Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2020:9
Datum uitspraak:
07-02-2020
Datum publicatie:
07-02-2020
Zaaknummer(s):
19/609 en 19/610 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Klachten over (fiscaal) onjuiste waardering van participaties, foutieve samenstelling van jaarrekeningen en daardoor onjuiste aangiften VpB, niet nakomen van toezeggingen en verhullen van een fout zijn ongegrond.De verwijten zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd of niet aannemelijk gemaakt. 

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaak met nummer19/609  en 19/610Wtra AKvan7 februari 2020van

 

X B.V.,

vertegenwoordigd door: [A],

gevestigd te [plaats1],

K L A A G S T E R,

raadsman: mr. J.P.M. Borsboom,

 

t e g e n

 

Y1,

registeraccountant,

Y2,

accountant-administratieconsulent,

beiden kantoorhoudende te [plaats1],

B E T R O K K E N E N,

raadsman: mr. R.J.A. Dil.

 



1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       het op 3 april 2019 ingekomen klaagschrift van 2 april 2019 met bijlagen;

-       de op 28 mei 2019 ingekomen verweerschriften van  27 mei 2019 met bijlagen;

-       de op 17 oktober 2019 ingekomen nadere bijlagen van klaagster.

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld op de openbare zitting van 28 oktober 2019 waar zijn verschenen: namens klaagster [A], bijgestaan door mr. M.K. de Bruijn, advocaat te Rotterdam, en betrokkenen (hierna ook: [Y1] en (Y2]) [Y2]), bijgestaan door mr. R.J.A. Dil en zijn kantoorgenoot, mr. A.M.M. Lemmen, advocaten te Utrecht.

 

1.3      Klaagster en betrokkenen hebben op genoemde zitting hun standpunten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) toegelicht  en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde op de zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       [Y1] is sinds [datum] en [Y2] sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van thans de Nba. Zij zijn verbonden aan [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor]). [Y1] als Partner Audit en [Y2] als senior manager MKB Accountancy & Advies.  Klaagster houdt zich bezig met beleggen in onroerend goed. Zij heeft zelf onroerende goederen en participeert in diverse vastgoedfondsen.

 

2.2       Klaagster (hierna ook: [X]) was vanaf het boekjaar 2009 tot en met het boekjaar 2016 klant van [accountantskantoor]. [B] AA (hierna: [B]) was vanaf het boekjaar 2009 tot en met de concept jaarrekening over het boekjaar 2015 van klaagster (en aan haar gelieerde vennootschappen) als accountant van klaagster aangewezen. Daarna zijn betrokkenen samen aangewezen voor het samenstellen van de jaarrekeningen van klaagster over de boekjaren 2015 en 2016. [Y1] was de eindverantwoordelijke accountant en [Y2] de relatiebeheerder en in die rol de contactpersoon voor klaagster.

 

2.3       Fiscale werkzaamheden over de boekjaren 2009 tot en met 2015 werden uitgevoerd door [C] en [D] van [accountantskantoor]. Zij hebben samen met [B] onder andere de indiening van de aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) van klaagster over die jaren begeleid.

Over het boekjaar 2016 is de aangifte Vpb mede begeleid door belastingadviseur mr.dr. [E] (hierna: [E]) van [accountantskantoor].

 

2.4       Per brief van 25 april 2012 heeft de Belastingdienst aan [B] informatie gevraagd over de aangiften Vpb 2008 en 2009 van klaagster. Daarover heeft [B] de belastingdienst per brief van 7 augustus 2012 geïnformeerd. De aanslag Vpb 2008 is door de belastingdienst voorlopig opgelegd in verband met de wettelijke termijn en in afwachting van een door [accountantskantoor] te verstrekken verklaring over een post waarderingsverschillen ter hoogte van € 707.512.  

Aangaande de aangiften Vpb 2009 tot en met 2011 heeft [accountantskantoor] de belastingdienst op haar verzoek een specificatie verstrekt van te verklaren posten. Tegen de definitieve aanslag Vpb 2008 heeft [accountantskantoor] bezwaar gemaakt. Aan dat bezwaar is de belastingdienst tegemoet gekomen.

 

2.5       Op 10 maart 2016 heeft [B] concept jaarrekeningen 2015 waaronder die van klaagster aan [A] gestuurd.

 

2.6       Op 11 november 2016 heeft [Y1] de aangepaste concept jaarrekening 2015 van klaagster aan haar gestuurd. Op 15 november 2016 heeft de algemene vergadering van klaagster de jaarrekening 2015 conform het concept vastgesteld.   

 

2.7       [A] heeft [Y2] per e-mail van 16 augustus 2017, in verband met herfinanciering door een bank, de vraag gesteld:

“Zie onderstaand bericht. Wil jij aangeven wanneer ik de resterende jaarrekeningen ontvang ?”

 

2.8       Per e-mail van  20 september 2017 heeft [A] aan [Y2] geschreven:

“Vorige week zou ik de cijfers toch ontvangen? Graag per omgaande. Naast de bank zitten de aandeelhouders er met smart op te wachten. ”

 

2.9       Per e-mail van 22 september 2017 om 9.03 uur heeft [Y2] aan [A] laten weten dat de jaarrekeningen nagenoeg afgerond waren. Daarin staat:

“(...). Dit heeft iets langer geduurd door de complexiteit van de aangifte vennootschapsbelasting van [X] B.V.

Voordat we deze kunnen afronden willen we graag een en ander met je doorspreken omtrent deze aangifte. Dit ziet op de gevormde herinvesteringsreserve in combinatie met afschrijvingen op de panden in de vastgoedinvesteringsfondsen. Wellicht heb je de (recente) berichtgeving in het nieuws gevolgd omtrent de verscherpte aandacht ten aanzien van de herinvesteringsreserve, hetgeen voor ons aanleiding was om dit kritisch te (her)beoordelen ten aanzien van de aangifte vennootschapsbelasting van [X] B.V. Graag willen mijn fiscaal collega ([E]) en ikzelf nader met jou bespreken wat de gevolgen hiervan zijn voor de aangifte (...).”

 

2.10     Per e-mail van 22 september 2017 om 11.25 uur heeft [A] daarop geantwoord:

“Het zegt mij niets en mijn zakelijke omgeving ook niet. Wil je het ASAP op mail zetten wat er nu ineens weer opdoet? Er zijn meerdere aandeelhouders dan kunnen ze meelezen. Bij de verkopen van de objecten laten wij ons leiden door het recentelijk aangeleverde lijstje met fiscale waarden.”         

 

2.11     Daarop heeft [Y2] per e-mail van 25 september 2017 geantwoord:

“Het fiscale aandachtspunt dat we willen bespreken betreft de fiscale afwaarderingen in de vastgoed CV’s. Hierover is in het verleden afstemming geweest met de belastingdienst en tot nu toe zijn ook de aangifte door de belastingdienst geaccepteerd, maar niettemin hebben wij gemeend deze nog eens kritisch te bekijken mede naar aanleiding van je vraag omtrent de fiscale boekwaarde. Daarbij hebben wij geconstateerd dat overall bezien de boekwaarde van de vastgoedinvesteringen positief is, maar als je dit per participatie in het vastgoed cq. de vastgoed CV’s bekijkt er is afgewaardeerd tot onder de fiscale boekwaarde en zelfs tot een negatieve boekwaarde van de afzonderlijke participaties. Uiteindelijk over de jaren heen komt de belastingdienst geen vennootschapsbelasting tekort want afwaarderingen betreffen enkel een tijdelijk fiscaal effect dat bij verkoop weer wordt teruggenomen. Niettemin hebben wij twijfels over deze benadering hetgeen ook mede is ingegeven door de recente kritische houding van de belastingdienst tegenover vastgoedfondsen en het gebruik van de HIR. De oorzaak is gelegen in de benadering van de fiscale transparantie van de vastgoed CV’s, de uitleg van de invulinstructies alsmede hetgeen nu wel/niet met de belastingdienst is overeengekomen. Dus ondanks dat over de afwaarderingsmethodiek is in het verleden afstemming is geweest met de belastingdienst en tot nu toe zijn ook de aangiften vennootschapsbelasting door de

belastingdienst zijn geaccepteerd, willen we toch graag de diverse opties in dit kader met je bespreken.”

 

2.12     Per e-mail van 28 september 2017 heeft [Y2] aan [A] geschreven:

“(...).

Hieronder de gedachten op hoofdlijnen, maar dit zouden we graag met je komen bespreken. Het punt dat we graag willen bespreken, betreft de fiscale afwaarderingen in de vastgoed CV’s.

Hierover hebben wij in 2012, na een vragenbrief van de Belastingdienst, afstemming gehad met de Belastingdienst. Bij de aanschaf van de vastgoed CV’s is een deel van de gevormde HIR afgeboekt. Dit leidt ertoe dat de fiscale waardering van het onroerend goed in de vastgoed CV’s lager is dan de waardering van de vastgoed CV’s die genoemd is in de fiscale invulinstructies(...) Op dit moment hebben wij twijfels over de eerder ingenomen en door de Belastingdienst geaccepteerde afwaarderingen waarbij de waarde op basis van de invulinstructie nog boven de fiscale boekwaarde lag. Dit temeer daar door het accepteren van deze

afwaarderingen de fiscale boekwaarde van het onroerend goed in de vastgoed CV’s momenteel negatief is. (...).

Wat ons betreft willen wij de volgende opties met je bespreken:

1. Correctie van te veel genomen afwaarderlngen tot een fiscale boekwaarde van € nihil

(...)

2. Correctie van te veel genomen afwaarderingen tot de herberekende fiscale boekwaarde

(...)

3 Overleg Belastingdienst

De laatste optie is dat wij in overleg gaan met de Belastingdienst omdat zij in ons optiek zowel in het overleg destijds en door het accorderen van de aangiften ook een standpunt hebben ingenomen en wij in overleg willen nagaan wat de juiste en ook voor jullie optimale benadering kan zijn. (...).”

 

2.13     Per e-mail van 2 oktober 2017 heeft [E] in vervolg op deze e-mail van [Y2]  aan [A] gemaild:

“In navolging van je telefonisch onderhoud afgelopen week met [Y2], licht ik je graag toe wat onze overwegingen zijn.

In de email hieronder hebben we je enige toelichting verstrekt, maar ik begrijp goed dat gezien de compleze materie de opties wellicht nog niet helemaal duidelijk zijn. Ik begreep van [Y2] dat je voorkeur ernaar uitging om niets te doen; dat wil zeggen de aangifte vennootschapsbelasting conform eerdere jaren wederom in te dienen. Wij hebben intern overleg gehad en niets doen is helaas voor ons geen optie. Dat licht ik hieronder graag nader toe.

Zoals besproken hebben wij op dit moment twijfels over de eerder door ons ingenomen en door de Belastingdienst geaccepteerde afwaarderingen waarbij de waarde op basis van de invulinstructie nog boven de fiscale boekwaarde lag. Dit komt doordat de boekwaarde zoals die in de aangiften staat van het onroerend goed in de vastgoed CV’s momenteel negatief is. Zoals hieronder uiteengezet, is er in 2012, na een vragenbrief van de Belastingdienst, overleg en afstemming geweest met de Belastingdienst over de waardering en toepassing van de HIR. In het verleden zijn, ondanks het feit dat er een afwijkende fiscale waardering was, de afwaarderingen op het onroerend goed wel geaccepteerd door de Belastingdienst. Het is echter niet duidelijk hoe we uiteindelijk de acceptatie door de fiscus uit mogen leggen. In het algemeen geldt dat de belastingdienst niet gehouden is aan standpunten die niet in overeenstemming zijn met de wet. Omdat de afwaarderingen slechts een tijdelijk fiscaal effect hebben, komt de belastingdienst uiteindelijk niets tekort. Wel komt bovenstaand er feitelijk op neer dat er mogelijk teveel afwaarderingen ten laste van de winst zijn gebracht in het verleden waardoor er in voorgaande jaren te weinig belasting is betaald. Dat kan worden herstelt door de fiscale boekwaarde weer ‘in ere te herstellen’, maar dat leidt in dit jaar tot een hogere vennootschapsbelastinglast (maar, daarentegen wordt hierdoor bij een toekomstige verkoop dus minder belastbare winst gerealiseerd - zoals gezegd; dit onderwerp betreft een timingsaspect). Wij begrijpen van je dat je geen zin hebt in een langdurige correspondentie hierover en dat je efficient een keuze wilt maken. In dat kader hebben wij in de email hieronder de drie opties opgenomen die volgens ons de mogelijkheid bieden om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen.

Tenslotte; wij begrijpen dat je vooralsnog geen gebruik maakt van een voorlopige aanslag om belastingrente te verminderen (zie hieronder). Als dat anders is en je wilt dat wij een voorlopige aanslag aanvragen, laat dat dan aub alsnog weten dan doen we dat uiteraard graag.

We horen graag je gedachten. Zoals gezegd hebben wij een grote voorkeur dit zsm in een gesprek met je toe te lichten en te bepalen wat te doen.”

 

2.14     Per e-mail van 5 oktober 2017 heeft [A] aan [E] gevraagd:

“Bij dezen verzoek namens de aandeelhouders [X] bv om de jaarrekeningen af te ronden zodat iedereen hier verder mee kan.”

Wat betreft onderstaande ontvangen wij graag onderstaande:

-       De volledige correspondentie met de fiscus;

-       Het verloop van de HIR door de jaren heen met toelichting.

Na ontvangst en bestudering komen wij (aandeelhouders [X]) hier op terug.”

 

2.15     Per e-mail van 9 oktober 2017 om 12.46 heeft [E] hem geantwoord:

“Bedankt voor je e-mail. Wij komen hier zsm op terug bij je”.

 

2.16     Per e-mail van 9 oktober 2017 om 15.30 uur van [A] aan [E] en [Y2] heeft [A] gevraagd:

“Wil je vast aangeven wanneer wij de jaarrekeningen ontvangen? Bij banken ed komt het telkens uitstellen niet echt goed over.”

 

2.17     Per e-mail van 11 oktober 2017 heeft [E] aan [A] gemaild:

“ Conform je verzoek, sturen wij je de bijgevoegde correspondentie met de fiscus. Naar aanleiding van deze correspondentie heeft er een bespreking plaatsgevonden. Na deze bespreking waren er geen vraagpunten meer van de belastingdienst en heeft de belastingdienst de aanslagen afgewikkeld. Voor het jaar 2008 kun je zien dat de belastingdienst in eerste instantie een aanslag ter behoud van rechten had opgelegd met een correctie. Begin 2013 is deze aanslag verminderd conform de ingediende aangifte en verstrekte toelichtingen.

(...)

Het afronden van de jaarrekening kan niet zolang we geen afstemming hebben over welke optie uit onderstaande email je voorkeur naar uitgaat voor wat betreft het standpunt in de aangifte vpb 2016. Als we die aangifte afgestemd hebben, kunnen we de jaarrekening ook dienovereenkomstig afronden.

Ik denk dat het goed is dat we in een gesprek bespreken hoe verder. Laat je ons aub

weten wanneer schikt? Dank.”

 

2.18     Per e-mail van 30 oktober 2017 heeft [A] een vraag aan [Y1] gesteld over de WOZ waarde van de panden van klaagster en de in de fiscale aangifte vermelde waarde. [E] heeft hem daarop geantwoord bij e-mail van 1 november 2017 om 12.10 uur.  Daarin heeft hij een voorstel gedaan voor correcties ten behoeve van de aangifte Vpb over het jaar 2016 en betaling van de verschuldigde Vpb uit liquide middelen van klaagster tezamen met de verkoop van participaties in 2018 door klaagster. Ook heeft hij gevraagd aan [A] om zijn gedachten over de eerder geopperde suggesties te laten weten.

 

2.19     [A]  heeft daarop geantwoord per e-mail van 1 november 2017. Daarin vraagt hij zich af over welke liquide middelen [E] het heeft en laat hij weten dat het enige wat hij uit de e-mail opmaakt is dat door de door [accountantskantoor] gemaakte fouten er geen liquiditeit is en daardoor geen HIR gevormd kan worden. 

 

2.20     Per e-mail van 7 december 2017 heeft [Y1] het volgende aan [A] gemaild:

“In jouw emails gebruik je steeds hele “grote” woorden zoals schandalig, alle normen te buiten, boekje zwaar te buiten, grove fouten. Wordt dat je ingefluisterd door de nieuwe accountant, door iemand anders of zijn dat je eigen conclusies?

Daarnaast geef je aan dat het extra werk betrekking heeft op door ons gemaakte fouten in [X]. Tegen beide maak ik bezwaar.

Laten we even teruggaan naar de kern. We hebben geconstateerd dat de fiscale behandeling van de HIR en dan met name de afschrijvingen op het vastgoed van de participaties mogelijk geen pleitbaar standpunt is. Dat is wellicht niet helemaal goed gegaan, maar ook de fiscus heeft hier niet verder naar gekeken. We hebben je echter in diverse gesprekken, emails en in een persoonlijk gesprek met [E]

en [F] gewezen op het feit dat, nu we ons hiervan bewust zijn, we hier niet van weg kunnen kijken. Tot nu toe is het namelijk een onopzettelijke fout, zodra er bewustzijn bij komt kan het als mogelijk bewuste belastingontduiking worden weggezet. Het enkele feit dat er in het verleden iets fout is gegaan betekent in onze visie overigens ook niet dat die fout dan ook maar ongewijzigd moet worden doorgezet in de toekomst. Fouten kunnen worden gemaakt zeker in het onderhavige geval waar we het hebben over zeer complexe materie. We hebben zeer uitgebreid -ook vanwege de complexiteit- de consequenties besproken met je en je verschillende oplossingsrichtingen aangegeven. Ik snap je conclusie dat: “Mede doordat is gebleken dat jullie geen invulling kunnen/willen geven aan het inzichtelijk maken van de gevolgen”, dan ook niet. Dat de conclusies en de gevolgen je wellicht niet aanstaan is iets anders dan het niet inzichtelijk maken. Ook de opmerking: “Eea heeft grote (gevolg) schade voor de vennootschap en haar aandeelhouders.” snap ik niet. Wellicht kun je dit nader verduidelijken en onderbouwen. Volgens mij is het juist zo dat er in het verleden te veel is afgeschreven, waardoor in het verleden minder VpB is betaald dan in die jaren (wellicht) noodzakelijk was. De tijdsbesteding onzerzijds  rn.b.t. dit onderwerp hebben we je ook niet in rekening gebracht! Eén van onze voorstellen was in overleg te gaan met de fiscus om te kijken of zij genegen waren de gevolgde aanpak uit het verleden ongewijzigd voort te zetten. Als ze daarin mee gaan is er helemaal niets aan de hand, maar wel het eerder genoemde risico weggenomen. Overigens zijn wij in de veronderstelling dat jij ons nog uitsluitsel zou geven over de voorgestelde oplossingsrichtingen. Jij hebt meerdere malen aangegeven dat je daartoe, samen met een adviseur, bezig bent met een onderzoek. Dus volgens mij ligt de bal bij jou. Ik heb de afgelopen tijd ook niet van je vernomen dat, hetgeen wij hebben besproken onduidelijk was. Het was logisch geweest, indien er nog onduidelijkheden waren, je dat aan ons had laten weten. Mijn vraag is ook of dat onderzoek is afgerond en of daaruit de conclusie volgt dat wij grove fouten hebben gemaakt. Ik zou dat rapport dan graag inzien. Zonder nadere onderbouwing van jou en of betrokken adviseurs blijft dat een bewering zonder inhoud en verzoek ik je verder dat soort beweringen achterwege te laten. Je kunt het wel constant hard roepen en schrijven maar dat op zich maakt het nog geen absolute waarheid.

(...)

Ik wil je er verder nog op wijzen dat dit de eerste keer is dat je facturen betwist. Dit volgt op mijn eerdere mail waarin ik je verzoek de facturen te betalen en niet eerder vanuit jezelf. Op grond van onze algemene voorwaarden en ook hetgeen betamelijk is in het maatschappelijk verkeer is dit te laat en dient geen enkel ander doel betaling verder te vertragen en te frustreren. Tevens geef je niet aan welke facturen en welke bedragen dan precies betwist zijn, omkleed met redenen. Alle niet betwiste bedragen had je dus sowieso al moeten voldoen. Nogmaals de uren m.b.t. de fiscale problematiek in [X] zijn door ons helemaal niet in rekening gebracht, dus daar kan het niet over gaan. De totaal in rekening gebrachte

bedragen voor [X] zijn tot op heden nota bene zelfs lager dan voorgaande jaren.

Je geeft aan dat: “Voor wat betreft [X] bv zullen de werkzaamheden betreffende jaarrekening en aangifte vpb door een andere accountant worden opgepakt.”

Kun je ter voorkoming van misverstanden bevestigen dat wij daarmee de werkzaamheden m.b.t. 2016 niet verder meer hoeven af te ronden? (...).”

 

2.21     Per e-mail van 18 december 2017 aan [Y1] schrijft [A]:   

“Ik geloof niet dat ik nog nader hoef te onderbouwen dat er door jullie fouten zijn gemaakt in de jaarrekeningen en de fiscale advisering van [X]. Uit jullie eigen mededelingen blijkt dat er jarenlang ten onrechte is afgeschreven op de participaties (zelfs tot een negatieve waarde). Volgens jullie eigen mededeling betekent dit dat er een belastingaanslag komt van zon EUR 850.000,--. Daar is in de balans geen voorziening voor opgenomen, en dan is ook de jaarrekening onjuist. En of je het nu een fout of een grove fout wil noemen, het effect is hetzelfde. Wij

zien ons geconfronteerd met een belastingclaim van EUR 850.000,--, terwijl we geen enkele reden hadden om die te verwachten.

Dat brengt ons echt in moeilijkheden. Wij zijn (aflossings)verplichtingen aangegaan met de banken op bâsis van de cijfers zoals die uit de jaarrekeningen telkens blijken. Wij hebben opnieuw geïnvesteerd met - wat wij dachten – vrije cash. Wij hebben banken geïnformeerd over onze financiële positie, en moeten nu terug met het verhaal dat er een tegenvaller van EUR 850.000,-- is. En dan laat ik de rente en eventuele boete nog buiten beschouwing. Toen jullie je eigen fout ontdekt hebben, is alles in de vertraging gekomen zonder overigens duidelijk te communiceren naar ons. Alles werd iedere keer weer uitgesteld en allerlei toezeggingen die ik aan de bank deed voor oplevering van de cijfers konden telkens niet worden nagekomen. (...) Als dat extra tijd heeft gekost komt die niet voor mijn rekening. Door jullie fout is [X] niet tijdig opgeleverd en daardoor is vertraging ontstaan. (...).

Voor wat betreft [X] verzoek ik je de jaarrekening 2016 af te ronden en ook de discussie aan te gaan met de Belastingdienst. We gaan ervan uit dat jullie er alles aan doen om te voorkomen dat rente of boete in rekening wordt gebracht. Wij kunnen dat niet betalen en het zou het probleem in onze relatie alleen maar vergroten. Overigens zou ik me geen zorgen maken over onze integriteit. Ik heb liever dat jullie concentreren op het voorkomen en oplossen van fouten.

Dan de facturen. Zolang ik klant ben bij [accountantskantoor] heb ik een vaste prijs voor het jaarwerk en de IB die jaarlijks wordt geïndexeerd. Voor extra werk geef ik extra opdrachten en die worden ook zo in rekening gebracht. Dus ik mag er ook dit jaar van uitgaan dat de facturatie in lijn is met die van vorige jaren, tenzij er bijzondere dingen zijn. (...)

(...)

Voor [X] wil ik het jaarwerk en de fiscale jaarrekening uiterlijk 31 januari 2018 ontvangen, gezien de druk vanuit de banken en de onzekerheid over onze bedrijfsvoering is hier haast bij. De facturen voor jaarwerk en aangifte zullen wij voldoen zodra die gereed zijn. Als er schade voortvloeit uit fouten die jullie gemaakt hebben, houden we jullie daarvoor aansprakelijk.”

 

2.22     Per e-mail van 20 december 2017 heeft [E] aan [A] gevraagd of [accountantskantoor] op basis van de keuze van [A] voor optie 2 in zijn e-mail van 18 december 2017 aan [Y1] de aangifte Vpb 2016 voor klaagster op kan stellen. De marsroute die daarbij past heeft hij ook uitgelegd. Per e-mail van 21 december 2017 heeft [E] bevestigd dat [A] er de voorkeur aan gaf toch eerst met de fiscus in overleg te gaan.

 

2.23     [E] heeft [A] per e-mail van 22 december 2017 geadviseerd spoedig in overleg te gaan met de belastingsdienst. Dat heeft geresulteerd in een tussen klaagster en de belastingdienst op 23 april 2018 gesloten vaststellingovereenkomst.

 

2.24     Een concept van de jaarrekening 2016 van klaagster dat door betrokkenen is opgesteld, is gedateerd 18 april 2018.

Daarin staat onder meer:

“(...). In de jaarrekening zijn fouten uit voorgaande boekjaren hersteld voor een totaal bedrag van € 884.635. Dit bedrag is direct ten laste van het eigen vermogen per 1 januari  2016 gebracht. De fouten betreffen enerzijds een te lage waardering van de voorziening latente belastingverplichting als gevolg van het hanteren van een te lage fiscale waarde voor participaties in vastgoed CV’s. Anderzijds is in het

verleden een te laag percentage gehanteerd voor de berekening van de nominale waarde van de latente belastingverplichting.”.

 

2.25     De legal council van [accountantskantoor] heeft naar aanleiding van e-mails van [A] aan [E] in een brief van 14 februari 2018 aan klaagster onder meer het volgende geschreven:

‘Zoals u heeft kunnen opmaken uit de e-mail van de heer [E]  d.d. 16 januari 2018 is “naar onze mening geen sprake van de vaststelling van fouten in de aangiften vennootschapsbelasting cq. de jaarrekening”.

 

2.26     [Y1] heeft op 3 mei 2018 bij de jaarrekening 2016 van klaagster een samenstellingsverklaring afgegeven. Hierin is dezelfde passage opgenomen als in 2.24 is vermeld.

 



3          De klacht

 

3.1       Betrokkenen hebben volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

 

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, de verwijten dat betrokkenen:

a.     de participaties van [X] (fiscaal) onjuist hebben gewaardeerd, als gevolg waarvan jaarrekeningen zijn samengesteld die geen juist beeld geven van de financiële situatie van [X], althans waarin fouten zitten en als gevolg waarvan onjuiste aangiften Vpb zijn gedaan;

b.    de belangen van hun cliënte [X] hebben geschonden, althans zij hebben die niet behoorlijk behartigd, door toezeggingen niet na te komen en hun fout te verhullen.

 

 

3.3       Wat door klaagster bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door betrokkenen gegeven weerspreking van de klacht.

 

3.4       Voor zover klaagster heeft bedoeld te klagen over het feit dat betrokkenen de jaarrekening over 2016 te laat hebben samengesteld, is dit een ongeoorloofde uitbreiding van de klacht die pas tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht en om die reden buiten behandeling blijft.  

 

4          De gronden van de beslissing

 

Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, omdat dit plaatshad ná 4 januari 2014, worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

De steeds tegen [accountantskantoor] gerichte klachtonderdelen zijn opgevat als verwijten die beide betrokkenen worden gemaakt.

 

4.4       Klaagster heeft ter onderbouwing van klachtonderdeel a. aangevoerd dat de vastgoedfondsen van klaagster in de jaarrekening 2015 op commerciële grondslagen zijn gewaardeerd en gebleken is dat die waarde ten onrechte is gebruikt voor de fiscale waardering van het onroerend goed in de vastgoedfondsen en voor de aangifte Vpb van klaagster. Gevolg daarvan is volgens klaagster dat in de jaarrekening 2015 geen voorziening of belastinglatentie is opgenomen terwijl dat wel nodig was.

De omstandigheid echter dat betrokkenen bij het samenstellen van de jaarrekening over 2016 van klaagster zijn gestuit op een  te lage fiscale waardering van de participaties van klaagster heeft niet automatisch, zoals klaagster in haar klaagschrift lijkt te veronderstellen, tot gevolg dat betrokkenen een tuchtrechtelijk verwijt treft omdat zij bij het samenstellen van de jaarrekening 2015 hadden moeten constateren dat de voorziening latente belastingverlichting vanwege een onjuiste fiscale waardering en onjuiste Vpb aangifte te laag was. Dat blijkt zonder toelichting, die ontbreekt, niet logischerwijs uit de aangifte Vpb over het boekjaar 2015 en de daar onder liggende overzichten waarnaar klager ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen. De aangifte Vpb en de fiscale waardering van het onroerend goed zijn ten behoeve van het samenstellen van de jaarrekening 2015 voorbereid door belastingsadviseurs van [accountantskantoor]. Niet gebleken is dat betrokkenen daar enige bemoeienis mee hebben gehad en/of daarvoor verantwoordelijk gehouden moeten worden.  Ook zijn er geen aanwijzingen dat betrokkenen niet van de juistheid van de van de belastingadviseurs afkomstige informatie uit mochten gaan. Dat zij daarop hebben mogen vertrouwen geldt te meer omdat onbetwist uit het dossier naar voren is gekomen dat de fiscale waarderingsmethodiek op een bestendige wijze reeds meerdere jaren werd gehanteerd, de fiscale waardering meerdere malen met de belastingdienst is besproken, inclusief de onderliggende documenten zoals de fiscale invulinstructies, de Vpb-aanslag telkens overeenkomstig de aangifte werd opgelegd, de gegevens over boekjaar 2015 geen opmerkelijke materiële verschillen vertoonden met voorgaande jaren en, tenslotte, de belastingdienst heeft erkend dat hij het vertrouwen had gewekt dat de gevolgde waarderingsmethodiek (nog steeds) juist was, en op grond daarvan in de vaststellingovereenkomst met klaagster (zie 2.23) tot een voor klaagster zeer gunstige regeling is gekomen. Klachtonderdeel a. is hierom zowel ten aanzien van [Y1] als ten aanzien van [Y2] ongegrond.

 

4.5       Over het verwijt in klachtonderdeel b. dat toezeggingen niet zijn nagekomen heeft klaagster naar voren gebracht dat de jaarrekening 2016 te laat, te weten pas op 3 mei 2018, is opgemaakt. [A] wijt dit aan de discussie over de waardering van de participaties en heeft aangevoerd dat hij [Y2] op 16 augustus 2017,  20 september 2017 en 5 oktober 2017 per e-mail heeft verzocht om de jaarrekening tijdig op te maken en op 18 december 2017 heeft laten weten de jaarstukken van klaagster uiterlijk 31 januari 2018 te willen ontvangen.  Uit de e-mail van 20 september 2017 waarin staat dat ‘[A] de cijfers (toch) vorige week zou ontvangen’, blijkt volgens hem dat toezeggingen zijn gedaan over het tijdig opmaken van de jaarstukken 2016.

Dit betoog en de strekking daarvan bieden naar het oordeel van de Accountantskamer geen feitelijke onderbouwing voor daadwerkelijke toezeggingen die door betrokkenen aan klaagster zouden zijn gedaan, noch blijkt daaruit wie van beide betrokkenen in relatie tot klaagster daarin tekort zou zijn geschoten. Dit verwijt uit klachtonderdeel b. is daarom ongegrond.

 

4.6       Over het verwijt in klachtonderdeel b., dat betrokkenen de waarderingsfout hebben verhuld, heeft klaagster naar voren gebracht dat [accountantskantoor] na het ontdekken van haar fout dit niet duidelijk en direct naar haar heeft gecommuniceerd maar op een defensieve wijze heeft gereageerd. Dat blijkt volgens klaagster enerzijds uit de e-mail van [E] van 2 oktober 2017 en van [Y1] van 7 december 2017 en voorts uit het financiële verslag bij de concept-jaarrekening over 2016 van 18 april 2018, waarin de fout volgens klaagster wordt erkend en anderzijds uit een brief van mr. [G] legal council van [accountantskantoor] van 14 februari 2018 (zie 2.25) waarin deze volgens klaagster op het standpunt dat een fout is gemaakt terugkomt. Volgens klaagster duidt dat er op dat betrokkenen slechts geprobeerd hebben de gevolgen van de fout te beperken.

 

4.7       Wat er zij van de juistheid van het standpunt van klaagster dat betrokkenen beiden op grond van hun later verkregen inzichten over de fiscale boekwaarde van de participaties eerder ingenomen standpunten eerst wel en later niet als fout hebben gekwalificeerd, heeft klaagster met de verwijzing naar een enkele passage in een brief van de legal council en zonder uitleg van de context daarvan, niet aannemelijk gemaakt dat zij daarover iets hebben willen verhullen. Daarentegen hebben betrokkenen naar voren gebracht, wat ook blijkt uit de door hen overgelegde stukken, dat de fiscale problematiek op 22 september 2017 bij klaagster onder de aandacht is gebracht, er meerdere keren bij klaagster op aangedrongen is om de fiscale waardering en de eventuele opties door te nemen, de opties zijn uitgewerkt en is geïnformeerd naar de keuze van klaagster en klaagster tenslotte op 22 december 2017 heeft laten weten een overleg met de belastingdienst te willen dat op 15 januari 2018 heeft plaats gevonden. Ook dit verwijt uit klachtonderdeel b. is daarom ongegrond.

 

4.8       Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

 



5          Beslissing

 

De Accountantskamer:

 

•          verklaart de klacht tegen beide betrokkenen in alle onderdelen ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. A.L. Goederee en mr. R.P. van Eerde (rechterlijke leden) en mr. drs. J.B. Backhuijs RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2020.

 

_________                                                                                        __________

secretaris                                                                                           voorzitter

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.

 

 

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens