Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2017:250 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-422/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2017:250
Datum uitspraak: 11-12-2017
Datum publicatie: 12-12-2017
Zaaknummer(s): 17-422/DH/DH
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Handelen van verweerder voldoet niet aan de professionele standaard. Niet gebleken is dat hij klagers heeft geïnformeerd over de slagingskansen en risico’s van een aanhangig te maken procedure. Hij heeft voorts nagelaten met klagers te overleggen over het uit eigener beweging intrekken van een kort geding. Tevens heeft verweerder in strijd gehandeld met zijn plicht tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden door zijn nota niet direct nadat hem duidelijk was dat deze niet correct was, te corrigeren. Klacht gegrond. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 11 december 2017

in de zaak 17-422/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klagers

tegen:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij e-mail van 25 januari 2017 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Bij brief aan de raad van 24 mei 2017 met kenmerk K027 2017 dk/smo, door de raad ontvangen op 24 mei 2017, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 9 oktober 2017 in aanwezigheid van klagers en verweerder, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde].

1.4 De raad heeft kennisgenomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49, lid 2 Advocatenwet alsmede van de nagekomen e-mail met bijlagen van verweerder d.d. 4 juni 2017, de schriftelijke reactie daarop (met bijlagen) van klagers d.d. 18 juni 2017, de nagekomen e-mail met bijlagen van verweerder d.d. 28 september 2017 alsmede de nagekomen brief van klagers van

2 oktober 2017.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Begin april 2016 kwamen klagers via de website (…) in contact met verweerder. Zij verzochten hem hen bij te staan teneinde te voorkomen dat hun huis in [land] executoriaal verkocht zou worden. Het was klagers op dat moment (nog) niet bekend dat ING in 2012 had besloten om alle buitenlandse hypotheken te sluiten.

2.2 De executoriale verkoop was aangezegd vanwege een in 2015 opgelopen betalingsachterstand bij ING Hypotheken, die een gevolg was van het feit dat klager zijn baan was kwijtgeraakt.

2.3 De achterstand bedroeg op dat moment volgens klagers zo’n € 5.000,-.

2.4 Omdat ING volgens verweerder niet bereid was om over een betalingsregeling te spreken heeft hij een kort geding-dagvaarding strekkende tot schorsing van de executie opgesteld en op 21 april 2016 een datum voor een zitting gevraagd. De zitting is diezelfde dag bepaald op 29 april 2016 om 13.30 uur.

2.5 Op 22 april 2016 heeft verweerder aan klagers een factuur gezonden waarop vermeld stond een voorschot eigen bijdrage van € 500,- en griffierechten

€ 331,-.

2.6 Eveneens op 22 april 2016 heeft verweerder per mail de dagvaarding aan ING gezonden en aangekondigd dat deze diezelfde dag zou worden betekend.

2.7 Op 26 april 2016 heeft de advocaat van ING aan verweerder – voor zover van belang – het volgende bericht:

“De tekortkomingen van uw cliënt zijn langdurig, de betalingsproblemen dateren van 2013. Op dit moment bedragen de achterstanden per leningdeel respectievelijk € 6.428,58 en € 1.894,47. De veilingkosten tot en met heden zijn € 1.500,-. Totaal is uw cliënt derhalve op dit moment een bedrag van € 9.823,05 verschuldigd.

Cliënte is derhalve terecht tot opeising en openbare verkoop overgegaan.

Desondanks is cliënte bereid om de openbare verkoop aan te houden onder de volgende voorwaarden:

1. Uw cliënt betaalt binnen veertien dagen na heden een bedrag ad € 5.000,-;

2. Uw cliënt zal de reguliere maandnota’s stipt voldoen per 1 mei 2016, telkens voor de eerste van elke maand;

3. Uw cliënt zal uiterlijk binnen zeven dagen na heden inzage geven in zijn financiële positie met een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven onderbouwd met onderliggende financiële stukken;

4. Uw cliënt wordt in de gelegenheid gesteld het restant van de achterstand en openstaande (veiling)kosten te voldoen in maximaal twaalf gelijke termijnen. Deze extra aflossingen geschieden naast de betaling van de reguliere maandnota’s. De eerste extra aflossing dient uiterlijk 1 juni 2016 te zijn gedaan (…)

5. Zolang de reguliere maandnota’s en de extra maandelijkse aflossingen stipt en volledig worden voldaan hoeft uw cliënt de woning niet te verkopen. Wanneer een van de termijnen niet stipt of volledig wordt betaald, komt de regeling te vervallen en krijgt uw cliënt maximaal zes maanden om tot een onherroepelijke verkoop en levering van het onderpand te komen. (…)

De veilingprocedure is pas net opgestart en er is voorlopig nog geen sprake van een openbare verkoop. Zodoende is een kort geding op 29 april a.s. ook niet nodig. Graag verzoek ik u de kort geding procedure dan ook sowieso aan te houden.

Voors verzoek ik u mij dus te berichten of uw cliënt instemt met bovenstaand voorstel. (…)”

2.8 De mail van de advocaat van ING is door verweerder op 28 april 2016 doorgestuurd aan klagers met de volgende begeleidende tekst:

“Geachte [klager],

Kunt u hierop per omgaande reageren?

Alvast mijn dank.”

2.9 Verweerder heeft de advocaat van ING op 28 april 2016 uur het volgende bericht:

“Het KG zal ik aanhouden. Er zal daarom morgen geen zitting zijn.

Ik heb cliënt gesproken en hem de voorwaarden voorgelegd. De middelen zijn echter beperkt. Cliënt zal mij volgende week bellen om na te gaan hoe ver hij is gekomen in financieel opzicht.”

2.10 Eveneens op 28 april 2016 heeft verweerder aan klagers per e-mail het volgende bericht:

“Geachte [klager],

De zitting gaat morgen niet door.

We bellen graag morgen nog even.”

2.11 Op 26 mei 2016 heeft verweerder aan klagers het volgende bericht:

“Helaas is er geen schikking tot stand gekomen met ING. Een procedure gaat u vrijwel zeker verliezen en gaat u alleen maar meer op kosten jagen. Ik heb de procedure bij de rechtbank dan ook ingetrokken. Deze kan altijd opnieuw worden opgestart maar ik kan u daarbij niet helpen en ik kan u dit ook afraden. Beter is om toch te proberen een beter voorstel te doen naar de ING.

Een en ander betekent dat de zitting morgen ook niet doorgaat en dat ik het dossier verder sluit.

Het spijt mij dat ik u niet beter kan berichten.”

2.12 Klagers hebben dezelfde dag per mail als volgt gereageerd:

“Hiermee zijn wij het absoluut niet eens.

Er is een rechterlijke uitspraak dat met een betalingsachterstand de bank niet het recht heeft om tot verkoop over te gaan.

Dat is misbruik maken van je recht. En ook hun zorgplicht zijn ze niet nagekomen.

Verkoop van de woning brengt ons nog meer financiële schade toe dan wat nu de achterstand is. Dus van schadebeperking is totaal geen sprake. (…)

Het meeste waar wij boos over zijn is dat u niet het fatsoen heeft gehad om dit persoonlijk te doen per telefoon.”

2.13 Op 2 juni 2016 heeft verweerder klagers het volgende bericht:

“Ik heb het voorstel van ING aan u gemaild en u gaf aan hieraan niet te kunnen voldoen. U gaf aan dat u een minimaal bedrag kon betalen, hetgeen in geen enkele verhouding stond tot het voorstel van ING. Het kort geding is ingetrokken om u verdere kosten te besparen.

Er is voldoende gedaan om u te helpen. U was moeilijk bereikbaar en kon geen serieus tegenbod doen. Daarom is het dossier gesloten.

Ten aanzien van de kosten voor mijn werkzaamheden (met name de onderhandelingen en het opstellen van de dagvaarding), heeft u alleen de griffierechten voldaan, die ik aan de rechtbank door moet storten. Verder niets. Ik verzoek u de nota alsnog te voldoen.”

2.14 Klagers hebben over de handelwijze van ING een klacht ingediend bij het Kifid. Van Kifid ontvingen klagers het volgende bericht, afkomstig van ING:

“In eerste instantie is het kort geding aangehouden en verplaatst naar vandaag, 27 mei. Door ons is een voorstel gedaan om de veiling te voorkomen door een deel van de achterstand en de reeds gemaakte veilingkosten te voldoen. Hierop is door zowel klant als zijn advocaat geen enkele reactie gekomen. De klant lijkt zich uiteindelijk neergelegd te hebben bij het feit dat een en ander niet betaalbaar is en heeft het kort geding geannuleerd. (…)”

2.15 Op 30 mei 2016 hebben klagers per mail aan verweerder gevraagd wat er is gebeurd met de € 331,- griffiekosten die zij betaald hebben.

2.16 Op deze vraag heeft verweerder dezelfde dag per e-mail geantwoord dat dat geld is gebruikt om griffierechten te betalen.

2.17 Klagers hebben bij de rechtbank (…) navraag gedaan naar de verschuldigdheid van griffierechten. Een teamcoördinator van die rechtbank heeft hen daarover het volgende bericht:

“Zolang een zaak niet wordt uitgeroepen ter zitting, is bij het team kort geding geen griffierecht verschuldigd. (Met het uitroepen wordt bedoeld, dat de rechter en de griffier in de zittingszaal zitten te wachten op de partijen en dat de bode de zaak uitroept.)

Het bedrag van 331 euro dat u aan uw advocaat heeft overgemaakt herken ik niet als een bedrag aan griffiekosten. Dat bedrag is namelijk 288 euro voor een natuurlijk persoon voor een zaak met onbepaalde waarde (dus zonder geldvordering).

(…) Ik zie in ons rooster dat uw zaak op 25 mei 2016 door uw advocaat is ingetrokken. De zaak is dus niet uitgeroepen. (…)”

2.18 Nadat de klacht aan verweerder was doorgezonden ontvingen klagers op

2 februari 2017 een creditnota. Daarop was een eigen bijdrage vermeld van € 143,- waarop een bedrag van € 331,- in mindering werd gebracht.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij de belangen van klagers niet naar behoren heeft behartigd en kosten in rekening heeft gebracht voor griffierechten die niet verschuldigd bleken te zijn.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna waar nodig zal ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 Klagers verwijten verweerder dat hij hun belangen niet naar behoren heeft behartigd door het kort geding zonder overleg met hen in te trekken terwijl er met ING geen schikking was bereikt.

5.2 De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.3 Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskansen van een aanhangig te maken procedure, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover informeren van de cliënt. Uit het dossier is niet gebleken dat verweerder dit heeft gedaan.

5.4 Voorts heeft verweerder nagelaten over de intrekking van het kort geding met klagers overleg te voeren en hen (eigener beweging) te informeren over de redenen waarom hij daartoe te wenste over te gaan.

5.5 Gelet op hetgeen onder 5.3 en 5.4 is overwogen voldoet verweerders handelen naar het oordeel van de raad niet aan de professionele standaard die binnen de beroepsgroep geldt en heeft verweerder derhalve niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. De klacht is in zoverre derhalve gegrond.

5.6 Klagers verwijten verweerder voorts dat hij hen ten onrechte griffierechten in rekening heeft gebracht. Ook deze klacht is naar het oordeel van de raad gegrond. Verweerder heeft klagers op 22 april 2016 gefactureerd. Op 25 mei 2016 heeft hij het kort geding ingetrokken. Aangezien verweerder de zaak niet had aangebracht, werd – volgens het beleid van de rechtbank (…) – geen griffierecht in rekening gebracht. Zodra voor hem duidelijk was, althans had moeten zijn dat dat dat het geval was, had hij de factuur ten aanzien van de griffierechten moeten crediteren. Dat heeft hij toen nagelaten. Ook ten aanzien van het door hem in rekening gebrachte voorschot voor de eigen bijdrage geldt dat hij zijn factuur had moeten corrigeren zodra de eigen bijdrage door de Raad voor Rechtsbijstand was vastgesteld (op € 143,-). Ook deze correctie heeft verweerder pas veel later, namelijk op 2 februari 2017, doorgevoerd. Op dat moment was door klagers onderhavige klacht al ingediend. Het nalaten van verweerder is in strijd met zijn plicht tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden (gedragsregel 23).

6 MAATREGEL

6.1 Alles overziend en mede in aanmerking genomen het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Aangezien de klacht gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door klagers betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

7.2 De raad ziet daarnaast aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van EUR 50,- aan reiskosten.

7.3 De raad ziet eveneens aanleiding om overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak. Deze proceskosten worden vastgesteld op EUR 1.000,- en moeten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de Nederlandse Orde van Advocaten worden betaald. Dit bedrag kan worden betaald op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50,- aan klagers;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van EUR 50,- aan klagers;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. R. de Haan, M.F. Laning, P. Rijpstra en P.C.M. van Schijndel, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2017.

Deze beslissing is in afschrift op 11 december 2017 verzonden.