Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2017:67 Raad van Discipline 's-Gravenhage 16-1145/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2017:67
Datum uitspraak: 10-04-2017
Datum publicatie: 12-04-2017
Zaaknummer(s): 16-1145/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Klacht tegen eigen advocaat. Dat klager verweerder onder druk heeft gezet door te dreigen met zelfmoord blijkt niet uit de stukken. Zou daarvan sprake zijn geweest, dan had het op de weg van verweerder gelegen zich te onttrekken in plaats van het beperken van de contacten. Of door verweerder een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het al dan niet instellen van een loonvordering in kort geding, kan de raad bij gebreke van schriftelijke vastlegging niet vaststellen. Het overleggen van het volledige strafdossier van klager in de procedure bij de deken zonder dat daartoe een noodzaak bestond, acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht in alle onderdelen gegrond. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 10 april 2017

in de zaak 16-1145/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 1 december 2015 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Bij brief aan de raad van 14 december 2016 met kenmerk K302 2015 dk/ksl, door de raad ontvangen op 15 december 2016, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 13 februari 2017 in aanwezigheid van klager, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], en verweerder.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49 lid 2 Advocatenwet, alsmede van de e-mail met bijlagen van verweerder d.d. 30 januari 2017 en de e-mail van klager d.d. 31 januari 2017.

1.5 Na de zitting heeft verweerder nog een e-mail d.d. 14 februari 2017 aan de raad toegezonden, waarop de gemachtigde van klager diezelfde dag per mail heeft gereageerd.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Verweerder heeft klager bijgestaan in een arbeidsrechtelijke kwestie. Er heeft op 5 november 2015 een zitting plaatsgevonden.

2.2 Op 26 november 2015 heeft de advocaat van de (voormalig) werkgever van klager aan verweerder een schikkingsvoorstel gedaan. Dit is dezelfde dag door een medewerkster van het kantoor van verweerder aan klager doorgezonden.

2.3 Klager heeft diverse malen tevergeefs getracht met verweerder contact te hebben voor overleg over het schikkingsvoorstel.

2.4 Op 2 december 2015 heeft verweerder aan klager per e-mail het volgende bericht:

“Beste [klager],

Graag het nummer van de reclasseringsmedewerker. Wij spraken af dat je de schikking aan hem zou voorleggen, maar ik heb nog geen contact met hem gehad. Ik heb vandaag gezien dat je een klacht over mij hebt ingediend, waarover ik je zojuist telefonisch heb gesproken. Ik neem aan dat dit op een misverstand berust omdat ik denk dat de zaak binnenkort kan worden opgelost. De advocaat [naam advocaat] heb ik gevraagd om enig geduld omdat ik eerst met de reclassering wil spreken en een waarborg voor het UWV verlang, een en ander in jouw belang.

Zoals ik al telefonisch meedeelde, kan ik niet verder voor je optreden als je de klacht handhaaft. Als deze morgen niet is ingetrokken, zal ik [naam advocaat], de rechtbank en de reclassering mededelen dat ik niet verder voor je optreed.

Ik reken op je medewerking.”

2.5 Klager heeft deze mail van verweerder doorgestuurd aan de deken en aangegeven radeloos te zijn.

2.6 Bij e-mail van 7 december 2015 heeft de advocaat van de (toenmalige) werkgever van klager aan verweerder bericht dat het eerdere voorstel voor een minnelijke regeling wordt gehandhaafd.

2.7 Bij e-mail van dezelfde datum heeft verweerder dit e-mailbericht aan klager doorgezonden en hem daarbij als volgt bericht:

“Beste [klager],

Zoals ik eerder heb gemeld, kan en ik wil ik jouw belangen niet verder behartigen zolang jouw klacht over mij bij de Haagse Orde van Advocaten niet is ingetrokken. Dit betekent dat ik de rechtbank en de wederpartij zal infomeren dat ik mij aan de zaak onttrek. Ik geef je een week voordat ik de rechtbank informeer, maar zal de wederpartij wel over mijn voornemen informeren. Het alternatief is dat je de klacht intrekt en dat ik de zaak afrond.

Bijgevoegd de mail die ik van de wederpartij ontving. Ik zal daarop niet antwoorden voordat wij elkaar telefonisch gesproken hebben.”

2.8 Klager heeft diverse malen aan de deken te kennen gegeven zich door de

e-mails van verweerder geïntimideerd te voelen. De stafjurist van de deken heeft verweerder daarom op 8 december 2015 bericht dat klager geen gebruik meer wenste te maken van de diensten van verweerder en hem verzocht geen contact meer met klager op te nemen.

2.9 In het kader van de behandeling van onderhavige klacht heeft verweerder op 11 juli 2016 “voor de goede orde” het volledige dossier van een strafzaak van klager aan de deken toegezonden.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij de belangen van klager in een arbeidsrechtelijke kwestie onvoldoende heeft behartigd doordat hij:

a)  niet bereikbaar was voor klager;

b) de zaak onzorgvuldig heeft behandeld, onder meer door geen kort geding te starten en

c) stukken die hem vertrouwelijk waren verstrekt in een andere zaak heeft gebruikt om zijn eigen handelen in de arbeidszaak te rechtvaardigen.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

5 BEOORDELING

Ad klachtonderdeel a)

5.1 Verweerder heeft erkend de contacten met klager bewust te hebben beperkt. De reden daarvoor zou zijn geweest dat klager hem onder druk zette door te dreigen met zelfmoord. Dat blijkt naar het oordeel van de raad echter niet uit het dossier, met name niet uit de e-mails van klager aan verweerder. Zou van dergelijke dreigementen wel sprake zijn geweest en voelde verweerder zich daardoor onder druk gezet, dan had hij zich aan de zaak moeten onttrekken. Verweerder heeft dat ter zitting ook erkend. Nu hij dat niet heeft gedaan stond het verweerder naar het oordeel van de raad niet vrij de contacten met klager te beperken op de wijze als hij heeft gedaan. Het enkele feit dat hij de contacten met klager lastig vond, rechtvaardigt zijn handelwijze niet. De raad acht dit klachtonderdeel dan ook gegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.2 Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat verweerder heeft nagelaten om in kort geding doorbetaling van het loon voor klager te vorderen. Naar zijn zeggen omdat een geldvordering zich niet leent voor beoordeling in kort geding. Nog daargelaten dat een loonvordering zich naar zijn aard juist leent voor behandeling in kort geding, blijkt uit de stukken niet dat verweerder met klager over de mogelijkheid van een kort geding en de redenen voor het afzien daarvan, heeft gesproken. De raad kan derhalve niet vaststellen of door verweerder een zorgvuldige afweging is gemaakt en of die is toegelicht aan klager. Schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt. Gelet op het feit dat klager maandenlang verstoken was van inkomsten, acht de raad dit nalaten tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook dit klachtonderdeel acht de raad derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.3 Vast staat dat verweerder in het kader van de behandeling van de onderhavige klacht aan de deken het volledige dossier van een strafzaak van klager heeft toegezonden. Ter zitting verklaarde verweerder dat hij dat had ontvangen van de advocaat die de strafzaak voor klager behandelde. Wanneer precies, stelt verweerder niet meer te weten. In bovengemelde mail d.d. 14 februari 2017 komt verweerder daarop terug en schrijft hij te denken het van de wederpartij te hebben ontvangen. Verweerder stelt dat hij het volledige strafdossier aan de deken heeft gezonden om aan te tonen dat hij de zelfmoorddreiging van klager serieus moest nemen. Voor dergelijke dreigingen zijn in de zich in het dossier bevindende stukken echter geen aanknopingspunten te vinden. Ook niet voor de door verweerder gestelde bedreigingen van klager aan het adres van zijn voormalig werkgever. Nu de onderhavige klacht niet ziet op de strafzaak is het strafdossier naar het oordeel van de raad ook niet relevant voor de beoordeling van deze klacht. Evenmin is relevant dat het alleen aan de deken is verstrekt en niet openbaar is gemaakt. Er bestond naar het oordeel van de raad namelijk geen enkele noodzaak het volledige dossier over te leggen. Door verweerder had volstaan kunnen worden met het overleggen van de in zijn ogen ter onderbouwing van zijn stellingen relevante stukken of met het citeren daaruit. De raad acht de handelwijze van verweerder ook op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar en ook dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

6 MAATREGEL

6.1 Gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen van verweerder en mede in aanmerking genomen het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Aangezien de klacht gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door klager betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

7.2 De raad ziet daarnaast aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op een bedrag van EUR 50,- aan reiskosten.

7.3 De raad ziet eveneens aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak. Deze proceskosten worden vastgesteld op EUR 1.000,- en moeten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de Nederlandse Orde van Advocaten worden betaald. Dit bedrag kan worden betaald op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.  

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. J.A. van Keulen en J.H.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 10 april 2017.

Deze beslissing is in afschrift op 10 april 2017 verzonden.