Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:168
Datum uitspraak:
26-08-2019
Datum publicatie:
02-09-2019
Zaaknummer(s):
19-530/A/DH
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht van een voormalig advocaat over verweerder in zijn hoedanigheid van lid-advocaat van de raad van discipline Den Haag kennelijk ongegrond. Het tuchtrecht is niet bedoeld om het werk van een (andere) tuchtrechter te beoordelen. Een dergelijke klacht zal om die reden dan ook niet snel gegrond zijn. Dat zou alleen het geval kunnen zijn in zeer in het oog springende gevallen, zoals bij het aannemen van steekpenningen. Daarvan is echter geen sprake.

's-Gravenhage

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  26 augustus 2019

in de zaak 19-530/A/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

     

verweerder

Na een verwijzingsbeslissing van de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline van 29 juli 2019 heeft de voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 4 juli 2019 met kenmerk K223 2018 ar/ab, door de raad ontvangen op 6 augustus 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klager is een voormalig advocaat.

1.2    Verweerder is plaatsvervangend lid-advocaat van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad Den Haag).

1.3    Op 26 juni 2015 heeft de deken bij de raad Den Haag een bezwaar over klager ingediend. De raad Den Haag heeft 21 september 2015 als zittingsdatum vastgesteld.

1.4    Bij brief van 16 september 2015 heeft klager de voorzitter en twee van de vier leden van de raad Den Haag die het bezwaar zouden behandelen gewraakt.

1.5    Bij brief van 18 september 2015 heeft de griffier van de raad Den Haag klager meegedeeld dat één van de gewraakte leden-advocaat zich inmiddels had verschoond, de voorzitter en het andere lid-advocaat niet in de wraking berusten en het wrakingsverzoek tegen hen op 28 september 2015 zal worden behandeld door de wrakingskamer, bestaande uit een voorzitter en vier advocaat-leden, waaronder verweerder. Ook heeft de griffier klager meegedeeld dat de zitting die gepland stond op 21 september 2015 geen doorgang zal vinden.

1.6    Bij brief van 22 september 2015 heeft klager een verzoek tot wraking van de voorzitter en drie leden van de wrakingskamer, waaronder verweerder, ingediend. In de brief van 22 september 2015 heeft klager er tevens op gewezen dat hij op 28 september 2015 al andere verplichtingen heeft.

1.7    Bij e-mail van 28 september 2015 heeft de griffier van de raad Den Haag klager meegedeeld dat de zitting van de wrakingskamer van die dag gewoon doorgang zal vinden. Klager is niet op de zitting van de wrakingskamer verschenen.

1.8    Bij beslissing van 12 oktober 2015 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van klager van 22 september 2015 buiten behandeling gesteld, het wrakingsverzoek van 16 september 2015 ongegrond verklaard en bepaald dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.

1.9    Bij beslissing van 21 maart 2016 heeft de raad Den Haag het bezwaar van de deken over klager gegrond verklaard en klager de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Klager is van deze beslissing in hoger beroep gegaan bij het Hof van Discipline.

1.10    Bij beslissing van 9 oktober 2017 heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad Den Haag vernietigd voor zover klachtonderdeel a) daarin gegrond is verklaard en klachtonderdeel a) alsnog ongegrond verklaard. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de raad Den Haag voor het overige bekrachtigd.

1.11    Bij brief van 27 september 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij als lid-advocaat van de wrakingskamer van 28 september 2015:

a)    heeft meegewerkt aan de opening van de zitting van de wrakingskamer inzake de behandeling van het wrakingsverzoek van 16 september 2015, terwijl hij wist althans behoorde te weten dat de wrakingskamer daartoe ingevolge artikel 513 Wetboek van Strafrecht niet bevoegd was, nu hij, tezamen met de voorzitter en twee andere leden van de wrakingskamer, was gewraakt;

b)    heeft meegewerkt aan de opening van de zitting van de wrakingskamer inzake de behandeling van het wrakingsverzoek van 16 september 2015, terwijl hij wist althans behoorde te weten dat klager terstond na ontvangst op 22 september 2015 van de oproep voor de zitting op 28 september 2015 bezwaar had gemaakt tegen de gang van zaken bij de vaststelling van die zittingsdatum en had gemeld op die datum reeds andere verplichtingen te hebben;

c)    heeft meegewerkt aan de behandeling van het wrakingsverzoek van 22 september 2015, terwijl hij wist dat klager geen oproep had ontvangen voor de behandeling van het wrakingsverzoek en hij terstond bij het indienen van het wrakingsverzoek had gemeld op 28 september 2015 reeds verplichtingen te hebben;

d)    als gewraakt lid van de wrakingskamer, tezamen met de eveneens gewraakte voorzitter en de twee andere gewraakte leden van de wrakingskamer, het hen betreffende wrakingsverzoek van 22 september 2015 zelf mede heeft behandeld, dit terwijl hij wist althans behoorde te weten dat die handelwijze in flagrante strijd is met het rechtsbeginsel dat een rechter nooit rechter kan zijn in eigen zaak, alsook met artikel 515, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 6 EVRM;

e)    heeft meegewerkt aan valsheid in geschrifte door de wrakingskamer.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

4.1    Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals hier in die van lid van de raad Den Haag, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2    De voorzitter overweegt als volgt. Klager klaagt over de wijze waarop verweerder in zijn hoedanigheid van lid-advocaat van de raad Den Haag is omgegaan met de door klager ingediende wrakingsverzoeken van 16 en 22 september 2015. Het tuchtrecht is echter niet bedoeld om het werk van een (andere) tuchtrechter te beoordelen. Een dergelijke klacht zal om die reden dan ook niet snel gegrond zijn. Dat zou alleen het geval kunnen zijn in zeer in het oog springende gevallen, zoals bij het aannemen van steekpenningen. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De klacht is dan ook kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. Q.RM. Falger, voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 26 augustus 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 26 augustus 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens