Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2017:117 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-987

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2017:117
Datum uitspraak: 03-07-2017
Datum publicatie: 24-07-2017
Zaaknummer(s): 16-987
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Gedragingen in strafzaken
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. derden, subonderwerp: Rechters
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen advocaat wederpartij ongegrond. Klager is een voormalig officier van justitie. Niet is komen vast te staan dat verweerder een valse aangifte tegen klager heeft gedaan en dat verweerder klager actief in een negatieve publiciteit heeft gebracht, althans dat verweerder daarbij de grenzen van de hem toekomende ruime vrijheid als partijdig belangenbehartiger heeft overschreden. Van misleiding van het hof en het ten onrechte opstarten van een artikel 12 Wetboek van Strafvorderingsprocedure is de raad evenmin gebleken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 3 juli 2017

in de zaak 16-987

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 4 mei 2016 heeft klager bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 20 oktober 2016 met kenmerk 16-01116/AF/sd, door de raad ontvangen op 21 oktober 2016, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 6 maart 2017 in aanwezigheid van klager en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van:

-    het van de deken ontvangen dossier.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1    In september 2013 heeft klager als officier van justitie een collega vervangen bij een getuigenverhoor in een strafzaak bij de rechter-commissaris. Klager was onervaren met dergelijke getuigenverhoren. De getuige was een verbalisant, belast met CIE-taken. In de bewuste zaak trad verweerder op als advocaat voor een van de verdachten.

2.2    Nadat het getuigenverhoor enige tijd had geduurd is het verhoor geschorst voor de lunch en om de getuige in staat te stellen het concept van het proces-verbaal van verhoor door te nemen. Tijdens die schorsing hebben de getuige en klager enige tijd gezamenlijk doorgebracht in de voor de getuigen bestemde ruimte en ook hebben zij gezamenlijk buiten het gerechtsgebouw de lunch gebruikt. In die schorsing hebben  klager en de getuige onder meer over de inhoud van het conceptproces-verbaal gesproken.  Het verhoor is nadien hervat en afgerond. Daarbij is onder meer de voormelde gang van zaken onderwerp van verhoor geweest en ook klager zelf is daarbij als getuige gehoord.

2.3    Op [datum] heeft verweerder namens zijn cliënt aangifte gedaan tegen klager ter zake van het opzettelijke beïnvloeden van een getuige en het plegen van meineed.

2.4    Op [datum] heeft het openbaar ministerie (hierna: ‘OM’) de zaak geseponeerd op grond van het ten onrechte aanmerken van klager als verdachte.

2.5    Tegen deze sepotbeslissing heeft verweerder namens zijn cliënt op [datum] een klaagschrift ingediend op grond van artikel 12 Wetboek van strafvordering en het gerechtshof verzocht om alsnog de vervolging van klager te gelasten.

2.6    Per [datum] heeft het OM het dienstverband van klager beëindigd.

2.7    Bij beschikking van [datum] heeft het gerechtshof het beklag van de cliënt van verweerder afgewezen.

2.8    Sinds het incident met de getuige is de naam van klager meermalen in diverse media genoemd.

2.9    Op 4 mei 2016 heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder een valse aangifte tegen klager heeft gedaan;

b)    verweerder klager actief in een negatieve publiciteit heeft gebracht;

c)    verweerder het hof heeft misleid;

d)    verweerder ten onrechte de beklagprocedure van artikel 12 Wetboek van Strafvordering heeft gestart (hierna: artikel 12-procedure).

3.2    Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft klager aangevoerd dat verweerder ernstig tekort is geschoten door een valse aangifte te doen, zoals ook blijkt uit het arrest van het gerechtshof in de artikel 12-procedure. Volgens het Hof was er geen enkel aanknopingspunt voor de verdenking dat klager zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Verweerder kan zich niet achter de wens van zijn cliënt verschuilen en had als deskundige zelf de afweging moeten maken dat het hier een valse aangifte betrof. Verweerder wist dat het opstarten van de artikel 12-procedure tot niets zou leiden en had dit, net als de aangifte, zijn cliënten moeten ontraden.

3.3    Verweerder heeft na het incident met de getuige actief de pers opgezocht en steeds de naam van klager maar niet zijn functie (officier van justitie) of zijn werkgever (het OM) genoemd. Verweerder heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt en nu de media dat hebben overgenomen is zijn integriteit als officier van justitie en die van het OM aangetast. Ook na de uitspraak van het hof is verweerder niet gestopt met klager zwart te maken in de media.

3.4    Daarnaast heeft verweerder geprobeerd het hof te misleiden door in zijn pleitnota een citaat op te nemen als zijnde afkomstig van de Hoge Raad terwijl het een citaat van een Advocaat-Generaal (hierna: AG) betrof. Dit lijkt klager een ernstig professionele fout.

4    VERWEER

4.1    Verweerder betwist tuchtrechtelijk laakbaar te hebben gehandeld.

4.2    Verweerder heeft namens en op verzoek van zijn cliënt aangifte gedaan. Van een valse aangifte is geen sprake. Dat het gerechtshof klager niet heeft willen vervolgen, maakt dit niet anders. De publicaties bevatten informatie die is voortgekomen uit de openbare behandeling van de strafzaak. De media hebben verweerder op enig moment vragen gesteld, waarop verweerder heeft geantwoord. Het nalaten van commentaar kon schadelijk zijn voor zijn cliënt. Verweerder heeft klager niet met naam genoemd. Verweerder heeft een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen en de inhoud van de berichten waarop klager doelt, valt hier binnen.

4.3    Het gewraakte citaat van de AG maakte deel uit van de beslissing van de Hoge Raad. De cliënt van verweerder was het niet eens met het sepot en bleef van mening dat klager verkeerd had gehandeld. De artikel 12-procedure is juist in het leven geroepen om de rechter te laten toetsen of sprake is van vervolgingswaardig gedrag. Verweerder mocht deze weg namens zijn cliënt bewandelen.

5    BEOORDELING

5.1    Allereerst stelt de raad vast dat het gaat om het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van de wederpartij of andere belanghebbenden worden beknot, tenzij diens belangen onnodig of op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Tegen deze achtergrond dienen de klachtonderdelen te worden beoordeeld.

Ad klachtonderdeel a) en d)

5.2    Vanwege de onderlinge samenhang worden de klachtonderdelen a en d gezamenlijk behandeld.

5.3    Van een valse aangifte is eerst sprake indien vast staat dat verweerder ten tijde van die aangifte wist dat het feit waarop die aangifte betrekking had, niet was gepleegd. Daartoe zijn niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken. Daarbij telt dat de advocaat de belangen van zijn cliënt steeds optimaal dient te behartigen. Dat betekent dat als - naar inschatting van de advocaat en/of diens cliënt - in het belang van de zaak een aangifte gewenst is, het aan de advocaat vrij staat om binnen de hem hiervoor genoemde grote mate van handelingsvrijheid, die aangifte te doen. Ook telt hier dat verweerder de aangifte heeft gemotiveerd en onderbouwd met stukken, waaronder het proces-verbaal van de onder 2.2 omschreven verhoren. Dat het OM in de gronden van die aangifte geen reden zag klager te vervolgen en het gerechtshof (mede op grond van het na de aangifte door de Rijksrecherche opgemaakte dossier en het onderzoek in de raadkamer van het hof) dat gelijke oordeel was toegedaan, leidt niet zonder meer tot een andere uitkomst. De klacht dat een valse aangifte is gedaan is daarmee ongegrond.

5.4    Wat de klacht omtrent de artikel 12-procedure betreft, geldt het volgende. Deze klacht is slechts terecht aangevoerd indien verweerder ten tijde van het beklag wist dat de aangifte vals was en - daarmee - de beklagprocedure kansloos. In dat geval heeft verweerder immers, met schending van de vorengenoemde handelingsvrijheid, de beklagmogelijkheid voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze is gegeven. Op gelijke gronden als hiervoor onder 5.3 is overwogen, zijn echter ook voor deze slotsom niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld en faalt deze klacht. De raad oordeelt de klachtonderdelen a en d ongegrond

Ad klachtonderdeel b)

5.5    Het verwijt dat verweerder klager nodeloos zwart heeft gemaakt in de media heeft klager onderbouwd door het over leggen van een artikel uit de Telegraaf van [datum], een artikel uit een niet nader genoemd blad van [datum], een artikel uit het Dagblad van het Noorden (ongedateerd) en een column van verweerder op de website [naam website] van [datum].

5.6    In de drie eerstgenoemde publicaties wordt klager genoemd met zijn functie en met naam (officier van justitie [voornaam] [achternaam]). Dat deze artikelen zijn verschenen op initiatief van verweerder dan wel dat verweerder de desbetreffende media actief heeft benaderd en van informatie - waaronder de naamgegevens van klager - heeft voorzien zonder evenwichtige belangenafweging, is naar het oordeel van de raad niet komen vast te staan. Klager heeft hiertoe onvoldoende gesteld en onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder onbetwist verklaard dat tijdens de openbare strafzitting pers aanwezig was, zodat klagers functie en naam en de omstandigheden waarover is geschreven, ook langs die weg naar buiten hebben kunnen komen.

5.7    Verweerder heeft voorts toegelicht destijds vragen van een of meer journalisten te hebben beantwoord omdat hij dit gerechtvaardigd achtte in het belang van zijn cliënt. Uit het artikel in de Telegraaf blijkt dat verweerder ‘het gebeuren’ aan (een journalist van) de krant heeft bevestigd nadat een van de verdachten in de strafzaak de krant naar verweerder heeft verwezen. Ook hieruit kan niet, althans onvoldoende, worden afgeleid dat verweerder een (te) actieve rol heeft gehad bij de totstandkoming van deze publicatie en het noemen van klagers naam.

5.8    De krant heeft verweerder als volgt geciteerd: 

“Het is ongelofelijk dat een officier van justitie willens en wetens aanschuift bij een verhoorde politieman. Het lijkt alsof de druk bij justitie om te scoren zó hoog is geworden dat zelfs dit soort middelen niet worden geschuwd.” 

Weliswaar kan het citaat van verweerder direct in verband worden gebracht met de daarvoor in het artikel genoemde (persoons)naam van klager, maar er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder met dat citaat, gekleurd door zijn partijdige visie, de hem toekomende ruime vrijheid als partijdig belangenbehartiger te buiten is gegaan.

5.9    Daartoe acht de raad van belang dat het in een strafzaak optredend lid van het OM de natuurlijke tegenspeler is van de in die strafzaak voor de verdachte optredende advocaat. De door het lid van het OM verdedigde belangen staan daarmee veelal haaks op de belangen die door de advocaat van de verdachte worden verdedigd. In die rol mag een advocaat zakelijke kritiek uiten op het functioneren van justitiële autoriteiten, waaronder het OM. De advocaat dient zich wel te onthouden van persoonlijke aanvallen op leden van het OM. Niet gebleken is dat verweerder klager persoonlijk heeft aangevallen. Uit genoemd citaat en de column van verweerder op [naam website] volgt dat verweerder klager steeds heeft aangeduid als ‘de officier van justitie’, zonder daarbij diens naam te noemen. De door verweerder gekozen bewoordingen zijn weliswaar gekleurd maar als partijdig belangenbehartiger behoefde verweerder zich hiervan niet te onthouden. Van ontoelaatbaar grievende uitingen is de raad niet gebleken.

5.10    De stelling van klager dat het handelen van verweerder in direct verband staat met het beëindigden van het dienstverband van klager bij het OM, leidt - wat daar verder ook van zij – niet tot een ander oordeel. Ook als ervan wordt uitgegaan dat klager hinder heeft ondervonden van de negatieve publiciteit rond zijn persoon, vormt dat geen basis voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder. Klachtonderdeel b is ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.11    Dat verweerder het hof heeft misleid door te citeren uit de conclusie van de AG zoals klager heeft gesteld, heeft de raad niet kunnen vaststellen. De pleitnota van verweerder bevindt zich niet in het klachtdossier. In welke precieze context het citaat door verweerder naar voren is gebracht, is de raad niet helder geworden. Weliswaar kan uit de overgelegde pleitnota (van de advocaat) van klager worden afgeleid om welk citaat het ging, hetgeen door verweerder overigens ook niet is weersproken, doch enkel daaruit heeft de raad geen bewuste misleiding van het hof door verweerder kunnen vaststellen.

5.12    Daarbij komt dat klager het hof er (tijdig) op heeft gewezen dat het door verweerder opgenomen citaat afkomstig was van de AG. Voor zover het gerechtshof dat niet al zelf heeft kunnen achterhalen, heeft hij in ieder geval na het verweer door klager op dit punt kunnen beoordelen of het door verweerder genoemde citaat in deze zaak relevant was. Daarnaast heeft klager niet gesteld dat bedoeld citaat enige - voor hem - nadelige invloed heeft gehad op de beschikking van het gerechtshof.

5.13    Dit klachtonderdeel is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.A. Steenbergen, voorzitter, mrs. A.D.G. Bakker, A.T. Bolt, K.F. Leenhouts, A.M.T. Weersink, leden, bijgestaan door mr. L.M. Roorda als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2017.

Griffier                                                           Voorzitter

Verzonden d.d. 3 juli 2017.