Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2015:128 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 61/14

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2015:128
Datum uitspraak: 17-04-2015
Datum publicatie: 03-09-2015
Zaaknummer(s): 61/14
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Schrapping
Inhoudsindicatie: Het te laat instellen van beroep is tuchtrechtelijk verwijtbaar. In casu wasdit niet verschonbaar omdat de advocaat alle relevante stukken tijdig (van de vorige raadsman van klager) had ontvangen. Het argument (achteraf) dat hoger beroep zinloos was, maakt het oordeel evenmin anders.Ook dient de advocaat er voor te zorgen dat hij de cliënt op de hoogte houdt van alle belangrijke nformatie en geregeld voor zijn cliënt bereikbaar is en op terugbelverzoeken reageert. Klacht gegrond. In samenhang met andere zaken : schrapping.

Beslissing van 17 april 2015

in de zaak 61/14

naar aanleiding van de klacht van:

de heer [     ]

klager

tegen

mr. [     ]

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 9 september 2014 met kenmerk 12/0/63, door de raad ontvangen op 10 september 2014, heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Overijssel de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 13 maart 2015. Klager is verschenen vergezeld van zijn zoon, de heer C.. Verweerder heeft laten weten om gezondheidsredenen niet te zullen verschijnen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3    De raad heeft kennis genomen van:

-    het van de deken ontvangen dossier;

-    een brief van verweerder aan de raad van 22 februari 2015.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    In 2008 heeft klager een ongeval gehad ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt. Klager heeft een ZW-uitkering ontvangen. Omdat hij in oktober 2010 twee jaar ziek zou zijn heeft hij in mei 2010 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 31 augustus 2010 is deze aanvraag afgewezen, omdat klager met ingang van 22 september 2010 geschikt was voor zijn eigen werk en daarmee de 104 weken termijn niet is volgemaakt.

2.3    Bezwaarschriften tegen zowel de afwijzing ZW als de afwijzing WIA zijn ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing WIA-uitkering. De rechtbank U. heeft bij uitspraak van 7 december 2011 het beroep ongegrond verklaard.

2.4    Klager wilde van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep en heeft zich daartoe in december 2011 tot verweerder gewend, die de behandeling van de zaak op zich heeft genomen. Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld. Op 23 januari 2012 heeft verweerder desgevraagd aan klager per e-mailbericht laten weten dat het instellen van hoger beroep kansloos was. Op 13 februari 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder waarbij verweerder als oplossing heeft voorgesteld opnieuw een aanvraag te doen bij het UWV, thans op grond van verergering van de klachten. Op 3 juni 2012 heeft verweerder daartoe contact opgenomen met het UWV die op 9 juli 2012 afwijzend heeft beslist. De melding van verslechterde gezondheid kon niet in behandeling worden genomen omdat klager niet aan de 104-wekentermijn voldeed. Op 21 augustus 2012 heeft verweerder klager hiervan op de hoogte gesteld.

2.5    Naar aanleiding van de op 16 oktober 2012 tegen verweerder ingediende klacht heeft op 28 november 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder waarbij is afgesproken dat de vorige advocaat, mr. T., aansprakelijk zal worden gesteld voor de gemaakte beroepsfout (het niet indienen van een beroepschrift tegen de afwijzing van de ZW-uitkering). Daarnaast zal worden getracht bij het UWV alsnog een WIA-uitkering te krijgen.

2.6    Bij brief van 16 oktober 2012 met bijlagen heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder

2.7    Op 14 maart 2013 heeft verweerder zich tot een andere advocaat gewend die mr. T. namens klager aansprakelijk heeft gesteld voor de schade ten gevolge van het niet in beroep gaan van de ZW-uitkering omdat mr. T. niet meer werkzaam is bij het desbetreffende kantoor heeft verweerder de zaak, na overleg met klager, geparkeerd en voorgesteld het UWV nog eens naar zijn zaak te laten kijken. Vervolgens lopen de contacten moeizaam. Op 24 maart 2014 zet klager zijn klacht door.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

verweerder heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten ten opzichte van klager, wiens belangen hij als zodanig behartigde. Meer in het bijzonder betreft het de navolgende verwijten.

a.    Verweerder heeft tot twee keer toe een beroepstermijn laten verlopen. Dit betreft een uitspraak van de rechtbank U. van 7 december 2011 en een beslissing van het UWV van 9 juli 2012.

b.    Verweerder is traag. In februari 2012 is afgesproken dat hij contact opneemt met het UWV maar hij heeft dat pas in juni 2012 gedaan.

c.    Verweerder is slecht bereikbaar en belt niet terug. Hij heeft klager aan het lijntje gehouden. Afspraken heeft hij afgehouden of afgezegd.

4    VERWEER

Ad klachtonderdeel a)

4.1    Na ontvangst van het dossier in december 2011 bleek al spoedig dat de voormalige gemachtigde van klager geen beroep had ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het UWV, ten gevolge waarvan klager geen aanspraak kon maken op een WIA-uitkering. Dit is met klager besproken op het kantoor van verweerder en afgesproken is dat moest worden getracht om met het UWV aan tafel te komen om alsnog te proberen een opening te vinden en een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering te doen.

4.2    Verweerder heeft erkend dat hij klager te laat op de hoogte heeft gesteld van de beslissing van het UWV van 9 juli 2012, maar evident is dat het instellen van bezwaar volstrekt kansloos was.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Verweerder is twee maal bij klager op bezoek geweest, maar beide keren bleek de DigiD niet te werken. Dat is de oorzaak van de vertraging in de melding naar het UWV toe.

Ad klachtonderdeel c)

4.4    Verweerder heeft ontkend dat hij klager aan het lijntje heeft gehouden. Inkomende telefoontjes worden bij hem op het secretariaat opgenomen en doorgegeven. Vervolgens belt verweerder terug. Verweerder stelt dat het UWV bereid is om de zaak grondig te bekijken en hij wil daaraan zijn bijdrage leveren.

5    BEOORDELING

5.1    De nieuwe Advocatenwet is van toepassing op klachten die op of na 1 januari 2015 zijn ingediend bij de deken. De onderhavige klacht is voor 1 januari 2015 ingediend bij de deken en wordt door de raad van discipline derhalve behandeld en beoordeeld op grond van de oude Advocatenwet, zoals die tot 1 januari 2015 gold. Waar in deze beslissing naar de Advocatenwet wordt verwezen, wordt de oude Advocatenwet bedoeld.

Ad klachtonderdeel a)

5.2    Vaststaat dat klager zich in december 2011 tot verweerder heeft gewend en dat verweerder beroep zou instellen tegen de uitspraak van de rechtbank U. d.d. 7 december 2011 inzake de WIA-uitkering Op 8 december 2011 heeft klager de uitspraak ontvangen en meteen per aangetekende en per gewone post  doorgestuurd aan verweerder. Er was toen nog voldoende tijd (bijna 6 weken) om beroep in te stellen. Verweerder heeft deze gang van zaken niet betwist. Ter zitting heeft klager aangevoerd dat zijn zoon op de laatste dag waarop beroep kon worden ingesteld, de zaak niet vertrouwde en telefonisch contact met verweerder heeft gehad die hem heeft toegezegd dat hij het beroep had ingesteld. Vaststaat dat dit niet is gebeurd. Derhalve is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door niet binnen de beroepstermijn hoger beroep in te stellen, terwijl hij had toegezegd dat te zullen doen.

5.3    Ten aanzien van het verwijt dat verweerder ook de termijn om bezwaar te maken tegen de beslissing van het UWV van 9 juli 2012 ongebruikt heeft laten verlopen, is de raad van oordeel dat dit eveneens gegrond is. Verweerder heeft erkend dat hij klager te laat van deze beslissing op de hoogte heeft gesteld zodat niet tijdig bezwaar kon worden ingediend, maar heeft tevens aangevoerd dat het bezwaar toch volstrekt kansloos zou zijn geweest. Dat argument kan verweerder niet baten. Verweerder had de beslissing van het UWV van 9 juli 2012 binnen een redelijke termijn naar klager behoren te sturen om met hem te overleggen over de mogelijkheid om bezwaar in te dienen. Pas dan komt de vraag aan de orde of het zinvol is om bezwaar in te stellen. Verweerder heeft door zijn handelwijze klager deze mogelijkheid onthouden. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.4    Uit hetgeen de raad heeft overwogen bij klachtonderdeel a blijkt reeds dat het klachtonderdeel dat verweerder traag heeft gehandeld eveneens is komen vast te staan. Verweerder heeft verzuimd tijdig beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank U. van 7 december 2011 en heeft vervolgens verzuimd om een belangrijke beslissing van het UWV van 9 juli 2012 tijdig aan klager te doen toekomen en de mogelijkheid van bezwaar te bespreken. Derhalve staat vast dat het in dit klachtonderdeel gestelde vaststaat. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.5    Ook dit klachtonderdeel is gegrond. Immers uit hetgeen onder klachtonderdeel a en b door de raad is overwogen en beslist, blijkt dat verweerder te kort is geschoten in de communicatie met klager.

5.6    Daar het hier om ernstige tekortkomingen gaat bij de behartiging van de belangen van de cliënt met belangrijke gevolgen spreekt de raad uit dat verweerder niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt. Bovendien heeft verweerder geen rechtens relevante redenen aangevoerd voor zijn gedrag.

6    MAATREGEL

6.1    Uit het voorgaande volgt dat de klacht geheel gegrond is. Vast is komen te staan dat verweerder volstrekt onvoldoende de belangen heeft behartigd van zijn cliënt en daarbij de cliënt niet op de hoogte heeft gehouden van de aanpak van de zaak en de voorgang van de werkzaamheden.  Dat gevoegd bij de ernst van het bezwaar rechtvaardigt op zich al een zware maatregel. Bovendien staat dit bezwaar niet alleen. Er zijn ook klachten van klagers in de zaken 26/14, 98/14 en 15/15.

6.2    Het beeld dat uit al deze klachten oprijst, laat zien dat de gedragingen van verweerder geen incidenten zijn maar passen in een structureel patroon van volstrekt onvoldoende besef van verantwoordelijkheid in de wijze waarop hij zijn kantoor organiseert met betrekking tot de belangen van cliënten. Zo laat verweerder na de door hem aangenomen opdrachten van zijn cliënten uit te voeren en correspondeert of communiceert niet of nauwelijks met zijn cliënten.

6.3    Dat patroon schept tevens een beeld van een advocaat die zich niet bewust is van de verplichtingen die passen bij de kernwaarden van de advocatuur. Doordat hij de kernwaarden wezenlijk veronachtzaamt, tast hij het aanzien van de advocatuur aan.

6.4    De raad constateert dat verweerder stelselmatig artikel 46 van de Advocatenwet heeft geschonden, in het bijzonder de normen omtrent de zorg voor de cliënt en wat een behoorlijk advocaat betaamt, zoals die zijn uitgewerkt in de Gedragsregels. De raad rekent verweerder dit alles zwaar aan, juist omdat van een advocaat mag worden verwacht dat de belangen van de cliënt bij hem in goede handen zijn en dat hij zich aan de voor hem geldende regels houdt. Dit alles raakt de kern van het beroep van advocaat. Verweerder heeft het vertrouwen van cliënten ernstig beschaamd en is ernstig tekort geschoten in de zorg die hij hun verschuldigd was. Daarmee hebben zijn gedragingen het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen schade toegebracht.

6.5    Verweerder heeft onvoldoende inzicht getoond in het laakbare van zijn handelwijze. Hij heeft weliswaar erkend dat hij onjuist heeft gehandeld maar heeft geen blijk gegeven van inzicht in de ernst en de schade die hij teweeg heeft gebracht en heeft evenmin getracht daar een oplossing voor te vinden. Bovendien was verweerder gewaarschuwd door de eerdere tuchtrechtelijke veroordeling uit 2013 waarbij hem een berisping was opgelegd in een soortgelijk geval als het onderhavige. De raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerder niet in de advocatuur thuis hoort.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    oordeelt de klacht gegrond;

-    legt verweerder de maatregel op van schrapping van het tableau, ingaande onmiddellijk na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-    spreekt uit dat verweerder niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt.

Aldus gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. E. van Asselt-Pronk, J.A. Holsbrink, M.L.C.M. van Kalmthout, P.H.F. Yspeert, leden en bijgestaan door mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 april 2015.

griffier    voorzitter                           

Deze beslissing is in afschrift per aangetekende brief verzonden aan:

-    klager

-    verweerder

-    de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Overijssel

-    de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

-    verweerder

-    de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.     Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 9679, 4801 LT Breda

b.     Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Thorbeckeplein 8, 4812 LS Breda

Indien u bij de griffie van het Hof van Discipline een stuk wenst af te geven en daarvoor een ontvangstbewijs wenst te ontvangen, dient u tijdig contact op te nemen teneinde er zeker van te zijn dat het stuk onder verkrijging van de ontvangstbevestiging kan worden afgegeven.

c.     Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl