verweerster aannames gedaan en klaagster ten onrechte beschuldigd van het observeren van de woning van de nieuwe vriendin van S. Tot slot heeft verweerster klaagster ten onrechte ervan beschuldigd dat door haar de situatie is geëscaleerd.

4.2    Verweerster heeft aangevoerd dat S haar heeft benaderd omdat hij na het verbreken van de relatie met klaagster door haar werd lastig gevallen. Verweerster heeft van S stukken ontvangen en heeft op basis van die stukken en de mededelingen van S de onder randnummer 1.2 vermelde brief verstuurd. Zij heeft klaagster enkel willen waarschuwen dat haar gedragingen als stalking aangemerkt zouden kunnen worden en dat S overwoog om aangifte te doen. 

4.3    De voorzitter overweegt dat hoewel de bewoordingen van verweerster in de brief van 16 oktober 2018 klaagster onwelgevallig zijn, verweerster niet de grens van het betamelijke heeft overschreden. Verweerster heeft ter onderbouwing van haar verweer kopieën van e-mails van klaagster aan S en de nieuwe partner van S overgelegd waaruit blijkt dat klaagster veelvuldig berichten heeft gestuurd die afwisselend als dreigend dan wel als verzoenend kunnen worden opgevat. In deze berichten schrijft klaagster zelf over lastigvallen van S door haar en stalken. Ook heeft zij het interieur van de nieuwe partner van S beschreven. Verweerster mocht uitgaan van de door haar cliënt aangeleverde informatie en/of feitenmateriaal. Niet is gebleken dat sprake is van een uitzonderingsgeval waarbij verweerster de juistheid daarvan had dienen te verifiëren. Het gebruik door verweerster van het woord “stalking” in de onder 1.2 vermelde brief aan klager acht de voorzitter dan ook niet onnodig grievend. Voorts is niet gebleken dat verweerster aannames heeft gedaan, klaagster ten onrechte heeft beschuldigd van het observeren van de woning van de nieuwe partner van S en/of het laten escaleren van de situatie. Verweerster heeft, conform haar taak, de belangen van haar cliënt behartigd. Klachtonderdelen a), d) en e) zullen kennelijk ongegrond worden verklaard.

Ad klachtonderdeel b) en f)

4.4    Deze klachtonderdelen lenen zich eveneens voor een gezamenlijke behandeling. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar persoonsgegevens toegankelijk heeft gemaakt voor derden en dat verweerster onnodig de persoonlijke berichten van klaagster in deze klachtprocedure heeft overgelegd.

4.5    Met betrekking tot het ter beschikking stellen van gegevens aan derden heeft klaagster aangegeven dat zij de beoordeling daarvan overlaat aan de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit klachtonderdeel zal als ingetrokken worden beschouwd en er zal niet op dit klachtonderdeel worden beslist.

4.6    Verweerster voert aan dat gelet op de door klaagster gestelde verwijten en de verzoeken van klaagster om onderbouwing en toelichting zij zichzelf genoodzaakt zag de betreffende persoonlijke informatie te verschaffen en de berichten over te leggen in deze klachtprocedure.

4.7    De voorzitter is van oordeel dat verweerster zich mocht verweren door aan te tonen dat zij een redelijke grond had om aan te nemen dat de mededelingen van S over stalking juist waren. Zij kon dat alleen maar doen door de betreffende persoonlijke berichten over te leggen. Verweerster heeft door deze stukken over te leggen dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

4.8    Tot slot verwijt klaagster verweerster dat zij de interne klachtregeling niet aan haar ter beschikking heeft gesteld, ondanks haar verzoek daartoe.

4.9    Verweerster heeft in dit kader aangevoerd dat zij de klachtregeling bewust niet verstrekt heeft omdat klaagster zelf heeft aangegeven direct een klacht in te dienen bij de Orde van Advocaten. Daar komt bij dat de interne klachtenprocedure te vinden is op de website, aldus verweerster.

4.10    De voorzitter overweegt als volgt. Een interne klachtregeling ziet op de verhouding tussen een advocaat en zijn cliënt en niet op de verhouding tussen een advocaat en de wederpartij. Alleen al vanwege het ontbreken van toepasselijkheid van de interne klachtregeling had klaagster geen belang bij de toezending daarvan noch was verweerster gehouden tot de toezending. Dat verweerster de interne klachtregeling niet aan klaagster heeft toegezonden acht de voorzitter gelet op al het voorgaande dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel c) zal eveneens kennelijk ongegrond worden verklaard.

4.11    Op grond van al het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M.C. de Ruijter als griffier op 2 september 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 2 september 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens